Niemand heeft grotere liefde
Wie zich 'vule Leune' nog kan herinneren moet al aardig oud zijn, want ze is al lange jaren dood. Eigenlijk is ze op een heel tragische wijze om het leven gekomen. Daar werd toen in de omtrek weken lang over gesproken, vooral omdat niemand het rechte ervan wist. Dat was niet omdat ze zo algemeen geliefd was. Dat niet. Ze was eigenlijk een verachte fakkel, met wie niemand zich onnodig bemoeide. Ze heette Leune Lievens en was nooit getrouwd geweest. Ze had kind noch kraai in de wereld, behalve een halfgare broer, die nooit naar haar omkeek. En ze woonde moederziel alleen in een oud krot dat tegen een loods was aangebouwd. Daar leefde ze haar eigen, niet al te propere leventje.
De mensen zeiden dat ze ze niet allemaal had. Dat bleek wel uit haar vreemd gedrag. Ze kwam wel vaak onder de mensen, maar sprak geen woord met hen behalve als dat nodig was. En ze duwde altijd een kruiwagen voor zich uit, waarin ze van alles en nog wat mee naar huis sjouwde. Men kon haar soms in de verste polders tegenkomen, met een hoop sprokkelhout in haar kruiwagen, dat ze onder de olmen op de dijken had opgeraapt. En andere voorwerpen die ze onderweg vond en die haar waardevol toeschenen. En zo af en toe natuurlijk wat boodschappen die ze op het dorp had gekocht van de enkele guldens die ze wekelijks van de bedeling kreeg. Gevaarlijk was ze niet en dus het het gemeentebestuur haar maar met rust in haar vuile krot. Dat was, goedkoper dan haar in een inrichting doen. Ja, Leune kwam overal — behalve in de kerk.
Als de schoolguust Leune najouwden trok ze zich daar niets van aan. Ze mompelde dan maar wat voor zich uit, maar ze dreigde hen nooit. Daar was dus weinig lol aan voor de kinderen en al gauw lieten die haar dan ook maar met rust. Beesten, zoals een kat of een hond, had ze niet. Maar wel woonden er ratten en muizen in haar hol. Aanspraak had ze dus niet, maar die had ze ook niet nodig. Ze hield hardop hele gesprekken met zichzelf, zelfs in de vorm van vragen en antwoorden, zowel binnenshuis als buiten. Maar in ieders hart leeft de behoefte aan liefde — liefde geven en liefde ontvangen. Er was slechts één persoontje aan wie ze eerst een hele tijd op haar manier liefde trachtte te betonen en van wie ze op de duur ook een zekere aanhankelijkheid terug ontving. Van haar kant zal dat wel een vorm van gearresteerde moederliefde zijn geweest.
Dat persoontje was de kleine Pieter Lobbezoo, een jochie van een jaar of vier, misschien vijf. Hij woonde met zijn ouders en een paar jongere kinderen in een der arbeidershuisjes in de buurt van die oude loods. Dat klusje huisjes stond een heel eind buiten het dorp, niet ver van de zeedijk vandaan. Leune noemde hem Piertje, want onder die naam had ze hem leren kennen. Dat was al enkele jaren geleden. Zijn moeder had toen met hem buiten op de bank gezeten, en terwijl ze hem op en neer op haar schoot liet dansen, had ze een versje tegen hem gezongen: Piertje, Piertje, lekker diertje!
De kleine Pieter vond het wel goed dat ze hem zo aansprak. Als ze het maar niet deed in het bijzijn van andere guust. Die konden hem Piet noemen, of desnoods Pier, zeker als ze ruzie hadden. Trouwens, zo werd hij thuis toch al genoemd. Daar heette hij kleine Pier omdat zijn vader ook Pier heette en daar dus de grote Pier was.
Nog niet zo heel lang geleden was kleine Pier aanvankelijk wat bang van het mens geweest. Dat was ook geen wonder. Ze zag er niet aanlokkelijk uit. Ze ging nog wel gedeeltelijk op haar boers gekleed, maar stukken droeg ze nooit meer. En een doek over haar beuk en kralen om haar hals ook niet meer. Ze liep 's zomers altijd in haar beuk en 's winters had ze een oude rode neusdoek om haar hals en een vale politiecape om haar schonkige schouders. Maar haar streperig haar zat altijd slordig onder de vuile tupmuts gefrommeld, terwijl er lange slierten onderuit kwamen die bij haar oren en in haar nek neer hingen. Verder had ze slechts hier en daar een dorre tand in haar mond, die op halfvergane perkoenpaaltjes leken. Toen kleine Pier op de duur toch wel van haar was gaan houden, kuste hij haar echter nooit, vooral om die tanden. En Leune had ook nooit pogingen gedaan om hem te kussen. Ze was al gelukkig als ze hem over zijn hoofd mocht aaien of, een heel enkele keer, haar leerachtige handen om zijn bolle wangen mocht leggen. Dan zei ze hees: M'n lief jongksje!
Leune was dus allesbehalve een schone verschijning. Zelfs kleine Pier bleef dat altijd beseffen. Maar lelijk vond hij haar niet. Ze leek niet op een heks — alleen haar mond een beetje. Maar ze had een gewone neus en eigenlijk wel mooie ogen. Die waren zo donker dat de pupillen er niet in te onderscheiden waren. Ze deden hem denken aan de ogen van een koe. Zijn ouders hadden ook geen hekel aan Leune. Ze zeiden altijd gedag tegen haar als ze voorbij hun deur ging met haar kruiwagen. Maar een buurpraatje maakten ze nooit met haar, want Leune kon geen gesprek onderhouden. En als de andere buren er soms een schampere opmerking over maakten dat kleine Pier vaak met haar opliep, dan zei z'n moeder alleen maar: Die ziele is toch ok 'n maens, zeker! Wel waarschuwde ze hem iedere keer: Dienkt erom daje niet te varre mie d'r meegaet oor; en zeker nie over de spoorbaene gaen! Daar zorgde Leune trouwens zelf wel voor. Een eind voor ze zover waren stuurde ze hem altijd terug.
Kleine Pier wist best waarom. Hij wist hoe de zaken daar stonden. Daar kruiste de spoorbaan niet alleen de weg onder langs de dijk, maar sneed dwars door de dijk. Het was net of er iemand een grote schep uit de dijk had genomen om ruimte te maken voor de treinen die zo nu en dan over de dubbele stellen rails daverden. Als ze van links kwamen, kon je de treinen zien aankomen, maar niet van rechts, vanwege de twee dijkeinden die werden gevormd door dikke betonmuren. In het midden ervan zaten op elke kant twee verticale, diepe, vierkante gleuven. Op weg naar de kerk had Vader verteld dat daarin zware balken gelegd konden worden van de ene muur naar de andere. Als de zeedijk ooit zou breken in een stormvloed konden die op elkaar gestapelde balken verhinderen dat het zeewater van de ene polder in de andere zou stromen. Dat scheen die plek nog gevaarlijker te maken dan hij al was. Omdat het een onbewaakte overweg was, moest je eerst goed uitkijken naar links en vooral naar rechts of er geen trein aankwam. Dat was eens het geval geweest toen hij met moeder naar de kerk ging.
Er speelden natuurlijk wel ulterieure motieven een rol in die vriendschap tussen kleine Pier en Leune. Zelfs bij een kleine man loopt de weg naar het hart door de mond en de maag. Daarmee was het trouwens begonnen. Leune had hem destijds naar zich toegelokt met snoep. En naderhand had ze telkens als ze in het dorp naar de winkel moest een reep chocolade voor hem gekocht. Dat was meestal op vrijdag. Kleine Pier, die dol op chocola was, was er helemaal niet vies van, al kwam dat lekkers ook uit haar groezelige zak onder de vuile schort. Er zat immers rose papier en zilverpapier omheen. Leune noemde het kwatta. Al gebeurde dat meestal op vrijdag (omdat Leune dan haar geld ging afhalen op het gemeentehuis), kleine Pier had nog weinig besef van de namen van de dagen. Maar als hij haar toevallig in de verte zag aankomen, liet hij dadelijk zijn spel of kornuiten in de steek en rende haar op een draf tegemoet. Dan zette ze haar kruiwagen neer, en stond hem met de handen op haar heupen en met een open, lege, lachende mond op te wachten. Had ze geen chocolade bij zich, dan was het ook goed. Praten deed Leune ook tegen hem niet veel. Bovendien kon hij haar moeilijk verstaan vanwege die paar verspreide tanden waar haar heen en weer rollende tong telkens schipbreuk op leed. Zelf praatte hij altijd honderduit en dat gebabbel klonk dan als muziek in haar oren.
Natuurlijk treiterden de buurkinderen hem wel eens met zijn vriendschap met die vule Leune, vooral als ze ruzie hadden. Dan sliepten ze hem uit en sarden: Jie verkièr mie vule Leune! Gaet er mae gauw nae toe om mie d'r te gaen trouwen. Dan bin julder vule Pier en vule Leune! Dan brieste hij als een paard en vloog op hen af om niet alleen zichzelf maar ook Leune te verdedigen en zette hen dan schaakmat door terug te schreeuwen: Ik kriege lekker sukelade van d'r en julder lekker niet!
Het was echter niet op een vrijdag maar op een schone maandagnamiddag in juni dat kleine Pier besloot een eind te gaan hoepelen. De zaterdag daarvoor had zijn vader een hoepel voor hem gemaakt van een oud fietswiel door er al de spaken uit te verwijderen. En hij had hem voorgedaan hoe hij de hoepel aan de gang kon krijgen en houden met een stokje. Met dat stokje kon je er telkens een zwepende klap tegen geven, maar je kon het benedenste gedeelte ervan ook in de gleuf leggen en dan een gestadige druk toepassen. Kleine Pier had toen heel het verdere deel van de dag nodig gehad om zich meester te maken van die tweevoudige kunst.
Hij ging bijna automatisch de weg op in de richting van het dorp. Die weg lag onder aan de dijk. Dan kon hij meteen kijken of de margrieten al bloeiden in het lange gras aan de korte kant van de dijk of langs de diepe watergang links van de weg. Dan zou hij er een grote bos van plukken voor moeder, die zoveel van bloemen hield. En misschien zwommen er wel eenden in de sloot — een moedereend met een sleep kleine eendjes achter zich. Of anders zeker wel een paar van die driftige meerkoetjes, die zo snel onder water konden duiken, en die zulke grappige witte of rode petjes op hun kop hadden. En natuurlijk werd hij omringd door het uitbundige gejubel van leeuweriken en andere vogels en het melodieuze geroep van koekoeken.
Kleine Pier had zijn moeder niet verteld dat hij die kant op ging om te hoepelen. Hij was van plan niet zo heel ver te gaan en al gauw weer terug te komen. Hij kende die weg natuurlijk op zijn duimpje, want zo liep hij ook als hij Leune tegemoet ging en 's zondags als hij met een van zijn ouders naar de kerk ging. En ergens in de verte lag natuurlijk de spoorbaan. Maar daar dacht hij nauwelijks aan want zo ver ging hij niet. Hoepelen was een leuk spel en hij was trots op zichzelf dat hij het al zo goed kon. Het leukste was inderdaad de hoepel in de gleuf voort te duwen. Daarbij moest hij wel gedurig zijn ogen op het stokje en de gleuf gericht houden en vooral oppassen dat de hoepel hem niet naar links ontsnapte. Want dan vloog hij in de sloot en was hij hem kwijt. De kunst was om precies midden op de weg te blijven.
Dat alles vergde zoveel van zijn aandacht dat hij helemaal niet meer aan margrieten of eenden dacht. Hij werd gefascineerd door het smalle stukje teerweg dat in grijze strepen vanonder de hoepel op zijn klompen afstoof, net of de hoepel die stralen uitspoog. Wel hield hij vanuit zijn ooghoeken de graskanten aan weerszijden in de gaten. Die hielpen hem het midden van de weg te bepalen. Maar er was één ding dat hij niet in de gaten hield, en dat was de tijd. Hij realiseerde zich niet hoe snel hij zelf liep en hoe vlug de tijd verliep. Toch moet zijn onderbewustzijn hem even gewaarschuwd hebben zodat hij even opkeek. Maar toen is alles zo vlug gegaan dat zijn hoofd de bliksemsnelle gewaarwordingen niet meer bij heeft kunnen houden. Tot zijn ontzetting gaapte de ene betonmuur aan de overkant van het gat in de dijk hem tegen. Op hetzelfde ondeelbare moment zag hij ook heel duidelijk de zwarte schaduwlijnen van de twee verticale gleuven die hem op onverklaarbare wijze aan meswonden in een hand deden denken. En ook — maar hoe kon dat nou — was het even of hij een menselijke figuur met een kruiwagen had gezien. Maar toen werd zijn oog reeds getrokken naar de zwarte schim van een verschrikkelijk monster dat van rechts op hem af kwam stormen en werd hij tegelijkertijd overweldigd door een geluid alsof de wereld verging. Als versteend bleef hij staan en zag nog net dat zijn ene voet vlak voor de op een na laatste zilverige staaf van de rails stond. Hij sloot zijn ogen en wachtte de onvermijdelijke doodsmak af. Die kwam op het volgende ogenblik. Hij voelde nog hoe zijn achterhoofd tegen de aarde sloeg zodat een grauwe golf van pijn door heel zijn lichaam vloeide. Daarna was alles stil en zwart om hem heen. Hij kroop uit zijn lichaam en zag dit ergens heel diep in een donkere put liggen. Hij keek er vanaf de rand van de put op neer alsof het iemand anders was, iemand van wie hij ontzettend veel hield. En een geweldig medelijden overmande hem zodat hij hardop zei: 'Och, 't is toch zonde...'.
Kleine Pier had toch goed gezien. Er had iemand met een kruiwagen aan de andere kant van de overweg gestaan. Het was niemand minder dan Leune. En zij had wel om zich heen en voor zich uit gekeken. De kruiwagen was zozeer een verlengstuk van haar zelf geworden dat zij er niet naar hoefde te kijken als ze hem voortduwde. Ze had ook Piertje al van een eind zien aankomen en had blij gedacht dat hij haar kwam afhalen. Maar ze had ook een trein horen aankomen en even had een grote ongerustheid zich van haar meester gemaakt. Ook zij kon de trein niet zien, maar ze had wel de zwarte rookpluim links van haar boven de dijk zien aankomen. Even had ze zich nog gerustgesteld dat Piertje toch wel bij de overweg stil zou staan en even naar beide kanten zou kijken, omdat zij dat zelf ook altijd deed. Maar toen had ze tot haar ontzetting gezien dat hij door bleef hoepelen. En dit had haar trage verstand zulk een schok gegeven dat hij als een electrische stroom door haar armen en benen schoot, zodat die als de wieken van een molen in een hoge wind begonnen te malen. Ze had net zo goed een robot kunnen zijn, want het is de vraag of ze nog wel heeft geweten wat ze deed. Maar ze vloog als een pijl uit een boog op dat dierbare figuurtje af en gaf het met haar stijve uitgestrekte armen zulk een ontzaglijke stoot dat het achterover tegen de harde grond sloeg. Maar het kleine geluid ervan werd verzwolgen in het donderend geweld van de voortjagende trein, evenals het gelijktijdige eveneens kleine geluid van het povere lichaam dat de locomotief tegen zich te pletter drukte. Dat geluid zal niet groter geweest zijn dan dat van een kever die zich tegen de voorruit van een rijdende auto te barsten vliegt.
En zo is vule Leune dan jaren geleden tragisch om het leven gekomen. Daar is heel wat over te doen geweest, ook of zo iemand nu in de hemel of in de hel was. Maar niemand heeft er ooit het recht van geweten. Wie zich dat mens nog kan herinneren, zal nu, evenals de vroegere kleine Pier, zelf zo jong niet meer zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's