De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een oecumenisch accoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een oecumenisch accoord

10 minuten leestijd

Inleiding

Op de gezamenlijke vergadering van de generale synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en van de Gereformeerde Kerken in Nederland eind mei te Bunnik werd de eerste avondzitting op donderdag 29 mei gewijd aan de bespreking van het rapport 'Zending en evangelisatie - een oecumenisch accoord'. Het was vastgesteld in juli 1982 door het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken en het werd door ds. Van Butselaar samen met mevrouw Van Hilten uit het engels vertaald. Het rapport werd ons toegezonden samen met de samenvatting en commentaar door de Hervormd-Gereformeerde Commissie van Rapport, waarin de heren Jongeneel, Van Ginkel, Bakker en De Gaay Fortman zitting hadden.

Achtergrond

Sedert Uppsala 1968 en in het algemeen sedert de zestiger jaren bestaat er in Wereldraadkringen, en met name in de commissie voor zending en evangelisatie, een zekere spanning tussen evangelicals én oecumenicals. In ons taaleigen zouden wij de evangelicals zoeken onder hen die in zending en evangelisatie Bijbelgetrouw willen werken en daar de meeste nadruk op leggen. De oecumenicals zijn dan voor ons degenen die met name de eenheid onder christenen nastreven en hierbij geneigd zijn, principiële verschillen weleens te snel te herleiden tot theologische verschillen van inzicht. De spanning tussen beide 'bewegingen', die op een of andere manier beide hun rechtmatige plaats vinden in de geschiedenis van de oecumenische beweging, is zo hoog opgelopen, dat de Wereldraad dreigde in twee stukken uiteen te vallen, althans wat betreft de commissie voor zending en evangelisatie.

Aan de hand van een inventarisatie van theologieën en meningen over wat zending en evangelisatie is, moest het komen tot een positiebepaling van de Wereldraad in dezen, en de neerslag hiervan, tevens bedoeld om de jongen kerken te helpen, ligt nu voor ons. De samenvatting en commentaar prijst het stuk en geeft tegelijkertijd kritiek op het gebrek aan een heldere indeling, het Bijbelgebruik dat getuigt van een totaal gebrek aan theologische inzichten, en de enigszins triomfalistische toon, die uit het stuk spreekt.

De rapporteringscommissie ter synodevergadering uitte zich bij monde van ds A. Tromp vooral kritisch ten aanzien van de theologie der armen, die ook in dit stuk de boventoon voert en telkens weer de gedachte oproept, als zouden de armen om hun armoede een streepje bij God voor hebben in de verwerkelijking van het Koninkrijk Gods.

Wij willen in dit artikel trachten een paar lijnen na te trekken uit het rapport, waar uitroeptekens bij te plaatsen of vragen bij te stellen zijn.

En — en

Het rapport begint te stellen dat de Bijbelse belofte van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel christenen uitnodigt hun aandeel in de geschiedenis der wereld te leveren. Vanwege de zonde, die mensen vervreemdt van God, hun naaste en de natuur, zal dit aandeel bestaan in de oproep van mensen en volkeren tot berouw, de verkondiging van de vergeving der zonde en een nieuw begin in de verhouding tot God en de naaste door Jezus Christus.

Deze prediking, deze oproep, dit getuigenis is in onze wereld en tijd noodzakelijker dan ooit, omdat... er zoveel armen zijn voor wie toch specifiek dit Goede Nieuws bestemd is, omdat... mensen die vechten voor gerechtigheid, vrijheid en bevrijding, vaak zonder dat hun idealen gerealiseerd worden, moeten verkondigd krijgen dat Gods rijk aan hen beloofd is. Aan wie zoeken naar troost in verdovende middelen of religieuze sekten, moet verkondigd worden dat in Jezus Christus leven in overvloed is. Het discipelschap moet verkondigd worden aan wie verzanden in hun rijkdom, de eerste liefde aan wie slechts in naam zich toevertrouwen aan Jezus Christus, en de zaligspreking van de vredestichters aan een mensheid die leeft in een wereld van oorlogen en geruchten daarvan.

Ik denk dat het duidelijk zal zijn, dat hier gepoogd wordt twee zaken met elkaar te verbinden: het legitieme van de evangelicals en wat hun beweegt, in de oproep tot bekering, teruggaan tot de eerste liefde en het discipelschap, en het legitieme van de oecumenicals die immer weer benadrukken dat de aarde des Heeren is mét haar volheid. Het zou ongereformeerd zijn te ontkennen dat deze twee elementen met elkaar verbonden moeten worden, zolang het God belieft de schepping te laten en erover te waken in Zijn voorzienigheid, ja, die te besturen naar Zijn doel.

De grote vraag bij dit alles is, van welke theologische taal men zich bedient bij deze vereniging, en of in deze vereniging alle elementen werkelijk zich met elkaar laten verbinden. Doet de schepping restloos mee in het Koninkrijk van God? En draagt het Evangelie onder alle omstandigheden de contouren van de wijde schepping?

Dit zijn temeer vragen van gewicht, omdat de wereld der evangelicals op dit punt zelf innerlijk dreigt te scheuren. De Evangelische Allianties in elk land kennen het verschijnsel, en de Amerikaanse landen kennen het op een geheel eigen wijze. De meer rechtse evangelicals blijven bij het oude standpunt, krachtens hetwelk zij staan op de onfeilbaarheid der Schriften en in het strict Schriftuurlijke hun enige hoop en heil zoeken. Daardoor wordt hun belangstelling voor de vragen van deze wereld bepaald en ook wel begrensd, zoals o.a. James Barr in Fundamentalism heeft aangetoond.

Rond mannen als John Stott is een ander soort evangelicals gegroepeerd. Zij zijn opener voor de vragen die de wereld ons stelt, en gaan ook op politieke en sociale uitdagingen in. Het gevaar zie ik persoonlijk hierin gelegen, dat de evangelicals in het algemeen en deze in het bijzonder zo weinig hechten aan traditie en zo weinig confessionele en theologische bagage hebben, die kan dienen om de vragen die hun voorgelegd worden, op hun juiste waarde te schatten. Hierdoor zie ik déze vleugel aan de evangelicals precies terechtkomen daar waar de oecumenicals in de zestiger en zeventiger jaren zijn beland.

Een accoord met een scheiding

Om deze zelfde reden durf ik het aan te stellen, dat grote groepen evangelicals zich niet zullen vinden in dit oecumenisch rapport, mede om de reden die de commissie van rapport zelf aanvoert: het niet gebruiken van een Bijbelse hermeneutiek en het ontbreken van de inzichten van een Bijbelse zendingstheologie. Was er vroeger een scheiding te bespeuren tussen oecumenicals en evangelicals, thans komt er zo'n scheiding tussen evangelicals en evangelicals. Sommige evangelicals vinden zich in dit rapport, anderen niet. Ik noem de southern baptists, de niet-geregistreerde baptisten in de Sovjetlanden en tal van geloofszendingen.

Wat houdt die scheiding dan in? Dit wordt ons duidelijk, wanneer we uit het rapport het hoofdstuk over de roeping tot zending lichten. Veel kerken zijn, zo wordt gesteld, zich bewust van de onontknoopbare relatie tussen christelijke eenheid en roeping tot zending. Evangelisatie is de proef op onze roeping tot oecumenisch samenleven.

Dat klinkt zeer schoon en ik denk dat er op zichzelf genomen weinig tegen in te brengen is. Verdeeldheid maakt de boodschap ongeloofwaardig, vooral de boodschap in haar boodschappers. Het punt is niet zozeer het waarheidsgehalte van de uitspraak alswel wat eraan ontbreekt. Eenheid is een charisma in de heilige Schrift, een gave van de Geest aan het lichaam van Christus. Men wordt opgeroepen om de vrede te bewaren en na te jagen, maar eenheid is veelmeer een organische kwestie dan een opdracht. Dit betekent dat, als eenheid ontbreekt, men niet als de hazen elkaar tot eenheid moet bewegen, doch moet zien wat er schort aan de ontvangst van de Heilige Geest. En hier zijn we aan een zwakke stee in het rapport gekomen, waar ook de commissie van rapport, zogoed als de rapporteringscommissie ter synode op wees. De voorvragen ontbreken pijnlijk. Dat is niet slechts naar ik vrees een kwestie van het ontbreken van methoden of het gebruiken van verkeerde methoden. Het getuigt van verkeerde inzichten die zich wreken in een stuk dat de jonge kerken als methodiek moest dienen. Hetzelfde geldt van het tweede punt onder het hoofdstuk roeping. Dat is de gerechtigheid van het Koninkrijk van God in Jezus Christus. 'Deze nieuwe gerechtigheid bood God aan aan de kinderen, aan de armen, aan allen die vermoeid en belast zijn, aan allen die berouw hadden, en Jezus wilden volgen.' Had men zich de moeite getroost om te zien hoe de gerechtigheid van God in het koningschap over Israël functioneerde, dan had men veel genuanceerder geschreven, en dan was zeker de zaak van de schuldvergeving, de herstelde gemeenschap (een grondmotief voor het Bijbelse woord gerechtigheid) aan de orde gekomen.

Ernstiger nog geldt ditzelfde verwijt het derde punt: het gebruik van het woord 'apostolisch'. Op grond van het getuigenis der apostelen, bewaard in het Nieuwe Testament en in het leven van de kerk, is dit de fundamentele karaktertrek van de kerk, namelijk dat zij apostolisch is, dat zij in de wereld is gezonden.

Uit de bijlage bij dit stuk blijkt dat men apostolisch heeft opgevat in de zin van de shalieach, de sheloecha, de apostolos, de afgezant. Het is een oud en hardnekkig misverstand met name in kringen van oecumenicals, dat apostolisch als bepaling van het wezen der kerk zich uitsluitend zou laten vertalen in de zin van het apostolaat. Niet alleen vergeet men, dat het apostolaat van de apostelen principieel verschilt van het apostolisch bewustzijn van de kerk in later tijden, maar ook dat men zo het fundament verzaakt en uitsluitend ziet naar wat er de hoogte in gebouwd wordt.

Apostolisch is de kerk krachtens de leer der apostelen. Die leer is in de eerste eeuwen van christendom de exclusieve norm voor wat als waarheid mag worden aangemerkt en is zelfs als zodanig gebruikt om terzake van de Bijbelboeken te bepalen wat kanoniek en wat apokrief is. Ik wil voorzichtig zijn met de term apostoliciteit der kerk, om­ dat er al zoveel misverstanden door zijn ontstaan. Wil men zich persé van die term bedienen, dan vergete men niet dat de zending moet luisteren naar de norm van de kerk en het christendom om te weten wat zending is. Dat betekent apostolisch. Van die kritische norm kom ik weinig in dit rapport tegen. De toon is in het algemeen optimistisch, maar in dit hoofdstuk zeker.

Weinig hoopgevend

Soortgelijke vragen als boven zouden te stellen zijn bij de betekenis van het kruis, bij het woord bekering en bij het gebruik van de term vrijheid in dit rapport. De commissie van rapport heeft nog op heel andere en diepgaande punten gewezen zoals het misverstand rond de uitdrukking lichaam van Christus en de weinig kritische relatie tussen de vleeswording van Christus en het ingaan van het Woord in de wereld. Toch meent de commissie van rapport dat dit rapport tegen de achtergrond van de mensen, die het op het oog heeft als mensen in nood, er een bewijs van is dat de kerk zich de vele vragen laat aangaan en zo een teken van hoop is.

Ik kan die mening niet delen. In de eerste plaats geloof ik niet dat het rapport een verandering betekent in de koers, die de Wereldraad terzake van zending en evangelisatie reeds vele, vele jaren vaart. Hoogstens betekent het rapport een bijstelling: ook evangelische noties worden nu iets meer meegenomen.

In de tweede plaats lijkt me de theologische verwoording van de vragen, waar de kerk mee te maken heeft, zo onbezonnen en oppervlakkig, dat men de verkenning van de wereld waarin wij leven en de tijdsspiegel die zich aan ons voordoet, nauwelijks serieus heeft genomen.

In de derde plaats is niet de individuele zondaar, maar de kollektieve arme ook hier weer — na Uppsala, Nairobi, Melbourne — het voorwerp van Gods heil. En ik vrees dat, zolang deze visie niet gecorrigeerd is, de kerken met haar verkondiging achter het (neo)marxisme aanlopen en slavendienst verrichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een oecumenisch accoord

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's