De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Worden alle mensen behouden?

Een oude vraag die gedurig weer opduikt. In de vroege christelijke kerk leerde de kerkvader Origenes het zgn. 'wederherstel van alle dingen'. En deze gedachte van de alverzoening vond de eeuwen door, naast bestrijders, ook aanhang. In onze tijd blijkt deze gedachte velen te boeien. Dat laat zich wel verklaren. Is het geen ontzettende gedachte aan te nemen dat mensen voor eeuwig verdoemd zijn? Wint de barmhartigheid het niet van het oordeel? Men wijst dan op allerlei zeer algemeen klinkende teksten uit het Nieuwe Testament, die zouden wijzen op een algemene verzoening. Daartegenover kan gewezen worden op teksten die zeer duidelijk twee wegen aanwijzen. Maar de voorstanders van de alverzoening of de algemene verzoening hebben de neiging deze teksten als tijdgebonden of secundair af te doen. Ook zijn er die zich aan het gewicht van de bijbelse uitspraken omtrent het verderf niet willen onttrekken, maar dan toch tot de overtuiging komen, dat de hel een plaats van loutering is, een tijdelijke zaak. Het zal voor ieder duidelijk zijn dat onze visie op deze zaken van belang is, als het gaat om de evangelisatorische benadering van de buitenkerkelijke en onze apostolaire aanpak. Verwant aan de vraag naar het heilsuniversalisme is de vraag naar de waardering van de niet-christelijke godsdiensten.

Hoe hebben we de geladen woorden van de Schrift te verstaan? Hoe gaan we om met de ernst van het Evangelie? In het blad Credo schrijft dr. R. Fernhout naar aanleiding van de vraag of alle mensen behouden worden.

'De vraag aan het begin van dit artikel gesteld, komt met des te meer klem weer naar boven. Krijgt het evangelie op deze wijze niet een al te donkere rand? Maar als dat nu eens de werkelijkheid is? Het woordje "al" is teveel gezegd, maar de rand als zodanig is inderdaad donker. Zó donker dat je er van af moet blijven. Elke poging om hier al redenerend mee klaar te komen moet tot een illusie leiden. Wij kunnen geen licht werpen op "de buitenste duisternis" (Matth. 22 : 13). Het enige wat wij kunnen doen, is ootmoedig belijden hoezeer het fout is gegaan tussen ons mensen en God en, helaas, het nog steeds fout gaat. Dat dit het uitzicht moet zijn! Dan blijkt ook dat de Bijbel ons een heel andere weg wijst om aan die duisternis te ontkomen. Niet de weg van een aanvechtbare redenering, maar die van het geloof. Het enige wat we kunnen en mogen is zelf vluchten naar het kruis van Jezus Christus en elkaar op dat kruis wijzen. Een ander antwoord is er niet. Paulus schrijft in de tweede brief aan de gemeente te Corinthe: "Daar wij dan weten hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen" (2 Cor. 5 : 11). De kerk zal dit voetspoor moeten volgen. Wanneer we werkelijk geven om elkaar zullen we nooit de illusie mogen wekken, dat het eventueel zonder geloof in Jezus Christus ook nog wel in orde zou kunnen komen. Vandaar ook de hartstochtelijke oproep van Paulus in hetzelfde gedeelte van de tweede brief aan de Corinthiërs: "In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen" (2 Cor. 5 : 20).

Je ontkomt niet aan de hel door deze wat minder erg te maken, maar door je met God te laten verzoenen. De zwarte rand rond het evangelie moeten we niet bijkleuren, want deze rand is er om juist het licht des te scherper te laten uitkomen. Er is verzoening. Er is geen verschrikkelijker werkelijkheid dan die van Gods toorn en Gods straf, maar in Jezus Christus slaat die werkelijkheid om in liefde en bevrijding. Dan hoefje niet meer te weten, dan wil je ook niet meer weten dan: Hier is de uittocht. Op Golgotha.

Toch vermoed ik dat velen van de lezers met deze boodschap grote moeite hebben. Niet zozeer omdat zij dit niet geloven, maar omdat ze er geen raad mee weten in het dagelijks leven. Als de zaken zó op scherp staan kun je dan nog wel gewoon verder leven? Moet je niet alle mensen die op je weg komen, waarschuwen en hen oproepen zich tot Jezus Christus te bekeren? Tegen de profeet Ezechiël is eens gezegd dat het hem zal worden aangerekend als mensen verloren gaan die hij had moeten waarschuwen, maar het niet heeft gedaan (Ez. 3 : 18). Hebben wij niet dezelfde verantwoordelijkheid voor de mensen om ons heen, onze familieleden, onze vrienden, collega's en buren? Wie echter ziet kans om het waar te maken? Wat is het niet moeilijk om over deze dingen te spreken, zelfs met hen die ons het meest na staan! Je durft niet, soms kun je ook niet en een enkele maal als je het probeert komt het geheel verkeerd over. Het lijkt dan een bevrijding om te horen dat mensen, ook al hebben ze niet in Jezus Christus willen geloven, toch niet voor eeuwig verloren hoeven te gaan. Die bevrijding is echter schijn. Onze verantwoordelijkheid en ons tekortschieten worden er immers niet minder door. Ook al zou de straf in de hel slechts tijdelijk zijn dan moesten we er elkaar toch ook voor waarschuwen. Als lid van de gemeente van de gekruisigde Heer ontkom je nooit aan die verantwoordelijkheid. Het is echter wat anders om dit neer te schrijven en te zeggen, dan om het in praktijk te brengen. Dat is niet altijd onwil, maar ook vaak verlegenheid — in de diepste betekenis van het woord! — en onmacht. Het zou ook niet juist zijn om die onmacht te overschreeuwen. Dat brengt alleen maar ongelukken. Als we ons onmachtig weten, welke weg zou de Bijbel ons dan wijzen? Ongetwijfeld niet de weg van er krampachtig tegenaan gaan. Is Jezus Christus zelf ook niet hierin het antwoord? Waarheen anders kunnen wij met onze onmacht en ons voortdurende tekortschieten heen dan naar Hem? Wanneer het ons niet lukt om tot een ander te spreken, laten wij dan — en dat is uiteindelijk veel belangrijker — voor hem of haar bidden. Ik weet wel dat dit voor je gevoel een doekje voor het bloeden lijkt, maar dat is het evangelie op de kop. In het gebed belijd je, dat je het zelf niet kunt. Wil er werkelijk iets tot stand komen, ook wat waarschuwen en getuigen betreft, dan zal de Heer Jezus Christus het zelf moeten doen. Hij zal dat ook doen, ook door u en mij, wanneer we ons tot Hem wenden. Al lijkt het en wordt ons misschien zelfs verweten, dat er van ons leven niets uitgaat, wanneer we met die klacht in een oprecht gebed naar Hem gaan, is ons leven al in zijn dienst genomen, tot heil van onszelf en van anderen.

Ondertussen blijven er vragen. In een vorige alinea schreef ik wel, dat je op Golgotha niets anders wilt weten dan: hier is de uittocht, maar daarmee is beslist niet elke vraag voorgoed afgeweerd. Kun je in de hemel wel gelukkig zijn als, iemand van wie je hield in de hel is gekomen? Hoe moet het met de vele miljoenen, mensen die niet in Jezus Christus hebben geloofd omdat ze nooit van Hem gehoord hebben? Het zijn eigenlijk alle vragen die je pas kunt stellen, wanneer je, bij wijze van spreken, al een paar passen van het kruis vandaan bent gaan staan. Het gaat niet meer om de directe relatie van jezelf tot Jezus Christus, noch om die van anderen tot Hem, maar om anderen los van Jezus Christus. Ik wil de ernst, de pijnigende ernst soms, van deze vragen niet ontkennen. De vragen echter bewegen zich op een terrein dat Ugt buiten de lichtkring rondom het kruis. En dan kunnen ze niet meer door ons beantwoord worden, want het enige antwoord dat wij kennen is: het kruis. Waar we niet meer kunnen waarschuwen noch troosten met de verwijzing naar het kruis, daar wordt het duister. We kunnen er niets meer over zeggen. Hier is een onoverschrijdbare grens, waaraan ook de theologie zich moet houden. "De verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen" (Deut. 29 : 29).'

De schrijver wijst terecht er op, dat we nooit tot een sluitende logische redenering kunnen komen. Niets is zo erg als een afstandelijk en betogend spreken over deze laatste ernst van het Evangelie. We zullen aan de reikwijdte van Gods erbarmen niets af mogen doen. We mogen verkondigen dat Gods erbarmen wereldwijd is. Maar die verkondiging is geen mededeling, maar een bewogen appèl. De triomf der genade door het kruis van Christus heeft als keerzijde de boodschap van het oordeel. Maar dat laatste staat juist in verband met de evangelieverkondiging. Het gaat stellig niet om concurrerende grootheden of om een evenwichtsconstructie. Het heeft alles te maken met de wijze waarop in Romeinen 8 : 1 over deze laatste ernst gesproken wordt: een verderf, geen veroordeling voor wie in Christus Jezus zijn. Paulus schrijft daarover op de toonhoogte van de zekerheid des geloof s, dat zijn houvast vindt in Christus. Dat laatste mogen we niet vergeten. Alleen in deze ark is er behoud.

***

De geloofszendingen

Toegegeven: het is geen verhelderend woord, maar ik hanteer het toch maar omdat het een ingeburgerde term is. Waar gaat het om. We kennen in Nederland de zgn. kerkelijke zending, d.w.z. zendingswerk waar de kerken en haar organen verantwoordelijk voor zijn, en waar ook de plaatselijke gemeente bij betrokken is. Zo wil b.v. de G.Z.B, voluit een kerkelijke zending zijn. Daarnaast spreken we van geloofszendingen: Enkelingen en bewegingen die er spontaan op uittrekken, zonder binding aan een kerkelijk instituut, in vele gevallen afkomstig uit de zgn. vrije groepen en evangelische bewegingen. Bewegingen die dikwijls gekenmerkt werden door de nadruk op het duizendjarig rijk, afkeer van de kinderdoop, een sterk accent op de individuele bekering en een huiver de zending te betrekken op allerlei sociale en maatschappelijke noden.

Nu moeten we een paar dingen bedenken: Ook de kerkelijke zendingen zijn vaak ontstaan door de pioniersarbeid van hen die in geloof de roepstem van Christus volgden en uitgingen naar de vreemde. En ook kerkelijke zendingsarbeid kan alleen maar in geloof gedaan worden. Omgekeerd is het palet van de geloofszendingen erg bont. Er zijn er die op medisch en sociaal terrein heel veel doen. Er zijn er ook die wel degelijk vanuit de bestaande kerken willen werken. De vraag die nogal eens aan de orde komt, is wat te doen als in een bepaalde gemeente een geloofszending via een thuisfrontcommissie of via bevlogen gemeenteleden aanklopt bij de kerkelijke organen: Steunen of niet? In het Hervormd Weekblad van 12 juni schrijft ds. A. de Haan dat we vooral niet moeten generaliseren:

'Bij de Evangelische Zendings Alliantie zijn meer dan 50 zendingen aangesloten. Zoals vroeger bij de zendingscorporaties is hier sprake van een bonte familie met allerlei verschillen en achtergronden.

Ik denk dat ik mag zeggen dat er mede door het Guntersteinberaad — de ridderhofstad in Breukelen, waar kerkelijke en geloofszendingen elkaar regelmatig ontmoeten — veel meer kennis van elkaar en daardoor ook veel, meer begrip voor elkaar ontstaan is.

Toen ik in het begin van de zestiger jaren secretaris binnenland van de Nederlandse Zendings Raad was, zijn prof. Verkuyl en ik begonnen met contacten leggen met de geloofszendingen. Na een onderbreking hebben de Wilde Ganzen de draad weer opgepakt.'

De kerkelijke zending loopt volgens De Haan altijd weer gevaar teveel instituut te worden. Geloofszendingen herinneren ons aan de dynamiek en de beweging die de zending moet kenmerken. Er is gelukkig op allerlei wijze toenadering. Over verschillen dient open en eerlijk gesproken te worden. Wat moet een kerkeraad nu doen bij een concrete aanvraag:

'Meer dan eens komt het immers voor dat iemand in een gemeente uitgaat in dienst van een geloofszending en de kerkeraad voor de vraag komt te staan hoe de houding moet zijn. Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden dat het m.i. in elk geval noodzakelijk is dat men zich grondig in de achtergrondsvragen, opleiding, wijze waarop de zending gestalte krijgt, vormen van samenwerking, houding tegenover kerken waarmee wij als Ned. Herv. Kerk al verbonden zijn enz. verdiept. Daarnaast denk ik dat van elke kerkeraad een pastorale en hartelijke begeleiding mag worden verwacht. Mogelijk een bepaalde vorm van afscheidsdienst. Misschien ook wel eens een geldelijke ondersteuning. Nauwkeurige richtlijnen zijn niet te geven. In elk geval mag er vreugde zijn wanneer iemand alles achter zich laat om elders de Heer te dienen. Maar, daarbij behoeven we ons verstand niet op stal te zetten.

Onverminderd blijft gelden dat onze eerste liefde op dit gebied is het zendingswerk waarvoor onze eigen kerk verantwoordelijkheid draagt. Van ons wordt gevraagd om dat werk kritisch liefdevol, financieel, vooral biddend te begeleiden.'

Ik denk, dat er veel pleit voor deze aanpak. Al te dikwijls wordt er in een sfeer van concurrentie over gesproken. Dat is in strijd met de opdracht van Christus. Het is niet juist als geloofszendingen zonder ordentelijk overleg 'neerstrijken' in een gemeente en daar soms voor verwarring zorgen. Omgekeerd mogen we bedenken dat we juist van de bewogenheid, de inzet en het geloof van vele vertegenwoordigers van geloofszendingen kunnen leren. We mogen Geest en instituut niet tegen elkaar uitspelen. Maar we mogen ook niet de Geest tot gevangene van het instituut maken. De geschiedenis van Eldad en Medad blijft in dit opzicht een baken in zee. Hoe meer de gemeente geloofs- en gebedsgemeenschap is, hoe meer dat ook de zendingsopdracht ten goede zal komen. Laten we in een gehoorzaam luisteren naar de Schrift elkaar zoeken in wat verenigt. De nood van een ontkerstende geseculariseerde wereld en de onvoltooide taak van de wereldzending mogen ons dringen tot gezamenlijk gebed en tot gezamenlijke aktie. Een positieve benadering van de kant van de reformatorische kerken biedt ook mogelijkheden om datgene wat ons juist als reformatorische kerken veel waard is in zo'n gesprek in te brengen. Ik denk aan de bijbelse verbondsprediking en de verbondenheid van woord en daad vanuit een theocratisch belijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's