Het nut van het mens-zijn van Jezus (2)
Groot is de worsteling in de eerste eeuwen van onze jaartelling geweest om duidelijk onder woorden te brengen de twee naturen van Christus. Steeds bestond er het gevaar om de ene natuur te laten opgaan in de andere. Nu eens deed men de menselijke, dan weer de Goddelijke natuur te kort. Het concilie van Chalcedon heeft de gemoederen tot bedaren gebracht door te stellen: 'Wij leren eenparig dat men moet belijden één en dezelfde Zoon, onze Heere Jezus Christus, dezelfde volmaakt in Zijn Godheid, en dezelfde volmaakt in zijn mensheid, waarlijk God en dezelfde waarlijk mens bestaande uit een redelijke ziel en een lichaam, één van wezen met de Vader volgens Zijn Godheid, en dezelfde één van wezen met ons volgens Zijn mensheid, in alles ons gelijk behoudens de zonde; voor de eeuwen geboren uit de Vader volgens Zijn Godheid, in het laatst der dagen dezelfde terwille van ons en ons behoud (geboren) uit Maria, de Maagd en Moeder Gods, volgens Zijn mensheid; één en dezelfde Christus, Zoon, Heere, Eniggeborene, in twee naturen, onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden erkend, waarbij het onderscheid der naturen geenszins is opgeheven vanwege hun vereniging, maar veeleer de eigenheid van elke natuur bewaard blijft, en samenkomt tot één persoon en één wezen, niet gedeeld of gescheiden in twee personen, maar één en dezelfde eniggeboren Zoon van God.'
Luther
Luther heeft volledig zijn instemming betuigd met wat eeuwen geleden op Chalcedon was uitgesproken. Hij deed dit in de overtuiging dat deze belijdenis naar z'n wezen in de Schrift te vinden was. Opvallend is dat hij zich echter niet intensief heeft verdiept in de vraag, hoe het nu zit met de twee naturen van Christus en hun onderlinge verhouding. Was hij bevreesd voor speculaties en vond hij dat Chalcedon meer dan genoeg had gezegd? Hoe het ook zij, Luther was van mening dat anderen zich maar met zo'n vraag moesten bezighouden. Hij was wars van iedere speculatie, omdat men daardoor Christus zelf niet werkelijk in het oog krijgt. Een bekende uitspraak van hem is dan ook: 'Christus wordt niet daarom Christus genoemd, omdat Hij twee naturen heeft. Wat gaat mij dat aan? ... Dat Hij van natuur mens en God is, is zijn zaak; maar dat Hij Zijn liefde heeft uitgestort en mijn Heiland en Verlosser wordt, dat gebeurt tot mijn troost en terwille van mij.' Uit deze uitspraak van Luther kunnen wij concluderen dat het belang van Christus voor Luther ligt in Zijn ambt en in het werk dat Christus heeft gedaan en nog altijd doet.
Wanneer Luther over Christus als Zijn Heere en Heiland spreekt bedoelt hij de mens waarvan de evangeliën getuigenis afleggen en dan vooral die mens in Zijn onaanzienlijkheid en Zijn lijden. Deze mens, Jezus, is naar zijn zeggen de enige toegang tot God. Alleen in het Kind in de kribbe en in de Man aan het kruis is Hij te vinden en nergens anders. Om die reden heeft Luther uitdrukkelijk gezegd: 'ik ken geen andere God dan alleen Hij die Jezus Christus heet'. Met warmte, bewogenheid spreekt Luther over de mensheid van Christus en komt hij expliciet op voor de eenheid van God en mensheid in Hem. Christus was Voor hem alles. Daarom kon hij ook zeggen dat men overal Christus vond als men hem open zou snijden.
Zoals ik reeds schreef, heeft Luther de (geloofs-)uitspraken van Chalcedon niet betwist. Toch zwakt hij deze uitspraken af door te stellen dat de menselijke natuur van Jezus deelt in de eigenschappen van de Godheid. Heel eenvoudig gezegd wil het dit zeggen dat Christus naar Zijn mensheid alwetend, almachtig, eeuwig en alomtegenwoordig is. Heel duidelijk komt dit uit in Luthers zienswijze op het Heilig Avondmaal. Hij ging uit van de zg. consubstantiatie d.w.z. brood blijft brood, en wijn blijft wijn, maar Christus is lichamelijk tegenwoordig onder de tekenen van brood en wijn. Christus kan alleen daarom zo reëel lichamelijk aanwezig zijn overal waar het Heilig Avondmaal gevierd wordt, omdat Hij naar Zijn mensheid, d.w.z. ook lichamelijk alomtegenwoordig is. Mijns inziens is Luther hier toch wel over de schreef gegaan d.w.z. buiten de gegevens van de Schrift te werk gegaan. Ofschoon hij een fervent tegenstander was van iedere speculatie, heeft hij zich in dit geval zelf overgegeven aan speculaties. Deze opvatting is dan ook door de gereformeerde traditie niet overgenomen, maar van de hand gewezen. En ook al mag men Luther niet van monofhysitisme beschuldigen — hij heeft zeer vele en goede dingen van Christus gezegd — toch ontkomen wij niet altijd aan de indruk dat hij licht daartoe overhelde.
Calvijn
Calvijn heeft zijn leer van de persoon van Christus in drie hoofdstukken in zijn 'Institutie' ontwikkeld. Dit is te vinden in boek II, de hoofdstukken 12-14. Het opschrift boven het eerste hoofdstuk luidt: 'Dat Christus, om het ambt van Middelaar te volbrengen, mens moest worden'. Direct valt ons een verschil met Luther op. De reformator uit Wittenberg ging uit van de eenheid van de God-menselijke persoon en leidde op grond daarvan diens ambt en werk af. Dat laatste kreeg bij Luther dan ook zeer grote nadruk. Calvijn daarentegen gaat uit van Christus' middelaarschap tussen God en mensen en laat ons zien dat Hij om dat te kunnen volbrengen, God en mens moet zijn. Om die reden gaat Calvijns belangstelling — veel meer dan die van Luther — uit naar de twee naturen van Christus, Zijn Godheid en Zijn mensheid. Speciaal richt hij de schijnwerper op de mensheid van Christus. Ook Luther deed dit zoals wij zagen, toch is beider belangstelling verschillend. Bij Calvijn is Christus meer dan alleen de gestalte waarin God te vinden is, ook in Zijn mensheid is Hij heilbrengend. Als mens is Christus voor ons gehoorzaam geweest. Als mens heeft Hij de straf die wij verdiend hebben op Golgotha betaald. Als mens is Hij voor ons gestorven en verhoogd. Luther deinsde er niet voor terug om te spreken van God die voor ons geleden heeft en gestorven is. Dat doet denken aan het theopaschitisme (God zou ook geleden hebben). Iets dergelijks zal men bij Calvijn niet lezen. Scherp onderscheidde Calvijn de beide naturen en onderstreepte daarmee het 'onvermengd en onveranderd' van de Chalcedonische belijdenis zonder daarmee het 'ongescheiden en ongedeeld' te kort te doen. Het moet gezegd worden dat Calvijns visie van dieper inzicht getuigde dan van Luther. In zijn 'Institutie' schrijft hij dat een ieder van de beide naturen van Christus geheel zijn identiteit (eigenheid) behoudt. Sommige dingen die van Christus in de Schrift gezegd worden moeten dan ook op z'n mensheid betrokken worden, terwijl andere uitdrukkelijk bij Zijn Godheid passen. Hoe Calvijn dit bedoelt wordt ons o.a. uit zijn commentaren duidelijk. Bij de storm op de zee (Mattheüs 8 : 23) merkt de reformator uit Geneve op dat Christus wel naar Zijn mensheid sliep, maar dat Zijn Godheid waakte. Een ander voorbeeld geeft Calvijn daarvan als hij spreekt over de gebedsstrijd van de Heere Jezus in Gethsémané. Hij geeft dan een aangrijpende tekening van Zijn menselijke aanvechting en angst. 'Zijn menselijke ziel had de haar eigen gemoedsaandoeningen, die onderscheiden waren van het geheime raadsbesluit van God'.
Uit het voorgaande kunnen wij opmaken dat Calvijn een strikte onderscheiding maakt tussen de beide naturen van Christus. Kan men bij Luther zeggen, dat de Godheid en de mensheid bijna — niet helemaal — samenvallen, dit verwijt kan men Calvijn niet doen. Een strikte onderscheiding heeft Calvijn steeds vastgehouden. Dat geldt ook voor de incarnatie (de vleeswording). Wel heeft de Zoon van God zich met de menselijke natuur verbonden, maar er vindt geen 'insluiting' of 'opsluiting' van de Godheid plaats. De Godheid is immers alomtegenwoordig en dat geldt voor Christus als mens niet. In Zijn mensheid kan Christus de Godheid niet omvatten. Het is wat ongelukkig uitgedrukt, maar er blijft om zo te zeggen een overschot aan Godheid. Deze gedachte wordt wel genoemd het 'Extra Calvinisticum'. Het is niet iets speciaals van Calvijn, want voor Calvijn waren er reeds theologen op deze gedachte gekomen. Wel is aan deze gedachte in de gereformeerde theologie altijd veel waarde gehecht. Dat blijkt o.a. uit de Heidelberger Catechismus in antwoord 48. Wij lezen daarin: 'Zijn Godheid kan door niets omsloten worden en is alomtegenwoordig: daaruit volgt, dat zij wel buiten de grenzen van de door haar aangenomen mensheid is, maar toch ook in haar en persoonlijk met haar verenigd blijft'.
Op grond van dit alles was Calvijns visie op het Heilig Avondmaal dan ook een geheel andere. Veel dieper dan Luther heeft hij het geheimenis doorgrond. Van de alomtegenwoordigheid van Christus naar diens mensheid wilde hij niets weten. Hij leerde, dat de gelovige met de lichamelijke mond brood en wijn eet en drinkt, doch met de geestelijke mond, d.i. in het geloof, het lichaam en bloed des Heeren. Het is de Heilige Geest die geestelijke gemeenschap geeft.
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft in artikel 18 nogal enige aandacht aan het ware mens-zijn van Jezus. Wij lezen daarin o.a.: 'Hij heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen en is de mensen gelijk geworden, waarachtiglijk aannemende een ware menselijke natuur, met alle zwakheden (uitgenomen de zonde), ontvangende zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des Heiligen Geestes, zonder mans toedoen'. Enerzijds kunnen wij hier nadruk leggen op 'een ware menselijke natuur'. Christus is evenals ieder mens uit een vrouw geboren. En deze vrouw, Maria, was zondares, zoals iedere andere vrouw. Christus is dus in Zijn mensheid niets menselijks vreemd geweest. Als het Woord is Hij vlees geworden, ons in alles gelijk. Hij heeft ons menselijk leven — dat onder het gericht ligt — aangenomen. Daartoe is Hij de weg van vernedering gegaan. In dit alles is Hij de waarborg van onze zaligheid.
Anderzijds kunnen wij ook de nadruk leggen op de woorden 'uitgenomen de zonde'. Christus is immers geboren uit de maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. De Heilige Geest heeft daarbij de vrucht in de schoot van Maria dermate geheiligd, dat Jezus als een zondeloos mens ter wereld kwam. Hij is ook zondeloos gebleven. Van belang is het volkomen vast te houden aan de maagdelijke geboorte, hoe diep en groot dit mysterie ook voor ons is.
Zonder Zelf zondaar te zijn geworden, droeg Christus het oordeel over de zonde. En Hij droeg het volkomen, omdat Hij volkomen mens is geworden.
Ik besluit dit artikel met een citaat van ds. W. L. Tukker uit 'Geloof en Verwachting' (blz. 87/88). Hij schrijft: 'Naar lichaam en ziel is Hij waar mens geworden, opdat Hij de mens naar het lichaam verlossen zou, dat aan de dood onderworpen was en ook naar de ziel, die zowel als het lichaam met een geestelijke dood getroffen was, zodat Hij een volkomen Zaligmaker zou kunnen zijn voor ziel en lichaam beide.
Wij verzetten ons dus met klem tegen al degenen, die loochenen, dat Christus menselijk vlees van Zijn moeder aangenomen heeft. Wij moeten ernstig de wacht betrekken bij deze twee geloofsartikelen: a. ontvangen van de Heilige Geest; b. geboren uit de maagd Maria.'
Een volgend keer willen wij bezien, hoe de dopersen met het 'ware mens-zijn' grote moeite hadden en sommigen in onze tijd bezwaren hebben tegen het 'waarachtig God-zijn' van de mens Jezus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's