De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het nut van het  mens-zijn van Jezus! (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het nut van het mens-zijn van Jezus! (3)

10 minuten leestijd

Een vorig keer schreef ik iets over de worsteling van de kerk der eeuwen inzake het 'vere deus' en 'vere homo'. 

Een vorig keer schreef ik iets over de worsteling van de kerk der eeuwen inzake het 'vere deus' en 'vere homo'. Met een geweldige geloofs- en krachtsinspanning heeft het concilie van Chalcedon hierover een aantal uitspraken gedaan zonder het geheimenis aan te tasten. In een gesprek met een oudere collega vergeleek hij deze uitspraken met tonnen die een vaargeul markeren. Wanneer een schip buiten deze tonnen vaart — dus niet meer in de vaargeul blijft — loopt het vast. Zo zou men inderdaad van Chalcedon kunnen spreken, dat door haar geloofsuitspraken de vaargeul is aangegeven en dat het schip der kerk binnen de markering van die tonnen moet blijven, want anders loopt ook dit schip vast. Dat dit is gebeurd en nog gebeurt wil ik in dit artikel proberen aan te tonen.

De wederdopers

Om iets van de beweging der wederdopers of dopersen te verstaan, moet ik eerst een stukje kerkgeschiedenis opfrissen. In de jaren tussen 1520 en 1530, terwijl het Lutheranisme zich snel uitbreidde en ook Zwingli grote invloed kreg, was er nog een derde beweging, die veel aanhang kreeg. Het was de beweging der Dopers, ook wel Dopersen, Wederdopers (Anabaptisten) of Doopsgezinden genoemd. Hun gedachten hingen samen met de dwepers, die in Wittenberg en later vooral in de boerenopstand een grote rol speelden. De dwepers maakten de mens onder de wet weer tot het middelpunt van de religie. En hoewel men de Dopersen niet mag vereenzelvigen met de dwepers, vinden wij bij hen toch veel van laatstgenoemden terug. Vooral werden zij beheerst door een wettische heiliging. Zij wilden een 'gemeente zonder vlek of rimpel' vormen. De heiliging was in hun ogen echter niet een gave van Christus, maar de taak van de gelovige mens. Hoe meer men zich inspande, des te heiliger werd men. De heiligmaking vindt — naar hun zeggen — plaats wanneer de gelovige zich richt naar de goddelijke geboden, inzonderheid naar de zedelijkheid van de bergrede, die als een wettisch stel regels werd opgevat. Vanzelf konden de gelovigen, die daaraan beantwoordden, slechts een kleine groep zijn in die boze wereld. Om die reden verwierpen de Dopersen de staats- en volkskerk, of die nu rooms of hervormd was. Daarom verwierpen ze ook de kinderdoop, die uitdrukt dat Gods genade aan het geloof voorafgaat. De volwassendoop waarin het geloof aan de genade voorafgaat was het één en al. Opvallend dat in onze tijd eigenlijk hetzelfde is waar te nemen bij allerlei vrije groepen en secten. De Dopersen wilden stille, van de wereld afgekeerde gemeenschappen van geheiligden vormen. Tot hun eer moet gezegd worden, dat zij alle onrecht van de overheid hen aangedaan geduldig en lijdelijk hebben verdragen. Streng was trouwens ook de tucht binnen eigen kring. Door strenge tuchtmaatregelen probeerden zij verwereldlijking tegen te gaan. Het streven was loffelijk, maar het middel verkeerd. De oorzaak daarvan was dat men in de mens zelf alle heiligheid zocht. In ons mensen is echter geen heiligheid, doch alleen in Christus.

Inzake nu het ware mens-zijn van Jezus hebben zij wonderlijke denkbeelden gehad. Gesteld mag worden, dat zij aan het ware mens-zijn van Jezus tekort hebben gedaan. Zij beweerden, dat Jezus niet het vlees en bloed van Maria heeft aangenomen. Maria zou veeleer als een sluis gefungeerd hebben om een soort hemelse Christus op aarde neer te laten. Jezus vertoefde in haar schoot 'als een gast in een herberg'. Sommigen drukten zich nog krachtiger uit door te stellen, dat Christus zich in de moederschoot als 'helder stromend water in een vuile goot' bevond. Dat alles is toch wel heel kras uitgedrukt. Hoe kwamen de Dopersen eigenlijk op die gedachten? Wel, dit alles houdt verband met hun onderwaardering van het lichaam. Het lichaam had voor hen weinig of geen waarde. Blijkbaar hebben zij niet ingezien of niet in willen zien, dat de Schrift daarover toch heel anders spreekt. Ofschoon wij in genen delen het lichaam dienen te overwaarderen — wat ook wel gebeurt — mag men toch niet in een andere uiterste vervallen nl. onderwaardering. Het is maar niet iets als er van ons lichaam wordt gezegd dat het een tempel van de Heilige Geest is. Maar afgezien daarvan, vinden wij nergens in de Schrift een onderwaardering van het lichaam. Hoe zou het ook kunnen, daar God de Heere ons het hchaam heeft gegeven. Als het bovendien werkelijk waar zou zijn dat Maria meer als een sluis gefungeerd heeft om een soort hemelse Christus op aarde neer te laten, dan zou Christus' mens-zijn niet meer gelijk zijn aan het onze. Heel de verlossing van ons zondig mens-zijn komt op losse schroeven te staan. Dat is echter onjuist! Gods Zoon werd mens. Hij heeft alles van ons mens-zijn overgedaan. Hij was zondeloos mens en om die reden kunnen wij er zeker van zijn, dat Hij op Golgotha niet om Zijn eigen zonden werd gestraft, maar voor de zonden van allen die door de Vader aan Hem gegeven zijn. Tegelijk is Hij God gebleven d.w.z. dat Hij de kracht bezat om heel het verlossingswerk volkomen te volbrengen. Al het heil, heel de zaligheid ligt verankerd in Hem, Die tegelijk God en mens was én is. Wanneer ik dat wonder vatten wil, staat mijn verstand eerbiedig stil...

Welke natuur van Adam?

Uit alles wat tot nu toe geschreven is zal duidelijk zijn, dat wij alleen in Christus God zelf ontmoeten. Door het geloof wordt Christus omhelsd en ontmoet men de Zaligmaker, die in volstrekte solidariteit met alle menselijke zonde en nood het werk van de verzoening en verlossing heeft volbracht. Om ons van de eeuwige straf te verlossen, moet Hij én God én mens zijn, waarachtig God en waarachtig mens.

Nu is de vraag aan ons: elke menselijke natuur heeft het eeuwige Woord nu in de vleeswording aagenomen? Toegespitst: was het de menselijke natuur van Adam vóór de val of van Adam na de val? Deze vraag is bepaald geen dogmatische (leerstellige) spitsvondigheid. Geen theoretische of academische vraag waarover men wat kan filosoferen, maar waarmee men verder weinig kan doen. Wanneer men op deze vraag een antwoord heeft valt er een beslissing van enorme draagwijdte. Geeft men immers als antwoord hierop, dat de Zoon van God, het eeuwige Woord, de menselijke natuur van Adam vóór de val aannam, dus de ongeschonden menselijke natuur, dan impliceert dit dat Christus voor ons wordt tot een hoog ideaal, dat ver boven ons, gevallen en zondige mensen oprijst... een ideaal — zoals Van Niftrik zegt — van menselijkheid, van ongeschonden en zuivere menselijkheid. Maar dan wel een ideaal dat ons alleen maar kan veroordelen. Het houdt intussen wel in, dat de eigenlijke troost van het Evangelie dat Christus werkelijk naast mij staat en bij mij is in mijn ellende hier maar moeilijk tot z'n recht komt. Op deze wijze is Christus toch niet meer onzer één. Hij staat niet meer vlak naast ons. Om het eigentijds te zeggen: Hij is in het vlees niet meer solidair met ons. Ik meen derhalve dat de Schrift een ander antwoord geeft. Om een paar voorbeelden te noemen in Filippensen 2 : 7 lezen wij van Christus 'Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden'. Verder zegt de apostel Paulus in Romeinen 8:3: 'Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkenis des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees'. En om een laatste voorbeeld aan te halen, hoe diep Christus in ons zondige vlees is neergedaald, citeer ik He­ breeën 2 : 18: 'Want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden te hulp komen'. Al deze uitspraken uit de Schrift beletten ons de menswording te verfraaien en te maken tot een ideale menswording, een soort heros-wording (helden-wording) van God in het vlees. Het is niet te zeggen, hoe dichtbij de Zoon van God in het vlees ons is gekomen. In alle nood is Hij voor Zijn kinderen waarlijk hun Broeder!

De troost van het Evangelie is daarom, dat in de menswording Christus de menselijke natuur van na de val heeft aangenomen. Vooral H. F. Kohlbrugge heeft de troost hiervan gekend. Uit zijn nagelaten preken is ons bekend dat hij Christus zo diep mogelijk in het door de zonde beheerste vlees trok. Zijn geschrift over het geslachtsregister van Jezus in Mattheus 1 legt daarvan o.a. getuigenis af. Ook Luther heeft daarop steeds gewezen.

Ten onrechte heeft men Luther, maar méér nog Kohlbrugge verweten, dat zij door Christus zo diep in het zondige vlees te trekken de zondeloosheid van Christus loochenden. Voluit heeft echter zowel de één als de ander vastgehouden aan het feit dat Christus zonder zonde was. Hij was zondeloos, omdat Hij voortdurend eenswillend was met de Vader. Laten wij ons daaraan maar houden.

Ook dienen wij in dit verband op te passen voor het zgn. neo-calvinisme. Het neo-calvinisme vertoont een sterke neiging om Christus te proclameren tot de Koningsmens. In zijn mens-zijn is Hij niet solidair met ons, maar staat ver én hoog boven ons. De daarmee overeenkomstige ethiek roept dan ook de gelovigen op zich als Koningsmensen te gedragen. Mensen worden verheven tot krachtpatsers en aangezet tot een ongebreideld activisme. Van 'het heilig luieren' (Van Ruler) voor Gods aangezicht is geen sprake meer. Men is altijd maar bezig en leeft vanuit een geweldig cultuur-optimisme. De bedelaarsgestalte is ver te zoeken en eigenlijke troost uit het mens-zijn van Christus ondervindt men niet.

Laten wij maar dankbaar zijn, dat het in het Evangelie alles minder geweldig is en daarom troostrijker Christus, de Zaligmaker is als Broeder onder arme zondaren komen wonen. Men kan niet zo diep gevallen zijn of Christus is nog dieper gevallen. Hij is zelfs in de angsten der hel afgedaald om onze angst(en) weg te nemen.

De zwakke natuur

Ofschoon in het bovenstaande reeds iets gezegd is over de menselijke natuur van Christus willen wij er toch nog iets dieper op ingaan, beter gezegd: van een andere kant bezien. Het is nl. nog niet zo gemakkelijk de vraag te beantwoorden, wat wij bedoelen, als wij spreken van de zwakke, ongave natuur, welke Christus aannam. Immers behoefte aan voedsel, drank, rust etc. kende Adam ook. En aan de andere kant was Christus niet zonder Zijn wil aan de dood onderworpen, zoals Hij uitdrukkelijk zegt in Johannes 10 : 18: 'Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen'. Het veiligst nu gaan wij als wij stellen, dat door de val het lichaam van de mens in fysieke zin is verzwakt en dat Christus zo'n verzwakte menselijke natuur heeft aangenomen. En ook al kon de Heere Jezus niet sterven zonder Zijn wil. Hij nam wel een natuur aan, die vatbaar was voor lijden en sterven.

Voorts moeten wij ons maar niet druk maken over de vraag of het lichaam van Jezus schoon óf lelijk was. Wat heeft dat voor zin? De één zegt dit, de ander dat ervan. Chrysostomus en Hieronymus doen een beroep op Psalm 45 : 3 en geven als hun oordeel: schoon. Tertullianus daarentegen houdt het op 'lelijk'. Hij grondt dat op teksten uit Jesaja 53. Laten wij het maar houden op: géén oordeel. De door de kerkvaders aangehaalde teksten uit het Oude Testament kunnen ook anders geëxegetiseerd worden. Voor ons onderwerp is het trouwens niet van belang.

Wel wil ik opmerken, dat het gemoedsleven van Christus rijker ontwikkeld was dan dat van Adam in de staat der rechtheid. Want in het paradijs was er geen aanleiding tot droefheid, ontferming, toorn etc.

De Zoon van God is volkomen mens geworden d.w.z. een mens die zowel een lichaam als een ziel had. Wat is dat bemoedigend en vertroostend, want nu kon Hij voor ons, die met lichaam en ziel zondigen, de volle straf dragen en Borg zijn. Hij is vlees van ons vlees en been van ons gebeente. Dat heeft ons nog veel te zeggen, doch daarover een volgend keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het nut van het  mens-zijn van Jezus! (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's