Zijn wij verantwoordelijk voor wat in het verleden gebeurde?
Doleantie en schuldbelijdenis
De reacties, die mij bereikten naar aanleiding van de lezing, die ik op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond hield over 'Doleantie en schuldbelijdenis' en de artikelen, die erin de (kerkelijke) pers aan werden gewijd, nopen mij ertoe nog een keer op dit onderwerp terug te komen.
In de pers heeft sterk de aandacht getrokken de uitspraak, dat dolerenden alleen langs de weg van schuldbelijdenis zich weer zouden moeten invoegen in de stroom van de vaderlandse kerk. Eén en ander was gebaseerd op het feit dat de Doleantie, veel meer dan de Afscheiding, berekend is geweest. De Doleantie werd jarenlang bewust voorbereid. Daarom noemde ik de Doleantie als kerkelijk gebeuren veel minder geestelijk dan de Afscheiding. De tekst van het hele referaat heeft in deze kolommen gestaan, zodat ik niet behoef te herhalen wat in werkelijkheid is gezegd.
Misverstanden
Laat ik eerst een enkel misverstand opruimen, gegeven het feit dat weergave in kranten altijd ten dele is. Briefschrijvers herinnerden aan personen in hun voorgeslacht, die met de Doleantie waren meegegaan maar zeker zo geestelijk waren als anderen, die uit de kring van de Afscheiding afkomstig waren. Ik heb — dat zal duidelijk zijn — geenszins personen uit de Doleantie als weinig geestelijk willen kenschetsen. Er was ongetwijfeld onder de dolerenden oprecht geestelijk leven. Ik heb dat ook duidelijk gezegd. Eén der eersten, die voor de Doleantie mede verantwoordelijk waren, was mr. dr. Willem van den Bergh te Voorthuizen. Wie zijn levensbeschrijving leest komt onder de indruk van zijn godsvrucht. En zo is het met velen geweest. Nogmaals, het ging me niet om een oordeel over het persoonlijk geestelijk leven, maar over de kerkelijke daad, die tot Doleantie leidde.
Evenmin viel uit mijn betoog op te maken dat er onder de dolerenden niet een duidelijk verlangen was naar een kerkelijk leven naar Schrift en belijdenis en ook niet dat er geen 'deernis om het gruis van Sion' — om een briefschrijver te citeren — zou zijn geweest. Maar wel heb ik bewust Kuyper de grote strateeg van de Doleantie genoemd, die vanaf het begin van de zeventiger jaren systematisch in lezingen en door zijn persarbeid een geest heeft wakker geroepen, die uiteindelijk tot de Doleantie leidde, móést leiden. Sommigen hielden mij voor Kuypers 'Tractaat van de Reformatie der kerken', om daarmee aan te geven dat het Kuyper ging om een nieuwe reformatie der kerken, niet om 'een revolutionair breken' maar om het meer gehoorzamen van God dan de mensen. Iemand houdt mij de volgende zinsnede uit dit tractaat van Kuyper voor: 'Revolutionair is niemand om het feit op zichzelf, dat hij breekt met den bestaanden toestand; maar revolutionair zal hij dan eerst wezen, indien hij die breuke waagt uit andere beweegredenen, dan om God meer te gehoorzamen dan de mensen'. Ik kende uiter aard dit tractaat en derhalve ook dit citaat. Het verhinderde mij niet om te zeggen dat juist in dit tractaat het program voor de Doleantie lag. Het tractaat is de neerslag van lezingen, gehouden in 1883, drie jaar vóór de Doleantie. Daarom zei ik ervan: 'het plan lag klaar'. Dat Kuyper spreekt over gehoorzaamheid aan God in plaats van over 'revolutionair breken' ligt voor de hand. Natuurlijk heeft Kuyper gemeend in de weg Gods te zijn. En diegenen, die zich vandaag zonen of dochteren der Doleantie noemen of zich er nauw verwant mee weten zullen van het zelfde gevoelen zijn. Maar hier ligt nu juist het verschil tussen hen die gingen en hen die bleven.
Verder heb ik in mijn referaat niet gezegd dat, als Samen op Weg door zou gaan, er wel eens een nieuwe Doleantie, als afscheiding van de vaderlandse kerk, nodig zou kunnen zijn. Ik heb, integendeel, gezegd dat Samen op Weg zélf zulk een afscheiding zou kunnen zijn, omdat en wanneer de band met het verleden en zo met de historische kerk verbroken werd. En tenslotte — een vierde misverstand — het gaat niet aan om eenzijdig te wijzen naar de schuld der dolerenden vanwege de daad der Doleantie. Er is alle reden — het is in de tekst van het referaat uitgebereid te vinden — tot verootmoediging, juist ook van de zijde van de Hervormde Kerk vanwege de deplorabele toestand van de kerk in de vorige eeuw, waardoor Afscheiding en Doleantie (mede) werden opgeroepen. De vraag is slechts of deze situatie tot Afscheiding en Doleantie moest leiden of tot bekering, tot wederkeer en de oproep daartoe van binnenuit.
De zaak zelf
De reacties op mijn referaat geven mij geen aanleiding om wat ik zei over de Doleantie te herzien, integendeel. Van allerlei zijden, uit verschillende kringen, kwam instemming. Maar met name in de Vrijgemaakt Gereformeerde pers is men — omdat men de Doleantie als voortgaande reformatie ziet — nogal aangelopen tegen wat ik zei. Maar dat kerkelijk vraagstuk ligt er nu eenmaal. Eén ding moet ik daarbij nog wel zeggen. Zodra de uitdrukking 'vaderlandse kerk' valt — en die uitdrukking is hervormd gereformeerden tot vandaag lief — wordt er van de zijde van de nazaten van de dolerenden, niet in het minst ook door de vrijgemaakt gereformeerden gesteigerd. In een artikel van ds. Tj. Boersma wordt zelfs gesproken van een 'menselijk gedachtenspinsel' waarmee men 'afgoderij' kan bedrijven. Nu kan men natuurlijk met allerlei begrippen afgoderij bedrijven, ook met 'doorgaande reformatie' of met nationaal-gereformeerde politiek (een begrip vanwaaruit men in vrijgemaakt gereformeerde kring, vanuit een kleine minderheid, naar het hele volk toe politiek wil bedrijven). Maar tot heden is me niet duidelijk geworden waar nu écht de wortel ligt van die weerstand tegen de vaderlandse kerk. We bedoelen er mee de kerk der vaderen, de kerk die in haar ontstaan nauw met het ontstaan van onze natie is verweven, de historische, vaderlandse kerk dus. Vanwege het verbond bindt ons vandaag die band. Kuyper heeft de band met die kerk verbroken. In zijn reformatiepogingen wist hij zich — naar hij zelf zei — wel gebonden aan de confessie van die kerk maar niet door haar geschiedenis. Als ik het nu echter wat scherp mag uitdrukken: ik veronderstel dat (vrijgemaakt) gereformeerden denken dat de wettige voortzetting van de oude, vaderlandse kerk daar te vinden is waar afscheiding, later Doleantie en weer later vrijmaking een kerkelijk kanaal kregen. En waar dan wéér verder? , zo vraag ik dan.
De vraag die verder echter telkens opduikt, en wel lós van de vraag hoe de Doleantie beoordeeld wordt of moet worden, is of het mogelijk en noodzakelijk is om terzake van wat in het verleden gebeurde schuld te belijden. In mijn referaat motiveerde ik dat door te zeggen dat wie denkt langs de lijnen van het verbond niet alleen uitkomt bij de weldaden van geslacht op geslacht, door de Heere verleend, maar ook bij de schuld, waarvan door de geslachten heen sprake is. 'Wij en onze vaderen hebben gezondigd', en dan ook héél concreet. Het ontbreekt in onze tijd helaas al te veel aan historisch besef, zodat in het verleden gemaakte schuld niet meer ter sprake komt. Hoewel dat toch ook maar weer ten dele waar is.
Hoe vaak is immers in de afgelopen decennia niet gesproken over schuld, die koloniserende landen in het verleden hadden ten aanzien van de gekoloniseerde landen! En mag en moet niet gesproken worden over de (collectieve) schuld van het christelijke westen aan de jodenvervolging door de tijden heen, tot in de recente geschiedenis toe?
En hoe vaak wordt niet gesproken van de schuld van de kerk in het verleden inzake het sociale vraagstuk of andere kwesties, die diep ingrepen in het volksbestaan en waardoor mensen soms van de kerk vervreemd zijn? Ten tijde van de kwestie Aantjes — die ik overigens node nog eens naar voren haal — dook die vraag met name ook op rondom bepaalde kerkelijke kringen, waar een lijdelijke houding tegenover de Duitsers werd aangenomen.
Mogen we dan vandaag niet meer schuld belijden over wat er kerkelijk in het verleden is gebeurd inzake concrete afscheidingen? En moeten we dat zeker niet doen als we zien hoe die scheidingen in het verleden een veelvoud van kerken hebben opgeleverd en de ontwikkelingen in de kerk, waarvan de afscheidingen plaats vonden, zich onstuitbaar voortgezet hebben in de kerken, die zich afgescheiden hebben? In het heden ligt het verleden, in het nu wat worden zal.
Gemeenschappelijk
Iemand schreef mij dat de vraag om schuldbelijdenis inzake de Doleantie aan de huidige synodaal Gereformeerde Kerken buiten de orde is omdat die kerken vandaag zélf door het modernisme beheerst worden. Welnu, daar ligt nu juist de kwestie. Hoedemaker heeft Abraham Kuyper voorgehouden dat hij, met zijn doleantiestreven, waarmee hij het kerkelijk vraagstuk wilde oplossen, intussen dit vraagstuk nog meer onoplosbaar heeft gemaakt. De Doleantie — zo mogen we nu zeggen — heeft het herstel van de kerk — de vaderlandse kerk, jawel — niet gebracht, zeker op langere termijn niet, als we immers zien hoe de situatie in de Gereformeerde Kerken nu (óók) is. Als de briefschrijver er echter bij opmerkt, dat we ons af moeten vragen waarom de Heere nu al bijna 200 jaar de kerk der Reformatie aan de verwoesting prijsgeeft, dan ben ik geneigd te vragen welke kerk der Reformatie dan bedoeld wordt en of iemand dan zeggen kan buiten die schuld te staan.
Van harte beaam ik dat het vandaag, in een toenadering van kerken, gaan moet om een gemeenschappelijke schuldbelijdenis en verootmoediging om de deplorabele situatie van de kerken, in confessioneel opzicht. Samen terug! Samen terug naar de weg van het Woord. Maar dat neemt de concrete schuld in het verleden nog niet weg. En wanneer daarover gemeenschappelijk schuld moet worden beleden dan zal dat ook gevat dienen te worden in een gemeenschappelijke kerkelijke verklaring om wat er het verleden kerkelijk ontspoorde.
Persoonlijk
Een laatste vraag tenslotte. Wat moeten mensen persoonlijk vandaag met een oproep tot schuldbelijdenis inzake het verleden?
Een christen draagt, als het goed is, in zich om een geweten voor Gods Aangezicht, waardoor hij zich schuld, die collectief gemaakt is, persoonlijk toeëigent. Oppenheimer, die een belangrijk aandeel had in de ontwikkeling van de atoombom, kwam tot een hoogst persoonlijke schuldbelijdenis bij het atoombomexperiment in de woestijn van New Mexico in 1945: 'ik ben de dood geworden, de vernieler van werelden'. Maar hij stond toch alleen maar in een wetenschappelijke ontwikkeling en droeg zelf toch slechts laatste steentjes aan? Hij zei nochtans: 'wij, mensen van de wetenschap, zijn in deze jaren aan de rand van de vermetelheid getreden, we hebben de zonde leren kennen.'
Zo vroeg kortgeleden de Westduitse president Von Weisacker aan de joden in Duitsland vergeving 'om recente antisemitische uitlatingen van hoge Westduitse politici'. Het werd mij, in een overigens kritische commentaar, aangereikt door de Vandaag-schrijver in Trouw, ds. E. Pijlman. Maar hij vond dan dat we elkaar vandaag geen schuldbelijdenis mogen afdwingen.
Laat me echter liever afsluiten met een gedeelte van de Schrift. In Jeremia 31 gaat het om de vernieuwing van het verbond en komt het volk als geheel, met de schuld en de zegeningen des Heeren, voor het voetlicht. De profeet zegt dan echter: 'zekerlijk nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf bekend ben gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb'. Onder de jeugd, zegt Calvijn, verstaat de profeet 'overdrachtelijk de tijd, waarin de Israëlieten zich uitgeleefd hadden.' En toch, dat hoogst persoonlijke 'ik'. Wie zich ook vandaag weet te staan in de rij der geslachten en deel heeft aan de schuld der vaderen zegt, met de profeet mee: 'ik heb mij op de heup geklopt'. Het persoonlijke ligt zo ingebed in het collectieve.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's