Atheïsme in theorie en praktijk (2)
Karl Marx was een filosoof wiens denken voor zijn lezers vaak duister was. Hij was geen systematicus, wat de toegankelijkheid van zijn werk niet ten goede kwam. Zijn vriend Friedrich Engels, met wie hij onder meer het 'Manifest der kommunistischen Partei' opstelde, vereenvoudigde het denken van Marx en bracht er meer systeem in. 'In het werk van Engels wordt de eerste stap gedaan naar het marxisme als systeem' (Prof. De Graaf). Evenals Marx legt Engels de nadruk op het atheïstisch karakter van het marxisme. 'Het communisme maakt de religie overbodig.' De geschiedenis is een voortgaande beweging van tegengestelde krachten, die echter naar een hoger niveau in de maatschappij voert en ertoe zal leiden dat de onderdrukte arbeidersklasse tot vrijheid komt. Om de godsdienst daarbij te laten verdwijnen is het niet genoeg, dat men haar 'voor een door bedriegers samengeraapte onzin verklaart. Men komt er pas mee klaar, zodra men haar oorsprong en ontwikkeling uit de historische voorwaarden weet te verklaren, waaronder ze tot stand is gekomen en tot heerschappij kwam'. Engels noemde de religie een 'weerspiegeling, waarin de aardse machten de vorm van bovenaardse aannemen'. 'Zodra de mens echter niet meer alleen denkt, maar ook bestuurt, verdwijnt de laatste vreemde macht, die zich nu nog in de godsdienst weerspiegelt en daarmee verdwijnt ook de weerspiegeling zelf om de eenvoudige reden, dat er dan niets meer te weerspiegelen valt.' Zodra dus de wereld hervormd is, zal er geen godsdienst meer zijn, omdat de voorwaarden voor het ontstaan en instandhouden van de religie verdwenen zijn. Evenals Marx spreekt ook Engels zich niet uit voor een direkte vervolging van de religie. Hij waarschuwt er zelf voor, dat de vervolging van de godsdienst tot martelaarschap brengt, wat de levensduur van de religie alleen maar zal verlengen. Toch wordt ook door hem het zaad gezaaid, dat bij Lenin als een bittere haat tegen de godsdienst zal opkomen.
Lenin: Georganiseerd ongeloof
In de geschriften van Lenin wordt de lijn van Marx en Engels doorgetrokken. Hij bracht hun gedachten in praktijk en verscherpte ze in zijn toepassing op de russische maatschappij. Hij is niet alleen de grote architekt van de communistische revolutie, maar ook 'de grootste tegenstander van de godsdienst, die de geschiedenis ooit heeft gekend' (v. d. Bereken). De revolutie, die de wereld zal veranderen, is een taak voor de partij, die daarin het proletariaat leidt en regeert. Om tot een werkelijk nieuwe maatschappij te komen is 'de diktatuur van het proletariaat' nodig. De arbeiderspartij moet de macht met geweld grijpen en de nieuwe wereld met dwang tot stand brengen. Dat vergt grote offers. Maar het doel heiligt de middelen. Nodig is 'een ijzeren hand om de chaos te overwinnen en de uitbuiters uit te roeien'. Deze interim-periode op weg naar het communistische paradijs wordt socialisme genoemd en is gekenmerkt door een staatsmonopolie op economisch gebied. Daarbij speelt de arbeiderspartij de leidende rol. Alle macht in de samenleving is daar samengebald. Lenin's denken is typisch machtsdenken. Daarom kan hij aan de godsdienst geen eigen plaats gunnen. Omdat de ideologie van de communistische partij alles beheerst, kan er geen andere instantie als de kerk zijn, die een eigen opvatting heeft en zich niet laat leiden door de autoriiteit van de partij, maar leeft onder het regiment van Christus. Lenin is dan ook principieel atheïst in zijn denken. Wanneer hij echter toch een bepaalde ruimte voor de kerk overlaat, is dat enkel om van haar gebruik te maken voor het doel dat de partij nastreeft. Op een vraag, waarom het partijprogramma niet vermeldt, dat de communisten atheïsten zijn, antwoordt Lenin onder meer: 'De wetenschappelijke wereldbeschouwing (het atheïsme v. d. P.) zullen we altijd propageren en de inconsequentie van welke christen ook moeten we bestrijden; dat betekent echter niet, dat men een versnippering van krachten voor de werkelijk revolutionaire, economische en politieke strijd vanwege derderangs meningen of hersenschimmen moet toelaten, die spoedig elke politieke betekenis zullen verliezen'.
Emotioneel verzet
Dat Lenin de bestrijding van de religie toch van groot belang vindt, blijkt uit het feit, dat hij de behandeling van de godsdienst in het kader zet van de klassenstrijd. Terwijl godsdienst een privé-zaak van de burgers genoemd wordt, waarmee de staat zich niet bemoeit, gelden voor de communistische partij andere regels. Voor de partij 'is de godsdienst geen privé-zaak. Onze partij is een bond van klassebewuste, ontwikkelde strijders voor de bevrijding van de arbeidersklasse. Zo'n bond kan zich niet overschillig gedragen tegenover onderontwikkeling, onwetendheid en duistere praktijken in de vorm van religieus geloof'. Juist omdat het communisme zich als een ideologie, een wereldbeschouwing presenteert, is er geen plaats voor de godsdienst.
Opvallend is, hoe emotioneel Lenin zich tegen de religie verzet. Telkens vallen woorden als: huichelarij, oplichting, pest en dergelijke. In een brief aan de schrijver Gorki stelt hij: 'Juist omdat elke religieuze idee van welke God ook, zelfs elk koketteren met het bestaan van een God een onuitsprekelijke afschuwelijkheid is, die door de demokratische bourgoisie tolerant (en dikwijls zelfs welwillend) opgenomen wordt, juist daarom is ze de gevaarlijkste afschuwelijkheid, de weerzinwekkendste pest'. Ergens anders schrijft hij: 'De religie is een soort geestelijk foezel, waarmee de slaven van het kapitaal hun menselijk gezicht en hun aanspraken op een enigszins menswaardig leven verzuipen'. In die woorden toont Lenin zijn ware aard, wanneer het gaat om de godsdienst. Bittere haat kenmerken het streven van de grondlegger van de Sowjetunie. Die haat vormt de basis voor de intensieve propaganda tegen de godsdienst door de atheïstische groepen, die in Lenins tijd ontstonden. Ze uit zich bovenal in een niets ontziende vervolging, die direkt na de revolutie de kerk in de Sowjetunie trof en die in de tijd van Stalin tot een gruwelijk hoogtepunt kwam.
Stalin: Inperking en vervolging
Jozef Stalin, die als IJzeren Man na Lenin aan de macht kwam, heeft weinig toegevoegd aan het communistische denken. Wel heeft hij het denken van Marx en Lenin tot een 'eeuwig geldende leer' samengevat, die nog steeds het communisme bepaalt. De cynische wijze, waarop Stalin de leer in praktijk bracht door ze of met geweld in te voeren of anderzijds eenvoudig naar zijn hand te zetten, tekent hem als een mens, die God niet vreesde en geen mens ontzag. Stalin zette de terreur uit de tijd van Lenin voort en bouwde die ongeëvenaard uit. Miljoenen mensen werden ter dood gebracht, mede door de gedwongen kollektivering van de landbouw, die tot een ontzettende hongersnood leidde. Maar ook de kerk werd zwaar getroffen. Duizenden christenen werden vermoord of in kampen opgesloten. Een nieuwe wet op de godsdienst bracht de kerken onder strenge controle van de staat en liet bijna geen ruimte voor het kerkewerk over. Atheïstische propaganda werd op grote schaal opgezet, terwijl christenen uit de partij gezet en vermoord werden. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog waren de kleinere (protestantse) kerken vrijwel weggevaagd en was de Russisch-Orthodoxe Kerk geminimaliseerd. De inval van Duitsland maakte echter, dat Stalin zijn houding iets wijzigde. Hij had alle steun nodig om het land te verdedigen en gebruikte daarvoor ook de kerken. Plotseling werden kerkelijke leiders uit de kampen gehaald om hun kerk opnieuw — naar streng voorschrift — te organiseren. Dit maakte een nieuwe opbouw van het kerkelijk leven mogelijk, maar bracht de kerken tevens in een onderhorige positie tegenover de staat.
Stalin, die in zijn jeugd een priesterseminarie bezocht, maakt geen geheim van zijn haat tegen de kerk. In zijn tijd wordt de vijandschap nog meer tot een systeem gemaakt. Hoewel hij de godsdienst een zaak van ieders geweten noemt, geeft hij ook elke burger het recht 'door overtuiging, propaganda en agitatie tegen de godsdienst te strijden'. 'De partij kan niet neutraal tegenover religieuze vooroordelen staan en zal daartegen propaganda ontplooien, omdat het één van de zekere middelen is om de invloed van de reaktionaire geestelijkheid te ondergraven, die de uitbuitersklasse ondersteunt en de onderwerping onder deze klasse predikt. De partij kan de dragers van religieuze vooroordelen, de reaktionaire geestelijkheid, die het bewustzijn van de werkende massa's vergiftigt, niet neutraal tegemoet treden.' Daarom moet ook ieder die de anti-religieuze propaganda verwaarloost of hindert uit de partij gestoten worden. Stalin is na zijn dood spoedig verguisd en aan de kaak gesteld. Maar zijn gedachten over de godsdienst en de maatregelen die hij tegen de religie nam, zijn nog altijd de leidraad voor de huidige machthebbers voor hun godsdienstpolitiek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's