De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrijheid van een christen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrijheid van een christen

11 minuten leestijd

Met vaste regelmaat ontvangen we brieven uit de lezerskring, waarin gevraagd wordt aandacht te geven aan bepaalde zaken, die wel worden aangeduid met het woord 'adiafora'. Het gaat dan om — zoals Van Dale het omschrijft — 'gedragingen, die zedelijk onverschillig zijn', of om 'zaken die geen aanleiding hoeven te geven tot confessionele geschillen.'

Het probleem zit echter in de vraag wat dan wel die 'adiafora' zijn. Want wat voor de één geen aanleiding is tot confessionele geschillen is het voor de ander wel. Wat voor de één bijzaak is is voor de ander hoofdzaak , mede bepalend voor de identiteit. Het gaat dan om zaken als kleding (vooral van meisjes), gedragingen, het al of niet bezitten van t.v., het 'met gedekten hoofde' van meisjes en vrouwen in de eredienst, wat men 's zondags wél of niét mag doen, ritmisch zingen in de eredienst, spelling van de naam Heere (of Here) en zo zouden heel wat meer dingen te noemen zijn. Juist het feit dat over deze 'zedelijk onverschillige zaken' verschil van inzicht bestaat is aanleiding voor briefschrijvers om de vraag te stellen erover te (laten) schrijven. Soms is aanleiding dat mensen van de ene gemeente naar de andere verhuizen, waar bepaalde zaken heel anders liggen of functioneren dan in de gemeente waaruit men kwam. Van bepaalde punten wordt daar veel méér of veel minder een punt gemaakt. En wat zegt de Bijbel dan daarover?

Niet zelden weten lezers dan zélf al wel hoe er over geschreven moet worden. Geconstateerd moet dan ook worden dat adiafora in vele gevallen helemaal geen adiafora zijn. Mensen worden erop beoordeeld, soms ook om ver-oordeeld. In bepaalde organisaties of gemeenschappen — bijvoorbeeld op scholen — spelen deze zaken een zodanig belangrijke rol dat het vrijwel onmogelijk is om buiten het geijkte gedragspatroon te gaan. De adiafora worden dan tot principia, op grond waarvan — in uiterste gevallen — zelfs beoordeeld wordt of iemand al of niet een kind des Heeren is of — als daarover niet gesproken wordt — of men wel zuiver op de graat is.

Staan in de vrijheid?

Nu wordt in gevallen als hier bedoeld vaak het woord aangehaald, dat een christen staat in de vrijheid waarmee Christus hem vrijgemaakt heeft. In eerste instantie moet dan echter dunkt me gezegd worden dat het aanhalen van deze Schriftplaats in dit verband een misvatting is. Want in dit Schriftwoord gaat het om zaken, die dieper reiken dan de vraag wat de christen gepermitteerd is met een beroep op diens vrijheid. Er staat tenslotte niet voor niets dat het vrijheid is, waarmee Christus ons vrij maakt. Hier gaat het om geestelijke vrijheid, die niemand binden kan. Men kan een christen lichamelijk binden, in zijn vrijheid van gaan en staan beperken, maar de geest kan men niet binden. De geestelijke vrijheid trotseert brandstapels, gevangenissen, folteringen, discriminatie. Calvijn zegt bij deze tekst, dat het er niet om gaat wat men al of niet mag doen maar wat men niet mag (kan) nalaten, omdat het ten nauwste met de zaligheid verbonden is. De beek van deze vrijheid vloeit uit 'een dieper fontein' omdat Christus tot een vloek is geworden om mensen van de vloek der wet te verlossen.

Geestelijke vrijheid is een groot goed, is een grote genade. Nu is geestelijke vrijheid een verschijnsel, dat in de brede mensenwereld voorkomt, ook in andere religies. Toen ik nadacht en nazocht over dit thema kwam ik nog eens terecht bij een themanummer van het maandblad Wapenveld, dat jaren geleden is uitgebracht onder de titel 'Staan in de vrijheid' (februari/maart 1969). Daarin staat een artikel van dr. S. Gerssen over 'Tot vrijheid geroepen', het woord dat eveneens in Galaten 5 wordt gebezigd (Gal. 5:13). Hij begint dan met de vermelding dat in 1943 een Jood in Amsterdam gedwongen werd in een goederenwagon te stappen op weg naar een vernietigingskamp en toen zei: 'hoor Israël, de Heere is onze God, de Heere is één'. En verder noemt hij de vrijheid van Joden in Bergen-Belsen, die hun schamele rantsoen soep weigerden aan te nemen omdat er een paar snippertjes 'onrein vlees' in dreven. De geestelijke vrijheid is niet te beknotten. Wel de geestelijke bewegingsvrijheid maar niet de geestelijke uitstraling en het leven van de menselijke geest op zich. Zo is het ten diepste met het christenleven, dat gevoed wordt uit de vrijheid die Christus verworven heeft. Het kan en zal beproevingen en vervolgingen doorstaan. Zulke vrijheid is vrijheid des Geestes.

Vrijheid naar buiten

Toch is dit maar één kant van de zaak. Vrijheid is een innerlijke grondhouding. Vrijheid heeft ook een uiterlijke kant. En dan gaat het er ook om hoe 'vrij' we mogen en kunnen zijn in het leven van elke dag. Want we zijn in feite ook aan anderen gebonden, of we het weten willen of niet. Onze vrijheid wordt altijd beperkt door de cultuur waarin we leven, het milieu, waaruit we stammen, het gezin waarin we vertoeven, de kerk waartoe we behoren, kortom de verbanden om ons heen, waarin we met anderen leven moeten. En in die leefverbanden spelen dan zeker een belangrijke rol die genoemde adiafora, de dingen die wel niet van doorslaggevende betekenis zijn in confessioneel opzicht en dus niet bepalend zijn voor onze zaligheid maar die in het leven van elke dag toch terugkomen.

Worden de dingen van het tweede plan, de bijzaken, echter hoofdzaken, zodat ze wél in verband worden gebracht met onze directe verhouding tot God dan komen de dingen anders te liggen. Het kan nodig zijn om dingen te doen of te laten terwille van de ander of de gemeenschap. Opdat de broeder zich niet ergere. Maar zodra het onderhouden of nalaten van dingen, waarover de Schrift niet rechtstreeks spreekt, een wet wordt dan wordt de christelijke vrijheid ingeperkt. Dan gaat immers de zaligheid, waarmee de vrijheid in Christus zo nauw verbonden wordt in de Galatenbrief, bepaald worden door het onderhouden van inzettingen van mensen.

Dat er in dit opzicht sprake kan zijn van gebondenheid is duidelijk. Tradities en gewoonten kunnen zo dwingend worden dat ze als een keurslijf gaan werken en ook communicatie tussen verschillende groeperingen, die in geloof en belijden in feite één zijn, kunnen belemmeren. Ze kunnen zelfs in hoge mate twijfel zaaien als ze met de 'zaligheid' verbonden worden.

Een meisje vertelde mij eens dat ze van een reformatorische school naar een evangelische (bijbel)school overging. Op de eerste school mocht ze geen lange broek dragen en was er bij (een deel van) de schoolbevolking — bij leraren en leerlingen — de gedachte dat een meisje, dat in lange broek liep, geen christen kon zijn. Op de evangelische school mocht ze wél een lange broek dragen, maar daar mocht weer niet gerookt worden, door jongens niet en door meisjes niet. En daar was het al of niet roken een kenmerk voor de christelijke levenswandel, terwijl daar op de vorige school nooit over gesproken werd, althans niet over het roken van jongens.

Een ander voorbeeld is de spellingswijze van de naam Heere (of Here). In toenemende mate is daarvan een 'probleem' gemaakt. De Schrift zelf maakt onderscheid tussen JHWH (HEERE) en Adonai (Heere). Maar de spellingswijze op zich is een kwestie van vertaling. Zodra de Naam in het Duits of Engels wordt vertaald treedt het probleem van het aantal klinkers niet op. Voor sommigen is het echter bijna majesteitsschennis wanneer de Naam met één é wordt gespeld.

Ik moet in dit verband denken aanwat wijlen ds. G. Boer eens schreef in zijn kerkblad, toen hij een bevriend predikant voor zich liet preken van andere modaliteit, die gewoon was Heer te zeggen. Ds. Boer schreef toen: gemeente, die dominee zegt wel Heer, maar het is wel Dezelfde hoor.

We hebben bij dit alles bovendien te bedenken dat dingen die vandaag 'shibbolets' zijn het soms morgen niét meer zijn. Dezer dagen las ik dat ds. L. H. Kwast — de bekende gereformeerde predikant (en publicist) in Friesland — in een interviewbundel zegt dat zijn ouders vroeger van de Christelijke Gereformeerde Kerken naar de Gereformeerde Kerken zijn overgegaan vanwege het feit dat het niet toegestaan was met de auto naar de kerk te komen. Wat is in dit opzicht alleen al de situatie in alle kerken grondig veranderd! Er werd vroeger een punt van gemaakt en vandaag niet meer. Maar zo zijn er vandaag weer andere kwesties — behorende tot de 'bijzaken' — waarom mensen van kerk veranderen.

Vrijheid en liefde

Er is een bekende uitdrukking, die zegt: in noodzakelijke dingen eenheid, in niet-noodzakelijke dingen vrijheid, in alle dingen liefde. Er zijn dingen, die niet belangrijk zijn voor de zaligheid en waaraan toch wordt gehecht in bepaalde verbanden. Ze zijn niet doorslaggevend en toch...

Vrijheid en liefde hangen samen. Men kan met een beroep op de christelijke vrijheid ook 'uitdagend' worden naar eigen omgeving toe, door bewust af te wijken van een gangbaar patroon in de gemeente. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat vrouwen van de kwestie al of niet met gedekten hoofde zo'n punt maken dat ze in reactie op wat gebruikelijk is, tot aan de avondmaalstafel toe, bewust zonder hoofddeksel komen. Dat is dan geen zaak van christelijke vrijheid maar dan wordt de lust om af te wijken van het gangbare tot een eigen wet.

Het kan voorkomen dat mensen altijd maar weer hekelen bepaalde 'bekrompenheden' in de gemeente, tot uitdrukking komend in leefregels, gedachtenpatronen, vormen en gewoonten waarmee ze het niet eens zijn, terwijl men niet in de gaten heeft dat men zelf in eenzelfde gedachtenpatroon gevangen zit, omdat men zelf een dwang heeft tot het afwijkende. Dan worden van de bijzaken op dezelfde wijze hoofdzaken gemaakt. Een geest van vernieuwing krijgt dan een eveneens wettisch karakter.

1 Cor. 10

In 1 Cor. 10 wordt gesproken over de christelijke vrijheid in de zin van het zich naar buiten toe gedragen. Gesproken wordt dan over het eten van vlees, dat aan de afgoden geofferd is. 'Als iemand zegt: dat is afgodenoffer, eet het niet, om desgenen wil die u dat te kennen gegeven heeft en om des gewetens wil'. Het voorbeeld van het eten van offervlees kan natuurlijk naar tal van 'adiafora' worden uitgebreid. En dan schrijft Paulus: 'Doch ik zeg: om het geweten niet van uzelf, maar van de ander, want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?'

Zo op de klank af lijkt het alsof de apostel zeggen wil: ik ben aan mijn eigen geweten gebonden en niet aan dat van de ander. Toch is dat niet juist want het staat juist in het kader van het niet eten als een ander dat bezwaarlijk acht.

Calvijn spreekt dan ook tweeledig over dit Schriftgedeelte. Enerzijds zegt hij daarvan dat we soms aan de 'zwakke consciëntie van de broeder moeten toegeven', opdat wij ons recht niet gebruiken door hem te ergeren: 'maar intussen blijft uw conciëntie desalniettemin ongebonden, want zij is vrij van zulke onderworpenheid'. Een ander zal dus nooit heersen over mijn geweten.

Maar anderzijds zegt Calvijn dat Paulus hier bedoelt dat 'als wij onze vrijheid tot des naasten ergernis gebruiken' we door (vanwege) het geweten van de ander geoordeeld zullen worden; Calvijn gebruikt dan zelfs het woord ver-oordeeld. Misbruik van de vrijheid schendt die vrijheid. Hoewel alle dingen de christen geoorloofd zijn stichten alle dingen niet (vers 23). Het geoorloofde kan zo tot iets ongeoorloofds worden, namelijk wanneer het misbruikt wordt. En Calvijn past dit dan toe op hen die 'willens oorzaak tot ergernis geven'.

Het luistert hier in de gemeente Gods nauw. We kunnen door allerlei bepalingen en verordeningen, zowel door krampachtig vast houden aan het oude als door permanente drang tot vernieuwing, onder een nieuwe wet komen, die onze vrijheid in Christus inperkt. Christelijke vrijheid is dan niet verbonden met christelijke liefde.

We zeggen wel eens dat we het nooit ieder naar de zin kunnen maken. Er zullen altijd 'kritikasters' zijn, die overal wat op aan te merken hebben en die in alles afwijking van het beginsel zien. Maar ook in de zogeheten 'adiafora' gaat het erom dat de dingen zuiver blijven. De gewetens mogen niet gebonden worden door over deze te heersen. Maar er is evengoed het levensgrote gevaar van het geven van ergernis door uitdagend af te wijken van wat in de gemeente goede normen en vormen zijn.

In alle dingen: liefde.

In alle dingen geldt intussen dat een Schriftberoep gevraagd mag en moet worden. En wat dan de erdedienst betreft: nadruk op goede stijl is bepaald wel een zaak waartoe de Schrift ons oproept.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De vrijheid van een christen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's