De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Iemand stuurde mij toe een afschrift van een artikel in Sibbe, maandblad van het Nederlandsch Verbond voor genealogie (geslachtenkunde), eerste jaargang 1941, over 'Het voorgeslacht van dr. Abraham Kuyper, met daarbij een passage uit Kuypers 'Ons Program', waarin hij over de geslachten spreekt. Hier volgt het begin:

• '"De man der kleine luyden''. Dit is wel bij uitstek het beeld, wat voor ons oprijst, als wij het weinige, wat in de huidige omstandigheden over het voorgeslacht van een van Neerland's grootste zonen der 19e eeuw vastgesteld kon worden, beschouwen. Eerst thans verstaan wij recht, hoe deze man, de groote bespeler van het klavier der volksconsciëntie, gelijk hij zich zelf noemde, is kunnen worden. Kuyper begreep het volk, waaronder wij thans voornamelijk de kleine burgerij zijner dagen verstaan, zoo volkomen, wijl hij uit hen stamde, en in zijn bloed het hunne voortleefde.

En als tweede uiterst merkwaardig verschijnsel stellen wij vast, dat deze man, die voor het Nederlandsche staatkundig en maatschappelijk leven van zoo groote betekenis geweest is, sibbekundig bezien, slechts zéér weinig Nederlander was. Men heeft den grijzen staatsman vaak verweten, dat hij zich aangetrokken voelde tot onze Oosterburen, maar als wij dezen fragment-kwartierstaat bezien, vragen wij ons af: Hoe kon het anders? Want, om met Goethe te spreken, "Blut ist ein ganz besonderer Saft", en daaraan onttrekt zich niet ieder, die het wil. Wanneer wij thans de onderdeelen van den kwartierstaat gaan beschouwen, is het eerste wat ons opvalt, dat dit geslacht, met zijn doodnuchteren, oer-Hollandschen naam, bij de geboorte van zijn grootsten spruit, nog geen 100 jaar in ons land gevestigd was. Nu bestaan er twee mogelijkheden: óf Dirk Kuyper, de ons tot op heden oudst bekende naamdrager, was een Hollander, die uit een schippersgezin stammend, tijdens een reis te Libau geboren is, dan wel hij was een Let, die, met zijn schip naar Amsterdam gekomen zijnde, daar is blijven hangen en zijn naam ontleende aan zijn handwerk, waar zijn Letsche naam voor zijn naaste omgeving moeilijk uit te spreken was. De laatste stelling lijkt schrijver dezes het meest waarschijnlijk, daar de vaart op Libau hem in de eerste plaats te ver schijnt, dan dat de schipper zijn gezin daarop zou medenemen, terwijl van een schipper, die dergelijke uitgebreide tochten maakte en dus belangrijke transacties afsloot, verwacht mag worden, dat hij zijn naam kon schrijven, wat blijkens de ondertrouwacte met den overgrootvader van een van Neerland 's beste journalisten, niet het geval geweest is.

Dat het hier om het Letlandsche Libau en niet om de gelijknamige plaatsen in Silezië handelt, ligt voor de hand. Een Silezisch bergbewoner zal niet zoo licht als varensman in Amsterdam komen, wat voor een Oostzeevaarder vrij normaal is, ook al had de Oostzeevaart in het begin der 18e eeuw niet meer die groote beteekenis voor den Amsterdamschen handel, welke zij in de Middeleeuwen bezat. Volgens een in de familie Kuyper voortlevende traditie zou de stamvader als walvischvaarder hier te lande gekomen zijn, wat zeker niet geheel uitgesloten geacht mag worden, al konden we er geen enkel bewijs voor vinden.

Het is o.i. echter evenmin onmogelijk, dat Dirk met een houtschip naar Amsterdam is gekomen. Libau toch was één van de groote houtleveranciers voor het Noordsch Venetië, dat, met zijn welhaast ontelbare schepen, altijd masthout kon gebruiken. Vermoedelijk is hij op deze wijze in relatie gekomen met den jongen witwerker Hendrik Casperszoon van Dort, na wiens overlijden hij de vriendschap met diens 26-jarige weduwe heeft aangehouden. Waarschijnlijk wilde de weduwe de zaak voortzetten en had daarom een man in haar bedrijf noodig, die de transacties met de Letlandsche houtleveranciers kon leiden. Zij zal Dirk voorgesteld hebben zijn land en beroep op te geven, en met haar de zaak te voeren. En waar geschreven staat: "Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen", was de uitkomst niet twijfelachtig. Op den 25-10-1739 (acte 1) werd het huwelijk in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (hetzelfde gebouw, dat later zulk een groote rol in Dr. Kuyper's loopbaan zou spelen!) voltrokken en een halfjaar later verzoekt Dirk om het poorterrecht der goede stad Amsterdam, een bewijs, dat hij zich definitief aan den wal wilde vestigen, want zonder dat poorterrecht kon hij de witwerkersaffaire vermoedelijk niet uitoefenen. Hij verkreeg dit recht dan ook, als gehuwd zijnde met de weduwe van een poorter. (...).

• '"En zoo nu ook zijn het in de eene natie wel altijd andere personen, andere individuen..., maar niettemin blijft het aldoor toch éénzelfde geslachtengroep; steeds éénzelfde verband en aaneenschakeling van familiën; hoe verjongd ook, toch altijd hetzelfde oude bloed, dat, van Vader op Zoon overgevloeid, als door een nooit afgebroken bedding tot aan onze aderen is toegekomen; en in al de individueele geesten, wier zielskracht in dat bloed getinteld heeft of nog tintelt bijeen, blijft het toch ten slotte de eene geest der natie, die, nooit stervend maar van geslacht op geslacht overglijdend, voor tien en acht en voor een drietal eeuwen geleefd, gejubeld heeft in onze vaderen, én nog glijdt, leeft en klaagt, instee van te jubelen, in ons."

Ons Program, Tweede druk, pag. 433.'

***

Tevens werd mij toegezonden een 'korte schets uit het leven van Pieternella Baltus of de geestelijke moeder van dr. A. Kuyper', geschreven door 'een vriend' (Leerdam, 1914). Daaruit de volgende passage:

'Ze vertelde mij dat ze zeer onvoldaan was over de dorre bediening des Woords, en nadat haar ouders gestorven waren en ze met haar twee broers samen woonde, werd ze van alle kanten lastig gevallen door verschillende personen, die haar gangen bespiedden. Immers de Heere had een reine keuze in haar ziel weggelegd om God naar zijn Woord te dienen. Toen dan ook dr. A. Kuyper in de gemeente kwam en daar zijn ambt aanving en de ronde door de gemeente deed, want, het moet tot schaamte van vele predikanten gezegd worden, zijn ijver voor de zaak van God was groot, kwam hij ook bij P. Baltus in de buurt. Een buurvrouw verteld haar: "Pietje", want zoo werd ze algemeen genoemd, "de dominé is in de buurt en zal wel gauw bij u komen".

Toen zei Pietje: "Ik heb niets met hem te maken", want ze had gehoord, dat ds. Kuyper's leer evenals die van zijn voorgangers was. Doch nauwelijks heeft ze de woorden geuit of ze wordt er krachtig bij bepaald, dat ook ds. Kuyper een ziel meedraagt voor de eeuwigheid. Toen hij dan ook bij haar binnentrad, was de afkeer voor hem verbroken en werd hij door haar met liefde ontvangen. Haar werd twee uren gegund, waarin zij dan ook kon vertellen over de Hope die in haar was, en dat de Ds. daar ook een deelgenoot van moest worden, wilde hij niet eeuwig verloren gaan. De Heere gaf Pietje zulk een medelijden voor hem in haar ziel, dat zij den Heere als een waterstroom mocht aanloopen. Ze vertelde me: "Ik kon hem niet loslaten, voordat de Heere hem van mijn ziel kwam over te nemen en zij de vreugde mocht genieten dat de Heere hem voor Zijn rekening genomen had".

Zij mocht dan ook in Beesd nog de vreugde smaken hem te zien veranderen. De Heere had zijn hart vatbaar gemaakt voor het Woord des levens. Hij riep een ieder om op te gaan naar Gods huis. (...)'

'(...) zoo verhaalde ze me, dat zij op zekeren keer zoo in geestesoverspanning was, dat zij, toen ze haar beste mestvarken zou voeren, ze — had altijd de gewoonte om spelden en naalden in een kopje te bewaren — dat kopje met spelden en naalden in het varkenseten gegooid had. Toen het varken dat eten op had kwam ze tot de onaangename ontdekking dat het varken niet alleen het eten, doch ook de spelden en naalden verorberd had. Nu greep haar een onbeschrijfelijken angst aan, want zij dacht niet anders of het dier zou sterven, en zij had alles aan hem ten koste gelegd, van haar klein loon van f 10, — in de week. Zij werd zoo onrustig, dat zij den Heere op zijn almacht kwam te wijzen en zij smeekte Hem, haar om haar onbedachtzaamheid niet te straffen en haar zulk een schadepost te veroorzaken. Ze had er den ganschen nacht niet van kunnen slapen en 's morgens heel vroeg was zij bezig de mest met een stokje te doorzoeken. Tot haar groote verbazing had de Heere het varken goed gezond gelaten en vond ze de spelden en naalden zeer zorgvuldig in de mest verborgen terug. Toen werden de woorden: "Op Uw noodgeschrei deed ik groote wonderen" (...)'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's