De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het nut van het mens-zijn van Jezus (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het nut van het mens-zijn van Jezus (4)

11 minuten leestijd

De gemeenschappelijke vergadering van de beide generale synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken heeft - zoals wij in de dagbladen en de kerkelijke periodieken hebben kunnen lezen - een zevental kerkordelijke voorstellen aangenomen, die opgesteld waren door de Raad van deputaten 'Samen op Weg'. Nu valt het buiten het kader van ons onderwerp alle zeven voorstellen door te nemen. Toch leg ik de vinger een ogenblik bij het derde voorstel dat aangenomen is. In het derde voorstel worden concrete richtlijnen gegeven voor samenwerking tussen een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk. De daarin (sinds 1979) opgenomen preambule (uitvoerige inleiding) ten aanzien van het theologisch fundament van Samen op Weg leverde op de combisynode een korte discussie op! Dr. C. A. Tukker vond deze passage 'veel te mager'. In de zinsnede 'het samenstemmen in het geloof in Jezus Christus onze Heere' miste hij een verwijzing naar de triniteit en de twee-naturenleer. Ook zouden de belijdenisgeschriften nadrukkelijker vermeld moeten worden, dat wil zeggen in verbinding met de katholieke (algemene) kerk en de reformatorische tak daarvan.

Prof. dr. H. B. Weijland (geref. adviseur) zei hierop dat verandering van de preambule een langdurig verhaal zal zijn, waar heel wat argumenten voor aangedragen zouden moeten worden. Nodig werd geacht eerst de beslissing van de najaarssynode over de Verklaring van overeenstemming af te wachten, terwijl de Kernen van belijden later op de positie van de belijdenisgeschriften zou moeten ingaan. De vragen en opmerkingen van dr. C. A. Tukker zijn dus niet van de tafel geveegd, maar wel vooruitgeschoven. Intussen is het wel te hopen, dat zowel zijn vragen als zijn opmerkingen ter harte zullen worden genomen. Dat geldt niet alleen voor de klassiek gereformeerde belijdenisgeschriften, maar ook voor de twee-naturenleer zoals deze door de kerk in Chalcedon is vastgesteld.

In de vorige artikelen hebben wij nogal de nadruk gelegd op het 'vere homo' (waarachtig mens-zijn) van Christus, maar er zou ook een aantal artikelen gewijd kunnen worden aan het 'vere Deus' (waarachtig God-zijn) van Christus. Inzake dit laatste zijn er een aantal theologische ontwikkehngen in onze tijd gaande, die ons niet geheel geruststellen.

Andere visies

Hoewel dr. H. Berkhof in z'n 'Christelijk Geloof' Chalcedon niet wil loslaten, heeft hij er toch wel ernstige kritiek op. Hij houdt eraan vast dat Jezus mens is: niets wordt in het Nieuwe Testament over Hem verkondigd 'dat onmenselijk of buiten-menselijk zou zijn'. Maar in Zijn menselijkheid gaat Hij ook het gewoon 'empirisch-menselijke te boven'. Sinds de eerste druk van zijn geloofsleer heeft Berkhof de nadruk gelegd op dit meer-dan-gewoon-menselijke en getracht dit onder woorden te brengen. Hij blijft ontkennen dat Jezus mens en God zou zijn: 'Hij is geen dubbelwezen'. Toch zijn (4) alle 'eenheids woorden' niet toereikend. Jezus' menselijke Ik is 'volkomen en uit vrije wil doordrongen van het Ik van God' en 'deze vervulde verbondsverhouding betekent een nieuwe vereniging van God en mens'. Weliswaar mag men deze vereniging niet statisch opvatten. Volgens de emeritus hoogleraar uit Leiden begint Jezus als timmermanszoon. In de loop van Zijn leven wordt door aanvechting heen Zijn verbondenheid met God hoe langer, hoe hechter, totdat Hij tenslotte 'volledig deel neemt aan het leven van de Vader'. De exclusieve sfeer van God gaat in Jezus op één mens over. Om deze reden kan Berkhof ook spreken van de 'verdieping' die het mens-zijn in Jezus ontvangen heeft en van een toenemende vergoddelijking. Uit een interview uit 1981 blijkt dat hij bereid is Jezus als God te beschouwen. Hiervan heeft hij gezegd: 'Hij (Jezus) is zo in de gemeenschap met God betrokken dat Hij God mag worden genoemd, zeker na Zijn 'verhoging'. Wellicht is het te kras uitgedrukt, doch in de verhoging van Jezus zit dan eigenlijk 'een sprong'. Dan pas bij zijn verhoging komt het 'vere Deus' tot uiting. Chalcedon beleed echter het 'vere Deus et vere homo' (waarachtig God en waarachtig mens) reeds bij de incarnatie (vleeswording). Ook is het niet goed duidelijk, hoe de belijdenis van de prae-existentie van Christus in de conceptie van Berkhof een plaats krijgt. Met alle achting voor de grote inspanning waarmee Berkhof zich ingezet heeft om dit alles te verduidelijken, denk ik dat hij aan Chalcedon toch een andere wending heeft gegeven dan bedoeld is en ook in de gereformeerde belijdenisgeschriften van onze kerk naar voren wordt gebracht. Hiermee wil ik niet ontkennen, dat hij heel mooie dingen heeft geschreven over het 'vere homo' van Jezus, maar dat neemt het tekort aan het 'vere Deus' niet weg.

Van het één komt vaak het ander! Doorbordurend op de conceptie van Berkhof gaat mevrouw E. Flesseman van Leer in 'Wie toch is Jezus van Nazareth? ' (uitgave Boekencentrum, 1985) nog iets verder. Zij weigert aan Jezus prae-existentie toe te kennen in de zin dat Hij als God reeds voor Zijn aardse leven zou hebben bestaan. Jezus van Nazareth is voor haar de ideale Verbondspartner. Hij doorloopt een ontwikkeling en wordt uiteindelijk door God verhoogd. In haar boeiend en meeslepend geschreven opstel komt zij er toe om het 'God en mens' te laten vallen en in plaats daarvan te spreken over Gods tegenwoordigheid in Jezus. Zij spreekt dus niet over Jezus als de Zoon van God. Chalcedon heeft voor haar vrijwel geen betekenis. Men kan zich afvragen welke betekenis voor haar dan nog de oecumenische belijdenissen hebben. Maar dat terzijde! In haar - zoals ik reeds schreef - lezenswaardig opstel, doet zij ook een bedekte aanval op Luther en Calvijn inzake hun opvatting over Chalcedon.

Terecht schrijft dr. W. Balke in het hierboven aangehaalde boekje, dat men Luther en Calvijn zal moeten toegeven dat zij zich geheel aan Chalcedon hebben gehouden en dat men deze twee reformatoren zeker niet tegen elkaar mag uitspelen ook al hebben zij Chalcedon een ieder op zijn eigen manier proberen te verantwoorden. Er zijn inderdaad verschillen tussen Luther en Calvijn. In een vorig artikel wees ik hier reeds op, maar deze verschillen betreffen zijdelings de christologie, veeleer de pneumatologie (de leer van de Heilige Geest, nl de presentia realis (werkelijke tegenwoordigheid). In hun verschillende Avondmaalsopvatting heb ik hierop reeds gewezen.

Duidelijk kunnen wij echter aantonen, dat vooral Calvijn aan het 'vere Deus et vere homo' heeft vastgehouden. Wie zich wil overtuigen leze Calvijns Institutie er maar op na. Wij lezen o.a. in Inst, 2.12.3: 'Wie dus Christus óf van Zijn Godheid, óf van Zijn mensheid beroven, die verminderen óf Zijn majesteit en heerlijkheid, óf zij verduisteren Zijn goedheid. Maar aan de andere kant zijn wij niet minder onrechtvaardig tegenover de mensen, van wie zij het geloof op die manier aan het wankelen brengen en terneer werpen, dat alleen staande kan blijven , wanneer het op dit fundament steunt'. Hopelijk zullen wij nu wel verstaan hebben van hoezeer belang het is om aan de twee naturen-leer vast te houden en dat dit ook duidelijk door de kerk dient uitgesproken te worden teneinde allerlei oude ketterijen te voorkomen of nieuwe ketterijen in een oud jasje te hullen. Bij dit alles gaat het niet om ons gelijk, maar om wat de Schrift ons voorhoudt en in het geloof vanuit de Schrift ondervonden wordt.

Een zeer belangrijke vraag. Na een klein uitstapje gemaakt te hebben in verband met de actualiteit van het bovengenoemde in relatie tot de preambule in voorstel drie op de combisynode keren wij terug tot ons eigenlijk onderwerp: het nut van het menszijn van Jezus voor ons.

Ten diepste gaat het in dit alles om de zeer belangrijke vraag: wat dunkt u van de Christus? Wij hebben gezien, dat het lichamelijk bestaan van Jezus onderschat kan worden. Het stoffelijk bestaan van de mens - zo overlegde men - is op zichzelf reeds zonde en men acht Christus er veel te goed en te hoog voor, dat Hij Zich zo verlaagd zou hebben. Nu zal het juist zijn, dat Christus in onze ogen nooit groot genoeg kan zijn. Laat derhalve Zijn grootheid en heerlijkheid in de prediking maar breed uitgestald worden. Laat desnoods van de predikers dan maar gezegd worden, dat het 'Christusmannetjes' zijn. Het moet ze zelfs een eer zijn niets en niemand anders te weten dan Christus alleen. Desondanks moeten de predikers er natuurlijk wel op toezien, dat zij het mens-zijn van Jezus niet in Zijn Godheid laten opgaan. Want dan wordt de troost en de bemoediging van Jezus' menszijn gemist. Hierbij moet trouwens de opmerking worden gemaakt, dat onze verlossing staat óf valt met de ware mensheid van Jezus.

Jezus is onzer één geworden, de broederen in alles gelijk. Hij is geboren als een hulpeloos kind. Hij groeide als ieder ander kind op. Hij leerde van Zijn moeder Maria de eerste woorden stamelen en precies als ieder ander kind leerde Hij lopen. Van Hem is ons bekend - toen Hij man geworden was - dat Hij moe werd, dat Hij sliep, dat Hij honger en dorst had. Hij was mens van vlees en bloed. Dit alles vinden wij helder en klaar in de Schriften terug. Uit alles blijkt overduidelijk dat de Zoon van God de menselijke natuur heeft aangenomen. Het blijft voor ons daarentegen wel een mysterie. Hiervan heeft Luther in verbazing gezegd: 'God van God ontdaan, wie kan dat verstaan'. Het aannemen nu van onze menselijke natuur was een liefdedaad van Christus. Doorgaans zien wij de geboorte van de Zoon van God als een liefdedaad van de Vader, ons beroepend op Johannes 3 : 16; 'alzo lief heeft God de (gevallen) wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven'. Ook kan men in dit geval denken aan de woorden van de apostel Paulus als Hij zegt dat God Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven (Romeinen 8 : 32a). Ondanks deze teksten zullen wij toch ook moeten zeggen, dat het een liefdedaad van de Zoon zelf is geweest door in ons zondige vlees af te dalen. Hij immers bezat toch alle heerlijkheid, maar Hij heeft zichzelf vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen. Omdat Hij dit heeft gedaan mag ook van Hem gezegd worden: geen liefde komt Zijn liefde nader, geen liefde is zo groot'. Ook mogen wij terecht met een kerstlied zeggen: 'wat deed uit hemels zalen, o Heere der heerlijkheên, op aarde U nederdalen, Uw grote liefde alleen.' Liefde, enkel liefde drukt Zijn komen in ons zondige vlees uit. Dat Hij ons vlees en ons gebeente heeft aangenomen geeft de Zijnen vreugde en heerlijkheid. Voor Hem betekende het intussen verdriet en smaadheid.

Iemand schreef: 'Wat Christus door in ons zondige vlees te komen ons gaf was de aanneming tot kinderen, wat wij Hem gaven was de aanneming van vlees en bloed'. Als wij deze volzin heel eenvoudig vertalen, kunnen wij ook zeggen: Hij gaf ons het leven, wij boden Hem de dood.

Consequenties

De liefdedaad van Christus, die er schuilt in Zijn geboren worden, zien wij nog duidelijker als wij ons een ogenblik indenken, welke gevolgtrekkingen dit voor de Zaligmaker meebracht. Wij weten allen wel dat Job in de grote ellende waarin hij verkeerde zijn geboortedag heeft vervloekt. Ik spreek hierover geen waarde-oordeel uit, temeer niet omdat het maar de vraag is of wij anders zouden reageren als de Heere zó aan de voering van ons leven komt als dit bij Job is gebeurd. Dogmatisch kunnen wij heel snel hierover ons zegje doen, maar als men de dingen ondervindt is het dogmatisch niet eens altijd op een rijtje te zetten. En zeker het boek Job leert ons uitermate voorzichtig te zijn met allerlei dogmatische vooronderstellingen. Wellicht moeten wij in het boek Job ook meer letten op de grootheid van God die Job ondanks alles uit de storm toespreekt dan op wat Job in z'n dwaasheid heeft gezegd. Hoe het ook zij, dit staat vast: Job heeft verschrikkelijk geleden. Toch is zijn lijden niet te vergelijken met het lijden van Christus. Desondanks is Christus er geen moment voor teruggedeinsd om door de poort van de geboorte het leven binnen te gaan, dat voor Hem een continue lijden zou zijn. Non-stop, zonder onderbreking! Christus wist heel goed wat Hij deed, toen Hij uit 'hemelszalen' neerdaalde. Hij wist om met het doopformulier te spreken - dat zijn leven in zeer bijzondere zin één gestadige dood zou zijn. Hij heeft dat leven van ons begeerd. Hij heeft de lijdensweg gezocht. Hij heeft dat reeds gedaan, toen Hij tot zijn Vader in de eeuwige Raad des Vredes zei: 'Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God' (Psalm 40 en Hebreeën 10).

Christus heeft het kruis gezocht, Hij heeft de Godverlatenheid gezocht. Hij heeft het alles van tevoren geweten, maar geen moment heeft Hij tijdens Zijn omwandeling op aarde eraan gedacht om Zijn gebóorteuur te vervloeken. Wat dit alles voor ons inhoudt, daarover gaarne een volgend keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het nut van het mens-zijn van Jezus (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's