De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Cyprianus over het gebed

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Cyprianus over het gebed

9 minuten leestijd

Vóór mij liggen twee boekjes die beide gaan over 'het Gebed des Heeren', dus het Onze Vader. Het één is geschreven door Tertullianus en het andere door Cyprianus. De r.k. dr. Pieter Steur heeft beide uit het Latijn vertaald in het Nederlands en Desclée de Brouwer, te Brugge, zorgde voor een uitgave (1964). Ze verschenen tezamen, in één bandje. Steur heeft beseft dat ze nauw met elkaar verbonden zijn.

Van Cyprianus' boekje zegt Steur: Velen hebben het gelezen, eeuwen lang, in de ganse westerse christenheid! Steur zal wel gelijk hebben, maar of het nóg veel gelezen wordt lijkt mij de vraag. De secularisatie in alle kerken heeft veel waardevols gewoon weggevaagd. Dat is een reden temeer om een paar gedachten uit Cyprianus' geschrift weer eens naar voren te brengen.

Dankzegging

De kerkvader begint met een dankzegging en lofprijzing. Door zijn eigen Zoon heeft God ons een 'wijze van bidden' geleerd. Zoals er een firmament is boven ons, zo is er door de Heere zelf in het Gebed des Heeren een even vast firmament gelegd onder ons geloof. Christus heeft de woorden die wij bidden moeten in onze mond gelegd. Dus: wat wil men nog meer? Het bidden dat Christus ons leerde is 'een vertrouwelijk gesprek met God'. Wanneer wij tot God naderen in het bidden van het Onze Vader herkent de Vader daarin de stem van zijn Zoon. Met andere woorden: Hij zal ons gewis verhoren!

Hóe bidden

Dan zet Cyprianus uiteen hóe wij moeten bidden. Op dit punt vooral is er tussen hem en Tertullianus een hoge mate van overeenkomst. Bedenk, zegt hij, dat wij staan 'onder het oog van God'. Het besef daarvan moet bepalen onze lichaamshouding, onze gebaren, onze stem. Wij mogen onze gebeden God niet in de oren schreeuwen. Hij hoort het toch wel, al bidden wij zacht. Bij Tertullianus lezen wij in dit verband: Hij hoorde Jona ook in de vis. Cyprianus wijst op Hanna, die om een kind bad; alleen haar lippen zag men bewegen. Let ook op de tollenaar, zegt Cyprianus. Een toonbeeld van bescheidenheid en eerbied. Hij stond in de tempel met neergeslagen ogen.

Naar ik vermoed hebben de heidenen in Cyprianus' dagen heel anders gebeden. Zij wilden, dat is bekend, hun goden dwingen om naar hen te horen. Cyprianus spreekt van een onbeheerst eruit gooien van gebeden; veel woorden, veel geschreeuw. Hij laakt trouwens ook de wijze waarop de Joden baden. Maar christenen geloven dat Gods oor alles hoort evengoed als zijn oog alles ziet. Daarom beval Christus zijn discipelen te bidden in afzondering, en gebruikte Hij het woord 'binnenkamer'.

Onze Vader

Nu het Gebed des Heeren zelf. De Aanhef is al treffend: Onze Vader die in de hemelen zijt. Er staat niet 'mijn' Vader, maar 'onze' Vader. Ik citeer nu Cyprianus: 'Wanneer wij bidden, bidden wij niet voor één mens, maar voor een heel volk. Wij zijn namelijk één als een heel volk. God is de Leermeester der vrede en der eendracht, die ons de eenheid geleerd heeft. Hij heeft gewild dat één voor allen bidt'. In dit citaat komen wij woorden tegen die Cyprianus zeer na aan het hart hebben gelegen. Vrede, eendracht, eenheid. Was hij niet de man die, zoals wij al constateerden in een vorig artikel, een boek schreef over de eenheid der kerk en voor die eenheid heeft geijverd?

Het bidden van het Onze Vader is naar Cyprianus' opvatting niet een louter individuele aangelegenheid. Wij bidden samen met alle heiligen. Wij bidden voor onszelf, maar ook met en voor elkaar. Cyprianus herinnert aan de apostelen, die toen de Geest hen beloofd was en zij Hem verwachtten te Jeruzalem 'eensgezind' baden (Hand. 1 : 14). Zou God zulk een eensgezind bidden niet verhoren? Wat een wonder ook, zegt Cyprianus verder, dat wij God Vader mogen noemen. God is de onze geworden. Door Jezus Christus en door de vergeving der zonden in zijn bloed en door de Geest der wedergeboorte. Maar: adeldom verplicht! Wie een kind van God wil héten, zal ook als een kind van God moeten willen léven. Laten wij het hemelse bedenken en doen, laten wij tempels van God zijn, laat de hemelse Vader in ons wonen!

Gods naam

Uw Naam worde geheiligd... Is Gods Naam dan niet heilig? Gewis; aan zijn heiligheid kunnen wij niets toevoegen evenmin als dat wij er iets van zouden kunnen afdoen. Maar: Gods naam moet worden geheiligd in ons. Daar bidden wij om, dagelijks. Wij hebben een dagelijkse 'heiliging' nodig.

Gods rijk

Uw koninkrijk kome... Hier geldt weer hetzelfde. Gods koninkrijk staat vast, wij kunnen er niets aan toedoen. God regeert, dat was zo en dat zal zo blijven. Toch bidden wij dat Gods rijk zal komen. Wij verlangen dat Christus zal komen, en dat wij dan met Hem zullen mogen regeren. Cyprianus onderstreept dat Gods rijk geestelijk is. Niet een rijk van deze wereld. Wij kunnen er buiten vallen, door ongeloof.

Gods wil

Uw wil geschiede... Bidden of God zijn wil zal doen heeft geen zin, zegt Cyprianus. Maar wij moeten opnieuw denken aan onszelf. Wij doen niet altijd Gods wil, de duivel verhindert het. Daarom bidden wij: Laat uw wil geschieden in ons. Heel concreet: geef dat wij vast zijn in het geloof, recht in al onze daden, barmhartig in onze werken, matig in onze zeden, een afkeer hebben van alle onrecht. God liefhebben, beminnen en vrezen en Christus standvastig beljden. Dat is het doen van de wil des Vaders.

Hemel en aarde

Nu staat er echter: in hemel en op aarde! Aan deze woorden geeft Cyprianus een merkwaardige uitleg. 'Aarde', zegt hij, is ons lichaam, 'hemel' is onze ziel of onze geest. Tussen die beide, door Cyprianus vereenzelvigd met 'vlees' en 'geest', is een gedurige strijd. Gods wil moet geschieden in hemel en op aarde, dus: zowel in ons vlees als in onze geest. Aldus Cyprianus. Op zich heeft hij gelijk, wie zal het ontkennen: Gods wil moet worden gedaan door de héle mens. Maar om nu het woord hemel als geest en het woord aarde als lichaam op te vatten — dat gaat ons te ver.

Ons brood

Geef ons heden ons dagelijks brood... 'Brood' wil Cyprianus allereerst en allermeest geestelijk opvatten. Dan is Christus dat brood, met name Christus in de Eucharistie (Avondmaal). Daarin geeft Hij ons immers zijn lichaam te eten? En staat er niet geschreven: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid blijven (Joh. 6)?

Cyprianus neigt er dus toe om 'brood' niet gewoon broed te laten; hij vergeestelijkt de vierde bede van het Onze Vader. En zo hebben velen na hem gedaan. Steeds betrok men de vierde bede op de Eucharistieviering. Zo kreeg deze bede een apart karakter tijdens de misbediening. Totdat Luther kwam en hiermee brak. In zijn alleroudste geschriften vindt men nog eenzelfde vergeestelijking van het 'brood' in het Onze Vader. Maar weldra zag hij het anders. Brood is gewoon brood, en het omvat zelfs al onze aardse levensbehoeften. Cyprianus heeft trouwens dat nog niet geheel willen uitsluiten. Maar, anders dan de latere hervormers, heeft hij toch niet aan het bidden om het 'dagelijks brood' het volle pond durven geven. Daarvoor was hij te ascetisch en spiritualistisch ingesteld.

Vergeving

Vergeef ons onze schulden... Zo'n bede, aldus Cyprianus, opent ons geweten. Wij zondigen dagelijks en hebben dagelijks vergeving nodig. Laat niemand menen onschuldig te zijn; laat niemand zich verheffen. Om de vergeving der zonden moet gebeden worden. Christus zal zijn belofte houden en ons onze zonden vergeven. Niet zo vaak spreekt Cyprianus over Gods belofte; maar hier toch wel.

Bewaring

Leid ons niet in verzoeking... God zelfverzoekt ons niet, maar de duivel, onder Gods toelating, des te meer. Naarmate onze zonden toenemen krijgt hij meer macht over ons. Maar behalve 'verzoeking' is er ook 'beproeving', en die is ad gloriam, dat wil zeggen tot eer van God.

Bescherming

Verlos ons van den boze... Weer de duivel. Wij smeken, naar Christus bevel, om de bescherming Gods. Hier eindigt voor Cyprianus het Onze Vader. De zgn. doxologie: Want van U is het koninkrijk, enz. ontbreekt bij hem.

Gebedstijden

Het is een kort gebed, zegt hij, maar het bevat alles. Wanneer moet het gebeden worden? Dagelijks. Reeds bij Cyprianus vindt men de 'gebedstijden' vermeld, en reeds bij hem hebben zij een liturgisch karakter. Steeds veronderstelt Cyprianus een staande bidden. 'Wanneer wij nu staan te bidden, geliefde broeders, moeten wij waakzaam zijn en ons met ons hele hart op het gebed toeleggen'. Vleselijke en wereldse gedachten moeten worden uitgebannen. Men mag aan niets anders denken dan aan hetgeen waarom men bidt. Vóór in de kerkdienst het eigenlijke gebed aanvangt, zegt de priester: sursum corda, de harten omhoog. En dan antwoordt het volk: Habemus ad Dominum, wij hebben onze harten bij de Heere. Duld niet, zegt Cyprianus, dat Gods vijand tijdens het gebed tot u nadert. Hij sluipt en wil binnendringen; zodat wij in onze harten iets anders krijgen dan in onze woorden. Dat is de afleiding onder het gebed. En dan de pittige vraag van Cyprianus: 'Hoe vraagt ge door God verhoord te worden, terwijl ge uzelf niet eens hoort?' Zulke bidders waken met de ogen en slapen met het hart; maar het past een christen met het hart te waken, ook al slapen zijn ogen (HgL 5:2).

Waardering

Ziehier een beknopte weergave van Cyprianus' boekje over het Gebed. Bij Luther en Calvijn in later tijd vindt men nog al wat, wat aan dit boekje herinnert. Zij hebben het ongetwijfeld gekend. Zij zullen er ook wel het een en ander aan ontleend hebben. Bij hun interpretatie van de afzonderlijke beden van het Onze Vader komt men gelijke gedachten tegen. Dat de eerste drie beden betrekking hebben op óns, dat vindt men bij hen ook.

Maar zij hebben van Cyprianus niet alles overgenomen. En veel sterker dan Cyprianus hebben zij in het licht gesteld het evangelie-karakter van het Gebed des Heeren. Luther bracht het onder bij Gods belofte. Niettemin geven wij Steur gelijk als hij wijst op het vele goede en fraaie in Cyprianus' en Tertullianus' leer van het gebed. Ik wil eindigen met het inderdaad indrukwekkende slot niet van Cyprianus' maar van Tertullianus' boekje over het gebed met de krachtige oproep aan alle christenen om toch te bidden. Het luidt als volgt: 'Alle engelen bidden, elk schepsel bidt. Het vee bidt, ook de wilde dieren en zij buigen de knieën. Zij komen uit hun stallen en hun holen en richten hun bek niet zo maar naar de hemel; maar op hun manier laten zij hun adem trillen. Ook de vogels die opvliegen, verheffen zich ten hemel, en bij wijze van handen spreiden zij het kruis van hun vleugels uit en zeggen iets dat op een gebed gelijkt. Waarom dus nog meer te zeggen over onze plicht tot bidden? De Heere zelf heeft ook gebeden. Aan Hem zij eer en macht in de eeuwen der eeuwen'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Cyprianus over het gebed

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's