'O Heere, straf mij niet in Uw toorn...'
Psalm 6 : 2
Psalm 6 is de eerste van de zgn. boetepsalmen. Zij werden in de oude kerk gezongen in tijden van grote nood. Naast Psalm 6 waren dat ook o.a. Ps. 32, 51 en 130. Alle liederen, waarin de dichter vanuit de nood en schuld van zijn leven roept tot God om verlossing en ontferming. Aan de ene kant zijn deze psalmen nog steeds geliefd. Althans door dat deel van de gemeente, dat iets kent van de werkelijkheid en diepte van de schuld, die wij mensen hebben tegenover elkaar en tegenover God. En dat daarom ook weet heeft van het roepen om Gods genade in Jezus Christus. Juist deze psalmen worden ons dan zo ontzaglijk lief. Zij vertolken de nood van ons eigen bestaan. Anderzijds moeten wij erkennen, dat wij ook vaak ver van deze psalmen afstaan. Wij kunnen er dan maar moeilijk inkomen, in de nood, die de dichter vertolkt. Misschien is dit nu wel bij ons het geval. Maar juist dan is het goed om zo'n psalm aandachtig te lezen en te overdenken. Daardoor kunnen wij worden teruggeleid naar vroegere momenten, die moeilijker waren dan nu, maar die daardoor juist intenser en vruchtbaarder waren dan het heden. Zo kunnen wij, van verre staande, opnieuw dichterbij worden gebracht.
Maar ik weet het, forceren kunnen wij dit niet. Daarvoor is dit gebeuren veel te persoonlijk, zoals deze Ps. 6 ook een zeer persoonlijk lied is. Er staat niet voor niets boven, dat het een Psalm van David is. Zij is geboren uit de nood van Davids leven. Toch heeft David deze psalm gemaakt voor de Opperzangmeester, voor de koorleider van de tempelzang. Hij wilde dus, dat ze ook in en door de gemeente zou worden gezongen. Dit persoonlijke lied is tegelijk een gemeentelied. Een lied voor de gemeente van alle tijden en plaatsen. Daarom mogen ook wij haar in de mond nemen en de troost ervan ervaren.
Dat het een gemeentelid is, blijkt ook uit de muzikale notities, die eraan worden toegevoegd: op de neginoth. Daarmee zal wel een bepaald muziekinstrument bedoeld zijn. En dan: op de scheminith. Sommige verklaringen zeggen, dat dit betekent: op de bas-toon. Het lied zou dus oorspronkelijk op een lage toon gezongen zijn. Als dat zo is, moeten wij er wel op letten. Er zijn psalmen die op een hoge toon gezongen moeten worden, willen zij tot hun recht komen. Zoals Ps. 103 en Ps. 150. Maar er zijn ook psalmen, die op de bastoon dienen te worden gezongen. Deze liederen klinken op uit de diepte. Dan klinken ook diepe tonen erin door. En die momenten zijn er in Gods kerk ook.
Maar het wonderlijkste is nog, dat er niet alleen op de hoogtepunten, maar ook op de dieptepunten in ieder geval gezongen wordt.
Hoe diep de nood van deze dichter gaat, wordt in het 2e vers gelijk al door hem vertokt: O Heere, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. De dichter gaat gebukt onder Gods straffende hand. Waaruit de straf bestaat, wordt niet helemaal duidelijk. Vers 3 doet aan een ziekte denken. De dichter zegt daar, dat hij verzwakt is en smeekt God om genezing. Verderop in de psalm spreekt hij echter over vijanden, die hem omringen.
Maar het is niet zo belangrijk om het precies te weten. Het geeft juist ruimte voor allen, die na hern deze psalm gezongen hebben om hun nood daarbij in te vullen. En die kan van allerlei aard zijn: lichamelijke, maar ook geestelijke nood, lijden onder onze schuld, maar ook onder aanvechting en verdrukking, die anderen ons aandoen. Het bijzondere van deze psalm echter is, dat de dichter in zijn nood Gods straffende hand opmerkt, en daarachter Zijn toorn. Dit laatste is voor hem het meest ontzettende. Dat is de nood in zijn nood: God toornt op hem. God heeft zich van hem afgewend. Dat betekent dus, dat de straf op zichzelf voor de dichter niet het ergste is. Dat wordt duidelijk, als wij vs. 2 zo lezen: Heere, straf mij — niet in Uw toorn. En kastijd mij — niet in Uw grimmigheid. Hij vraagt niet of de Heere hem niet wil straffen. Maar of Hij hem niet in zijn toorn wil straffen. Hij vraagt niet, of de Heere zijn kastijding wil wegnemen, maar of Hij hem niet wil kastijden in zijn grimmigheid. De straf wil hij wel dragen. En de kastijding, ja die heeft hij nodig, Dat wil hij voluit erkennen. Maar de toorn van God, zijn grimmigheid, daaronder kan hij het niet uithouden. Daardoor wordt hij verzwakt, daardoor zijn zijn beenderen verschrikt, vs. 3. Met die beenderen bedoelt hij de diepste kern van zijn bestaan. Hij lijdt onder Gods toorn 'tot op zijn botten'. Want die toorn van God gaat ook door merg en been. Daarom: Heere, straf mij, maar niet in Uw toorn. Kastijd mij, maar niet in Uw grimmigheid. Want dat kan ik niet uithouden, daar ga ik aan ten onder. Wij vinden dit terug in Jerem. 10 : 24, waar Jeremia bidt: Kastijd mij, Heere, doch met mate. Niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet teniet maakt. Ook de berijming van Psalm 6 heeft het zo aangevoeld: Heere, Gij zijt weldadig, straf mij, niet ongenadig, in Uwe toornegloed. Ai matig Uw kastijden, sla mij met medelijden, gelijk een Vader doet.
Het is niet aantrekkelijk om over Gods toorn te spreken. We hoeven er ook niet lang over uit te weiden, maar helemaal verzwijgen, dat mag ook niet. Psalm 6 brengt ons ertoe om er uitdrukkelijk bij stil te staan. Hier wordt namelijk ook gezegd, wat die toorn van God inhoudt. Zij houdt in, dat God Zich dan van ons afwendt. Dat maken wij uit op vs. 5, waar de dichter roept: Keer weder, Heere. Daar gaat het dus om. Dat de Heere op hem toornde, kwam daarin tot uiting dat Hij zich van hem had afgekeerd. Dat kon de dichter niet langer meer uithouden. Daardoor was zijn ziel verschrikt.
Het is ook bijna niet onder woorden te brengen, wat dit inhoudt: door God verlaten worden. Voetius heeft eeuwen geleden reeds een boekje geschreven over de Geestelijke Verlatingen. Daarin probeert hij het te vertolken, en laat hij zien, met welke grote benauwdheid der ziel dit gepaard gaat. Als de Heere ons verlaat, valt er een gat in ons bestaan, dat met niets is op te vullen. De dichter zelf zegt, dat hij erdoor verzwakt is. Inderdaad. Dan wordt ons gebed verzwakt, ons geloof, ons vertrouwen, onze hoop, onze zekerheid, ons lied, ons gesprek, onze gedachten. Het leeft niet meer. Het lijkt alsof alles weg is, zelfs nooit er geweest is.
Wij staren in de leegte. Wij voelen ons geestelijk en soms ook lichamelijk verlamd. Wij bevinden ons in een diepe kuil, en we zien geen uitweg. We zinken weg in de modder, we hebben geen houvast.
'Ik ben verzwakt, genees mij, want mijn beenderen zijn verschrikt. Ja, mijn ziel is zeer verschrikt'. De dichter is er ziek van geworden. Ziek zijn vanwege Gods verlating, doodziek.
De dichter kan dat niet meer uithouden. Daarom roept hij: Gij, Heere, hoelang? Hij kan niet eens meer een normaal gebed uitspreken. Hij kan alleen nog maar schreeuwen: een korte, afgebroken schreeuw tot God: En Gij — Heere — hoelang? Keer weder Heere. Het zijn stoten, geen gebed, maar flarden van een gebed.
Een nadere uitleg hiervan is niet mogelijk en ook niet nodig. Wie het verstaat, die verstaat het. Maar we mogen niet vergeten, dat er rondom deze duisternis, een rand van licht speelt. Daarover gaat het vervolg van de psalm en eigenlijk straalt er al iets doorheen vanaf het begin. Daar willen wij nog op terugkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's