De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Deze rubriek levert altijd weer, ook tot vreugde en lering van samensteller dezes, een levendige correspondentie uit en met de lezerskring op. Zo reageerde een predikant-lezer op het stukje over Abraham Kuyper en Pietje Baltus in Beesd en reikte aan een stukje uit de oudejaarsbijlage van het RD, uit een interview met dr. J. Riemens te Zeist, die toen 97 jaar was en Kuyper goed had gekend. Hier volgt de passage:

'... Riemens moe(s)t niet zoveel hebben van Kuyper, wiens grote kennis hij bewonderde, maar wiens theologiseren en meer nog zijn persoonlijk optreden hem weinig reden gaven tot bewondering. Dr Riemens wijst er trouwens op, dat er in eigen kring ook nogal wat verzet tegen Kuyper was. In Beesd brak de Doleantie nooit goed door, zo heet het, omdat Kuyper later zich niet meer zou hebben aangetrokken van het armelijke bestaan van Pietje Baltus, de vrouw die middelijkerwijze de weg was voor Kuypers ommekeer naar de orthodoxie toe.'

***

Uit De stem in de woestijn het volgende stukje over 'prediken over het gericht'.

'Niets is eenvoudiger en tegelijk moeilijker dan te prediken over het naderend gericht. Als predikers kunnen wij gemakkelijk mensen naar de eeuwige verdoemenis verwijzen en wij kunnen dit misschien zonder een zweem van liefde en mededogen doen. Maar het is uiterst moeilijk met een hart vol medelijden gericht aan te zeggen. Murray McCheyne vroeg eens aan een jonge predikant waarover deze de zondag tevoren had gepreekt. De jongeman antwoordde bereidwillig: "Dat de goddelozen omkeren naar het dodenrijk" (psalm 9:18). McCheyne antwoordde: "Broeder, hebt u onder tranen gepreekt?"

***

Generaal William Booth van het Leger des Heils heeft gezegd: "Er is een dwaalgeloof in omloop, dat slechts vriendelijke, zachte, liefdevolle overreding in overeenstemming is met het Nieuwe Testament. In geen ander tijdsgewricht van de wereldgeschiedenis waren koelbloedige, resolute christenen meer nodig dan vandaag. Komt naar voren, gij mannen Gods van ijzer en staal en tegelijk met een groot hart vol liefde van Jezus, maar ook vol goddelijke toorn jegens alle ongerechtigheid. Dit tijdperk heeft behoefte aan mannen als Jeremia, die de waarheid zeggen, de gehele waarheid, ook als zij niet in dank wordt afgenomen; of het gevangenisstraf betekent of niet; of men door het slijk gehaald wordt of niet. Gods gericht moet worden aangekondigd, Gods waarheid onverbloemd en onopgesmukt worden verkondigd aan allen wie het aangaat; zowel aan het koninklijke hof en in de villa 's der rijken als in de hutten der armen". Gezocht: mensen als Jeremia!'

***

Bij Thomas Rap in Brussel verscheen een uiterst interessant boek, waarin Martin van Amerongen onder de titel 'Over de doden niets dan goeds' in-memoriams bijeen bracht over kleurrijke politici in het verleden, soms geschreven door mensen, die niet hun geestverwanten waren. Zo is in deze bundel opgenomen een stuk over prof. P. S. Gerbrandy (minister-president in ballingschap te Londen in de 2e Wereldoorlog) geschreven door de jood, tevens socialist, Meijer Sluyser in Vrij Nederland (16 sept. 1961). Uit dit stuk de volgende passage, waarin de snedige humor van Gerbrandy tot uitdrukking komt.

Wie zoals velen, het voorrecht heeft gehad voor prof. Gerbrandy in die moeilijke jaren te mogen werken, zal zijn hele leven met grote genegenheid aan deze kleine grote Geus blijven denken. Zijn kamer was de toevlucht voor velen, die graag wilden "bijpraten!" en hij hunkerde naar menselijk contact, naar gezelligheid, naar een gezin om hem heen en een vrouw, die eten ronddeelt als iedereen aan tafel zit en er gebeden is. Toen hij later van zijn vriend Lord Nathan diens bungalow in Essenden te leen kreeg, nodigde hij om beurten mensen uit een gezellig weekendje bij hem te logeren. Het gerieflijke huisje in de bossen. Zijn chauffeur, die hij gedurende de zondag niet van zijn gezinsleven wilde beroven — daarom had de minister-president zelf leren chaufferen — (Het was geen doorslaand succes.). De butler, die als houten klaas bij de maaltijd bleef staan. De vrouw van de butler, die alleen maar in Engelse trant kon koken...

Zijn gasten "deden iets terug". Dan kwam de minister-president bij zijn ambtenaren logeren. Wat hij graag wilde eten? Gebakken bokking, ("en kan ik het recept krijgen voor de vrouw van de butler")..

Toen ik eens een keer bij Hamburger in Old Comptonstreet Harderwijker bokking had weten te veroveren, ging de minister-president ze in een kamer in 't Brown's Hotel op een krant zitten eten. Hij noemde ze niet Harderwijkers, maar "Lemster bokking". Fryslan boppe. Op een keer moest de kleine Willy Gillies met prof. Gerbrandy spreken. Willy was internationaal secretaris van de Labour Party. ''Kom maar eens een middag met hem eten." Na de maaltijd nam prof. Gerbrandy me apart: "Zeg, dit was een zeer aardige maaltijd, weet je waarom? Die Gillies is nog kleiner van stuk dan ik."

Af en toe kreeg hij via een geheime weg, die over Lissabon liep, een brief van zijn vrouw. Op een keer zei hij met die glundere oogjes van hem, waarin de binnenpretjes vonkten: "Zeg, mijn vrouw schrijft dat ze me in Holland de Walrus noemen, begrijp jij waarom eigenlijk?''

Hij en Van den Tempel waren de onverschrokkenheid zelf tijdens de bombardementen. Vanden Tempel bleef in zijn flatje en Hans Crescent; voor hem geen schuilkelders. En prof Gerbrandy was tijdens de bombardementen strijk en zet zoek. Ik heb hem eens tijdens een bombardement op Piccadilly gevonden, in zijn kamerjas en op pantoffeltjes. Kijken!

Zijn humor was vaak schurend als een rasp. Hij kon mensen karakteriseren met één woord, één zinnetje. Zijn secretaris, de zeer bekwame dr. Piet Kasteel, was een fervent verdediger van het rooms-katholieke geloof. Hém noemde Gerbrandy: "Chateau Neuf du Pape..."

Van Kleffens' steriel beleid karakteriseerde hij: ''Zeer intelligent, maar hij brengt geen levende jongen ter wereld".

In een rede op koninginnedag zei hij: "Nederland is niet koningsgezind, maar Oranjegezind".

Tegen mij: ''Sluyser, bij een betere leiding zou jij misschien een goede antirevolutionair zijn geworden". Over minister Van den Tempel: "Een merkwaardige man. Hij zei gisteren tegen me: het ergste wat me in dit leven kan overkomen is, dat ik weer huisschilder moet worden".

Mr. Van Heuven Goedhart waardeerde hij uitermate. Alleen als ze het over de toekomst van het koninkrijk hadden, scheurden de zolders en kraakten de muren. "Die Van Heuven Goedhart... hij is het 'zwijn in de synagoge'."(...)'

Het slot van dit in memoriam luidt:

'(...) Toen de bevrijding van het hele land nog maar een paar dagen oud was, heb ik hem opgezocht in de Snelliuslaan in Laren, waar zijn vrouw ondergedoken was geweest.

Hij zei: ' 'Ik ben God innig dankbaar, dat Hare Majesteit zo blank als sneeuw teruggekomen is. Dat is mijn grootste beloning".

Gerbrandy was een Nederlander, ja. Hij was een Fries, ja. Hij was een rebel, een Geus, hij was, na Hare Majesteit, de grootste illegaal, ja, ja, ja! Maar bovenal was hij een calvinist, gemaakt van het eeuwenoude wagenschot. Hij stond in het geloof Hij was hard als een steen, wanneer de verdediging van het eeuwenoude snoer God-Vaderland-Oranje op het spel stond. Hij diende zijn God ootmoedig, maar met een zwaard in de hand.'

De samensteller maakt er intussen nog melding van dat toen Gerbrandy en Meijers Sluyser in Londen in ballingschap waren en Sluyser een radioprogramma maakte onder de titel 'De Watergeus' Gerbrandy vroeg of dat niet te kwetsend zou zijn voor de roomskatholieken. Dan maken we er gewoon 'de wijwatergeus' van, zei Sluyser.

De chef van de NSB stierf in een periode van papierschaarste, zegt Van Amerongen. Maar vóór zijn dood had er in Trouw (19 maart 1943) al een satirisch inmemoriam gestaan van de volgende inhoud.

'Intrigantje, dilettantje, onverstandje, mal geval,
Arrogantje, dwingelandje, kwasterige niemendal.
Nijdig ventje, valsch serpentje, malcontentje, wat een pech!
Hitler kent je en hij zendt je met een zoethoudertje weg.
Hoe je ook likte, minzaam knikte, je verslikte in een snik.
Hitler wikte en beschikte: De Regeering, die blijf Ik.
Zwart-rood schoftje, namaakmofje, och, wat plof je op den grond!
't Was geen bof je, 'n catastrofje, zielig, zoo'n gesla­gen hond!
Stumprig stukje ongelukje, 't meesterstukje was een klucht.
Sullig krukje, nog één rukje en je slaakt je laatste zucht.'

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's