'Heere, verlos mij om uwer goedertierenheid wil'
Psalm 6 : 5
Psalm 6 is uit de diepte geboren. De nood en de schuld hebben het bestaan van de dichter overspoeld waardoor hij dreigt ten onder te gaan, onder Gods toornende en straffende hand. Maar er is om deze duisternis een lichtrand, nee, een lichtbundel, die alles anders maakt. Dat komt duidelijk naar voren in de tweede helft van de psalm. Maar ook in het eerste deel treedt dit al voor de dag. Wij moeten dan letten op het veelvuldig noemen van de naam Heere. De naam staat er in hoofdletters: Jahwe dus, Gods verbondsnaam. De naam waarin Hij zijn liefde, trouw en ontferming heeft geopenbaard.
Zo komt er een grote spanning in deze boetepsalm. Enerzijds is er de straf, zelfs de toorn en grimmigheid van God. Maar anderzijds is het: Heere, God van het verbond. God van ontferming en vergeving... En... de naam Heere staat zelfs voorop! We moeten opnieuw aan de berijming van Psalm 6 denken. Zij begint ook met: O Heer, gij zijt weldadig! Inderdaad, zo is het. Zo begint de dichter ook, voordat hij het heeft over de straf en de toorn, heeft hij het eerst over de Naam: Heere, Jahwe, God, die genade kent, die weet van vergeving en vernieuwing. Straf mij dan maar, maar niet in uw toorn.
Zij lijken elkaar uit te sluiten: de straf en de liefde van God. Toch brengt dit juist de bijbelse spanning in dit lied. Hieruit blijkt, dat er een kind van God aan het woord is. Niet een vreemde, niet iemand, die God niet kent. Die zou nooit zo kunnen spreken. Want hij kent het geheim niet, dat de straffende God tegelijk de God van ontferming is, de trouwe Verbondsgod.
De dichter kent dit geheim wel. Daarom loopt hij niet weg, als de Heere hem straft, maar hij loopt Hem juist aan. Zo komt deze psalm te staan in het kader van het christelijke leven der dankbaarheid. Zei Kohlbrugge het niet, dat de hond het dankbaarste schepsel is, omdat hij, als zijn baas hem slaat, niet van hem vandaan loopt maar juist naar hem toe kruipt. Gods kind, als hij door zijn God geslagen wordt, loopt niet van God vandaan, maar loopt Hem juist aan, kruipt naar hem toe, dichter dan ooit. En zegt dan: En toch bent U, mijn Heere, mijn Verbondsgod, God die zich over mij zal ontfermen. Dat weet ik, dat blijf ik geloven, daarop blijf ik hopen, en ik blijf U erop aanspreken: O Heere, straf mij, maar niet in uw toorn. Kastijd mij... Ja inderdaad. Zoals een vader kastijdt, en Hij kastijdt alleen zijn eigen kind, dat hij liefheeft. Daarom: kastijd mij, maar niet in uw grimmigheid.
Door alles heen blijft het dus toch: Heere. En daarin blijft de zekerheid, dat de dichter die Heere toebehoort, dat hij kind is van deze straffende, kastijdende en toch liefhebbende Vader. Daarom komt die naam Heere telkens in de psalm terug. In vs. 2 maar ook weer in vs. 3: Wees mij genadig. Heere, genees mij Heere. En opnieuw in vs. 4: En Gij, Heere, hoe lang? Ook weer in vs. 5: Keer weer Heere. Het lijkt wel alsof de dichter met opzet de Heere telkens bij deze naam noemt. Hij wil Hem er voortdurend aan herinneren, dat Hij toch de Heere is, zijn Heere. Waarom hij dat doet, wordt ons duidelijk in het 5e vers, wanneer hij zegt: Verlos mij om uwer goedertierenheid. Hier komt het eigenlijke motief duidelijk naar voren. Het is, opdat de dichter op grond van de Naam kan vragen om zijn verlossing. Want de naam Heere laat zien, dat hij goedertieren is. Goedertierenheid. Het woord komt talloze malen voor in de psalmen. Het betekent: God is getrouw. Hij is goed en genadig. En dat alles op grond van zijn verbond. De Heere heeft zijn verbond gesloten. Daar is het Oude Testament vol van. En dit verbond houdt in, dat de Heere belooft: Ik ben uw Heere, Ik zal in alle nood voorzien. Ik vergeef uw zonden. Ik zal u getrouw leiden. Dat beloof Ik, dat zal Ik doen. Daar geef Ik Mijn Naam op: Heere. En u kunt mij er altijd op aanspreken.
Inderdaad. Daar maakt deze dichter nu gebruik van. Enerzijds belijdt hij, dat hij verdiend heeft om gestraft te worden. Want hij is zelf ontrouw geweest. Zelf heeft hij dit verbond verbroken, menigmaal. Maar al is dit waar, daartegenover blijft de Heere trouw aan zijn verbond. Hij verbreekt zijn verbond nooit. Daar staat zijn Naam borg voor. Daarom roept de dichter deze Naam aan, voortdurend. Hij belijdt: Heere, ik ben wel een verbondsbreker, maar U toch niet? Dat kunt u niet maken. Want U bent toch de Heere. U blijft toch getrouw, ondanks onze ontrouw. Daarom pleit ik op uw Naam. Ik hoop op uw Naam, ik spreek U aan op uw Naam: Heere, verlos mij om uwer goedertierenheid. Zo is de Heere een God, op wie verbondsbrekers mogen hopen. Zou dat ook iets voor u kunnen zijn? Hij heeft toch ook met u zijn verbond gesloten en verzegeld. Zijn volle, drieënige Verbondsnaam heeft Hij ook over u uitgesproken. U zegt: ja maar ik heb dit verbond zo vele malen verbroken. Dat zal waar zijn. Maar dat neemt niet weg, dat de weg naar deze Heere ook voor u nog steeds openligt. Ga naar Hem toe, en spreek Hem aan op zijn Naam: Heere. Herhaal die Naam, voortdurend. Leg al uw schuld voor Hem bloot, maar bid ook: Verlos mij Heere om uw goedertierenheid.
Het blijft een wonder, dat het zo is. En vraagt u naar de diepste verklaring ervan, dan wijs ik u op dat woord 'verlossen', dat de dichter in zijn mond neemt. Als ik dat in het Hebreeuws zou uitspreken, en u zou de oren spitsen, dan zou u er een bekende klank in horen. Dat is de liefelijke klank van de naam van Jezus. Hij is het toch, die zijn volk zal verlossen, zal zaligmaken van zijn zonde. Hier ligt ook de op-lossing van de paradoxale spanning in deze psalm. Schuld, straf en toorn, en toch een God van liefde en genade, een Heere vol van goedertierenheid. Hoe is dat te verklaren?
De Naam verklaart het: Heere. En nog duidelijker de naam van Jezus. Ze wordt in de psalm al voor-gespeld. Want op Jezus is de volle straf gevallen, en toen niet zonder de toorn, maar met de volle zwaarte van Gods rechtvaardige en grimmige toorn. Jezus is verlaten geworden, tot in de helse benauwdheid toe. En dat door zijn eigen Vader. Daarom was het voor hem werkelijk niet uit te houden. Hij is er echt aan ten onder gegaan: De dood en het graf in. En omdat Hij dit deed, in onze plaats, in de plaats ook van de dichter van Psalm 6, daarom is er voor hem en voor ons verlossing en vergeving bij God te vinden.
Dat dit een werkelijke verlossing is, blijkt uit het laatste deel van de psalm, als de dichter uitroept: Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid. Want de Heere... Kijk, hier komt die Naam nog weer terug. Want de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord. De Heere heeft mijn smeking gehoord. De Heere zal mijn gebed aannemen. Weer drie keer die naam Heere. In de eerste helft van de psalm werd die Naam door de dichter aangeroepen om erop te pleiten. In de tweede helft om die Naam te prijzen en te bevestigen, dat de Heere werkelijk zijn Naam eer aandoet. Wat zouden wij elkaar anders kunnen toewensen, dan dat ook wij de Naam zo mogen kennen en aanroepen. Als een Toevlucht in onze nood en schuld, en als het voorwerp van onze aanbidding en lofprijzing.
De HEER wild' op mijn kermen,
Zich over mij ontfermen;
Hij heeft mijn stem verhoord.
De HEER zal op mijn smeken.
Geen hulp mij doen ontbreken;
Hij houdt getrouw Zijn Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's