Cyprianus over Christus' ene Kerk
Onder de reformatorische christenen vindt men over het algemeen veel liefde voor de kerk. Toch waren het niet de reformatorische christenen die als eerste kerkelijk dachten en de kerk liefhadden. Al in de Oude Kerk waren er zulke christenen. De kerkvader Cyprianus heeft er in elk geval toe behoord.
Liefde voor de kerk
Met welk een enthousiasme en warmte heeft hij geschreven over de kerk en in het bijzonder over haar eenheid. Al was de kerk in zijn tijd nog een verdrukte en vervolgde, zij wist wat Zij waard was. Zij was zich bewust van haar snelle verbreiding, van de opgang die zij maakte onder de volken. Toen Cyprianus bisschop was, was het nog maar ongeveer een halve eeuw, en dan zou de kerk de haar toekomende eer ontvangen, dan zou zij zelfs een bevoorrechte worden. Constantijn, de eerste christenkeizer zou haar tot 'staatskerk' maken. Al bij Cyprianus zien wij de eerste contouren van deze toekomstige glorie.
In zijn boek Over de eenheid van de Katholieke Kerk heeft Cyprianus ettelijke beelden gebruikt om zijn kerk-bewustzijn tot uitdrukking te brengen; en in al die beelden zit iets triomfantelijks. Ik noem enkele van die beelden. De kerk gelijkt op de zon, zij is vervuld met een hemels licht, en zij zendt haar stralen uit over de hele wereld. Zij is als een boom die vele takken heeft, die zich wijd verbreiden. Zij is als een bron waaruit talloze beken vloeien die de aarde bevochtigen.
De eenheid van de kerk
De grootste nadruk is door Cyprianus echter gelegd op de eenheid van de kerk. Hoevele lichtstralen er ook zijn, zij komen van één zon. Hoevele takken er ook zijn, het zijn takken van één boom. Hoevele beken er ook zijn, zij vloeien allen voort uit één bron. Cyprianus citeert Hooglied 6 : 9 'Een enige is mijn duive, mijn volmaakte...' en hij betrekt deze woorden op de kerk. Het woord 'duif' geeft hem overigens aanleiding om nog wat meer van de kerk te zeggen. Een duif is een vreedzaam dier; zo is ook de kerk vreedzaam. Cyprianus neemt over de antieke opvatting dat een duif een dier zonder 'gal' zou zijn; hij zegt: zij is een dier zonder bittere gal, en ook dat betrekt Cyprianus op de kerk. Maar er is nog meer. Duiven zijn gesteld op de huizen der mensen; zij broeden samen in de broedtijd hun jongen uit; wanneer zij uitvliegen blijven zij op de vlucht bij elkaar; in nauwe onderlinge verbondenheid brengen zij hun levensdagen door; minnekozend betonen zij elkaar vredelievende eendracht. In de duiven moeten wij een beeld van de kerk zien. Cyprianus gebruikt nog een beeld. De kerk is Christus' ongedeelde rok. Christus droeg tijdens zijn leven op aarde een rok zonder naad, uit één stuk geweven. Die rok is ook niet gescheurd. De soldaten aan de voet van Jezus' kruis lieten haar ongeschonden, hebben haar als één geheel verloot. En zo is nu, zegt Cyprianus, ook de kerk.
Scheurmakers
Zijn er dan geen scheurmakers? Zeker wel, heel Cyprianus' boek is juist tegen hen gericht. Maar zelfs scheurmakers kunnen toch de eenheid van de kerk niet breken. Dat is de spanning die er zit in Cyprianus' kerkbegrip: De kerk wordt door de ketters en scheurmakers gescheurd en kan toch niet gescheurd worden, zij blijft Christus' ongedeelde rok. Wat die scheurmakers betreft: Cyprianus had een zeer concrete groep voor ogen. Nadat in Rome zelf onder leiding van Novatianus zich een tegenkerk had gevormd, dus een afgescheiden kerk, had zich hetzelfde ook te Carthago voorgedaan. Deze afgescheidenen, Novatianen geheten, hadden een eigen bisschop gekozen, hadden eigen priesters, eigen samenkomsten en eigen sacramentsbedieningen. Het eigenlijke punt van verschil met de Katholieke Kerk was de mate waarin de tucht moest worden uitgeoefend ten aanzien van degenen die in de vervolgingen van het geloof afvallig waren geworden en daarna toch weer in de kerk wensten te worden opgenomen. Cyprianus is in zijn boek fel tegen hen van leer getrokken. Het merkwaardige is dat hij het eigenlijke punt van verschil met geen woord heeft aangeroerd. Hij legde zich niet vast op dat ene punt. Hij bekeek de zaak breed principieel. Elke afscheiding, om welke reden ook, keurde hij af. En hij heeft dat gedaan in niet mis te verstane bewoordingen. Vooral de leiders heeft hij aangepakt. Dit zijn de lieden, zegt hij, die naar hun eigen believen, buiten de orde Gods, zich opwerpen tot leiders in de samenkomsten, en die zichzelf bisschoppen kiezen zonder enige wettige ordinatie (wijding), terwijl niemand hen het episcopaat verleend heeft. Zij zijn meesters in het verdraaien van de waarheid. Hun geschriften zijn vol vergif. Zij zijn de valse profeten over wie gesproken wordt in Jeremia 23. Zij matigen zich aan het dopen van kinderen, maar brengen dan duivelskinderen ter wereld, niet kinderen Gods. De genade Gods verspelen zij.
Ketterij
Opmerkelijk is dat door Cyprianus geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen scheuring en ketterij. Afgescheidenen zijn voor hem per definitie ketters. Ieder die buiten de Katholieke Kerk staat is een scheurmaker, een ketter en gaat verloren. In dit verband zijn dan door Cyprianus de woorden gebruikt die beroemd geworden zijn en die ook door Calvijn in zijn Institutie zijn overgenomen, te weten: Men kan God niet tot Vader hebben als men de kerk niet tot moeder heeft! Buiten de kerk is geen enkel heil. Cyprianus zegt: Wie de kerk verlaat is een vreemde, een onheilige, een vijand. Wie zich van haar afscheidt, scheidt zich af van de bruid van Christus en pleegt daardoor ontucht. Hij stelt zich daardoor buiten de beloften die God aan zijn kerk gegeven heeft. Hij verkeert buiten de ark en buiten de ark is alleen dood en verderf. Afgescheidenen zijn het kaf dat wegstuift voor de wind, terwijl de tarwe overblijft. Zoals een afgesneden tak op zichzelf niet kan blijven leven, maar verdort, en zoals een beek die afgesneden wordt van de bron verdroogt, zo is ook een christen die de kerk verlaat of één die zich van haar afscheidt en zich voegt tot een gemeenschap buiten de kerk.
Mattheus 18 : 20
Nu zou men kunnen zeggen, en dat werd ook gezegd, dat naar Christus' eigen woorden Hijzelf in het midden is van zelfs maar twee of drie mensen die in zijn naam vergaderen. Mattheus 18 : 20. Kunnen deze woorden niet dienen ter verdediging van hen die zich hebben afgezonderd van de kerk en in eigen samenkomsten geloofsgemeenschap oefenen? Niet alleen de afgescheidenen in Carthago hebben zich op deze woorden van Christus beroepen; wij komen dat verschijnsel ook later in de kerkgeschiedenis tegen, onder andere bij de piëtisten, mannen als Spener in Duitsland, tot verdediging van hun 'conventikels'. Cyprianus heeft hen van repliek gediend. Deze woorden van Christus, zegt hij, worden door de afgescheidenen verkeerd uitgelegd. Christus sprak tot zijn kerk. Op het grote getal komt het niet aan, dat is waar, maar: binnen de kerk! Men zal Christus' woorden moeten verstaan binnen het verband waarin zij staan. Even tevoren heeft Christus vermaand tot liefde en eendracht, en juist daartegen wordt gezondigd door degenen die zich van de kerk afscheiden. Christus heeft zijn woord over het vergaderd zijn in zijn Naam gesproken in het verband van het bidden. Eraan voorafgaat: 'Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren'. Ik zeg u: het zal hun geschieden (vs 19). Voor het ware gebed moet er 'samenstemming' zijn, eenheid en liefde. En die moet men zoeken binnen de kerk!
Conventikels
Zo heeft Cyprianus afgewezen alle afscheiding van de kerk, alle conventikels — hijzelf gebruikt dat woord (cap. 12). Het kwaad van de schisma's, afscheidingen, zegt hij, was er allang, maar het heeft thans verontrustende vormen aangenomen; het begint zich steeds meer te openbaren (cap. 16). Het is trouwens ook voorzegd. Heden gaat in vervulling wat wij lezen in 2 Timotheus 3. Laat ons, broeders, dit kwaad niet in verwarring brengen en verontrusten; het behoort tot de tekenen der tijden.
Het ambt
Zich afscheiden van de kerk betekende voor Cyprianus ook zich afscheiden van de ambten der kerk. Wij hebben al eerder geconstateerd dat Cyprianus een hoge opvatting had met name van het bisschopsambt. Bisschop stellen tegenover bisschop, altaar tegenover altaar, offer tegenover offer, doop tegenover doop, dat vond hij heiligschennis. Dat vergeleek hij met de oproer van Korach, Dathan en Abiram, die rebelleerden tegen Mozes en Aaron (cap. 18). Cyprianus vond dat gewoon een misdaad. Nog erger zelfs dan de misdaad van de verloochening van het christelijke geloof in tijden van vervolging. De lapsi, afvalligen, zoeken daarna weer de gemeenschap der kerk en doen boete, maar de ketters en de schismatici, de afgescheidenen, leven in haat tegen de kerk. De lapsi kunnen nog behouden worden, maar ketters en schismatici niet.
Petrus
Wat het ambt betreft: Cyprianus ziet het ambt rusten in de Petrusfiguur. Tot hem zei Christus: op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen! Met hem is het ambt in de kerk begonnen. ln hem ligt de eenheid van het ambt. Toch: Petrus was niet de enige. De andere apostelen hebben van Christus dezelfde eer en dezelfde macht (potestas) ontvangen. Cyprianus verwijst voor dit laatste naar Joh. 20 : 21-23. Het is duidelijk dat er bij Cyprianus dus voor een paus te Rome geen plaats is geweest. In eer en macht — ja ook in macht — staan alle bisschoppen gelijk. In Petrus ligt alleen het begin, de oorsprong!
Rome
Al deze gedachten van Cyprianus zijn in de loop van de kerkgeschiedenis zeer vruchtbaar gebleken. Voor een deel zijn zij door het pausdom uitgebuit. Buiten de kerk geen zaligheid, dat ging men invullen als volgt: Buiten de kerk van Rome geen zaligheid. Elke afscheiding van de kerk van Rome ging men zien als ketterij. Alleen Cyprianus' idee van het gelijke recht en de gelijke macht van alle bisschoppen is door het pausdom nimmer overgenomen, integendeel juist afgewezen.
Cyprianus en Calvijn
Wij constateerden al dat ook door Calvijn, in boek IV van zijn Institutie, waar hij het heeft over de kerk, op Cyprianus is teruggegrepen. Maar op een heel andere wijze dan door het pausdom is gedaan. Buiten de kerk is geen zaligheid, en wie de kerk niet tot moeder heeft kan God niet tot Vader hebben, dat zei ook Calvijn, maar hij dacht daarbij minder institutair dan Cyprianus. Calvijn dacht geestelijker, ging uit van de Kerk die beleden wordt in het Apostolicum. Niet de binding aan een episcopaat, als bij Cyprianus, is hem het kenmerk van de ware kerk, maar het zich houden aan de zuivere leer van het Evangehe. Wij zullen heden niet meer over alle afscheidingen kunnen spreken in de termen van Cyprianus. Toch mag zijn klemmend betoog voor de eenheid der kerk ons niet onverschilHgzijn. Hoevele afscheidingen zijn niet onnodig geweest! Het is geen kleinigheid om kerk tegenover kerk te stellen, sacrament tegenover sacrament. Cyprianus' spreken over Christus' ongedeelde rok als symbool van de kerk lijkt ons het plegen van een 'vergeestelijking', maar de zin ervan kunnen wij delen: Christus' rok mag niet worden gescheurd. Het scheuren van de kerk is zonde. Cyprianus' liefde voor de kerk heeft Calvijn gedeeld. Hij heeft van deze kerkvader geleerd. Ook Calvijn ging de eenheid der kerk zeer ter harte. Hij sprak over de kerk en daarin volgde hij Cyprianus na, als 'moeder' en hij verbond het moederschap van de kerk met het vaderschap Gods. Met onze houding ten aanzien van de kerk is regelrecht gemoeid ons al of niet kindzijn van God. Zo heeft Cyprianus' betoog, via de reformatorische zuivering ervan door Calvijn, ook voor ons nog betekenis. Ik eindig dit artikel met de klacht die Cyprianus aan het einde van zijn boek heeft laten horen en met de vermaning die hij eraan toevoegde. Zijn klacht was: Ach, waar is de eensgezindheid! En zijn vermaning was: Laten wij elkaar aanvuren, waakzaam zijn en zo de komst des Heeren verwachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1986
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's