Uit de pers
Dr. Eta Linnemann
In april van dit jaar bezocht de duitse Nieuwtestamentica Eta Linnemann ons land. In tal van lezingen getuigde zij van de wending die zij doorgemaakt heeft van een zeer Schriftkritisch standpunt tot de gelovige aanvaarding van de Bijbel als Gods Woord. Vanuit dit door haar nieuw verworven inzicht getuigde zij fel tegen de gangbare wetenschappelijke bestudering van de Bijbel, met name tegen de fundamentele vooronderstelling van dit kritische bijbelonderzoek. Ik citeer uit een artikel van prof. Runia in C.W. (15/8):
'De fundamentele vooronderstelling van de hele wetenschappelijke theologie is dat het getrainde kritische verstand de laatste instantie is inzake de waarheidsvraag. Het kritische verstand staat als norm boven de Heilige Schrift. Dit kritische verstand maakt in zijn studie gebruik van de methoden van de moderne geschiedeniswetenschap. Maar deze geschiedeniswetenschap gaat er vanuit dat de geschiedenis helemaal een zaak van mensen is. Er is geen ruimte voor een ingrijpen van God in de geschiedenis, omdat dit nooit wetenschappelijk te tonen is. In feite gebruikt de geschiedeniswetenschap dus een atheïstische methode. Mevrouw Linnemann spreekt van een "Atheïstische, anti-christelijke wetenschap" en zegt dat de historisch-kritische theologie zo gegrond is op het "fundament van de leugen". Deze hele wetenschapsbeoefening is dan ook niets anders dan "afgoderij". We moeten haar geheel van de hand wijzen. Net zo min als je een beetje zwanger kunt zijn (je bent het of niet!) , zo kun je ook niet een beetje gebruik maken van de historische kritiek. Het is alles of niets.'
Wie op de hoogte is van de kritische wijze waarop met name de zgn. Bultmannschool in Duitsland te werk gegaan is en gaat, kan zich de aversie van dr. Linnemann hiertegen voorstellen. Reformatorische christenen, die het Sola Scriptura belijden, zullen haar getuigenis inzake de kracht van Gods Woord dankbaar begroeten als iets dat behoort tot het merg van het reformatorisch belijden. Is daarmee alles gezegd? Volgens sommigen wel. Zo geeft ds. B. Krol van het Instituut voor Evangelisatie in Doorn een nog jubelend en triomfantelijk verslag, althans in de weergave die mij onder ogen kwam:
'Het bezoek van proffessor Linnemann uit Duitsland is als een bom ingeslagen. Deze zeer beroemde theologe heeft na een indrukwekkende bekering, haar vroegere boeken verworpen. Nu brengt zij een heel andere boodschap. Op grond van persoonlijke ervaring, en van goeddoordachte wetenschappelijke stellingname, voert zij nu een pleidooi voor een letterlijke uitleg van de Bijbel. De zogenaamde historischkritische benaderingswijze, die in alle "moderne" (ook gereformeerd moderne) theologische opvattingen een rol speelt, vindt in haar een gedegen tegenstandster.
Overal waar ze sprak, trok ze van 14 tot 17 april volle zalen. In totaal zijn 160 predikanten en 250 theologiestudenten aanwezig geweest bij haar lezingen. Een drietal Leidse studenten reageerde: "Wat zijn wij hier aan de faculteit ongelooflijk in de maling genomen!" Een vroegere wetenschappelijk medewerker van de Vrije Universiteit zei: "Dit is nu precies wat ik zelf altijd al aanvoelde; de vóóronderstellingen in het theologische wereldje deugen niet".
Mevr. Linnemann zelf heeft ook niet zo'n hoge dunk van dat wereldje. Zij vindt het een "kaartenhuis van onbewezen stellingen".
Maar wee degene, die dat durft te zeggen. God verloochenen, of de godheid van Christus verwerpen zal aan de theologische faculteiten weinig problemen opleveren, maar wie de gevestigde theologie der theologen aanvalt, wordt wegens heiligschennis aan de kant geschoven.
Iets daarvan bleek uit reacties uit Nijmegen. Professor Van lersel had dr. Linnemann uitgenodigd. "Bekeerd of niet, laat maar komen, want ze is zó bekend..." Maar na afloop zei hij: "Dit was een staatsgreep in mijn eigen faculteit". Toch zou hij er geen moeite mee hebben gehad als dr. Linnemann tot het feminisme bekeerd zou zijn. "Dan nodig ik de feministes hier ook uit, want die komen alleen luisteren naar iemand met wie ze het al van tevoren eens zijn." Of zou dat oordeel ook voor sommige theologen gelden? Ongetwijfeld! Eén faculteit wilde (althans in eerste instantie) deze vrouw niet ontvangen, want: "dan kunnen we haar boeken eigenlijk niet meer gebruiken, en die willen we echt niet wegdoen". Een hervormd predikant uit het noorden van het land — zelf van niet-kerkelijke huize - zei na de predikantenstudiedag in Nijkerk: "Zou je de Bijbel dan letterlijk moeten nemen? Maagdelijke geboorte en hemelvaart en zo... Ja, ten diepste heb ik dat wel eens gedacht, maar dat durfde ik niet. Ik was altijd bang voor een zekere pressie van de kant van mijn collega's in onze ring. Maar ik weet nu wat ik ga doen. Mij houden ze niet meer tegen". Een andere predikant, opvallend in zijn zwarte pak, jubelde bijna: "Dit hadden we eerder moeten horen". Twee charismatische priesters zeiden in Nijmegen: "God is hier aan het werk. Deze storm is voorlopig nog niet bedaard". Dr. Linnemann heeft in haar toespraken laten zien, dat gedachten, als zouden de evangeliën niet betrouwbaar zijn, of als zouden de eerste vijf boeken van de Bijbel niet door Mozes zijn geschreven, in feite ongegrond zijn. "Dit zijn stuk voor stuk gedachten van filosofen, die met alle geweld poogden zich van het geloof af te keren, zoals Spinoza en Lessing. Maar theologen hebben deze ongelovigen bijna kritiekloos gevolgd. Bij ons in Duitsland, kun je de barre gevolgen van de Schriftkritiek al in de godsdienstlessen in de laagste klassen van het basisonderwijs tegenkomen. In Nederland ligt het iets gunstiger. Jullie hebben in elk geval de Vrijgemaakte Hogeschool in Kampen en die in Apeldoorn nog". Op deze woorden van de hooggeleerde spreekster zei één van de 175 aanwezigen bij een lezing in Utrecht: "Nu weet ik helemaal zeker dat ik mijn studie in Apeldoorn ga afmaken".
Tot hiertoe is er weinig inhoudelijke kritiek gekomen op de gedachten van dr. Linnemann. Velen vragen zich af, of het zo gemakkelijk is om haar betoog te ontkrachten. Als theologe is deze vrouw niet voor de poes, hoewel ze feitelijk zo mak is als een lammetje.'
Waardering en twijfel
Het is met aarzeling dat ik me zet aan een commentaar. Immers, wie zal het wagen commentaar te leveren op een zeer persoonlijke overtuiging? Ik was niet in de gelegenheid mevr. Linnemann persoonlijk te beluisteren, nam wel kennis van een interview voor de EO-televisie en had de indruk, die door drs. H. de Jong in Opbouw van 9 mei als volgt verwoord is: een warm getuige en herkenbare christen, wiens protest tegen de heerszucht van het redenerend verstand, dat Gods openbaring aan de wetten van het menselijk denken onderwerpt, hartverwarmend is. En ik voeg er aan toe: ook noodzakelijk blijft! Maar ik heb wel bezwaar tegen de door Krol gewekte suggestie als zou heel Nederland in de ban zijn van het kritisch onderzoek, zoals mevr. Linnemann dat zelf aangehangen heeft. Vooreerst zijn haar boeken in Nederland weinig bekend. En vele Nieuwtestamentici zijn bepaald niet onder de indruk van de argumenten van Bultmann, Fuchs, Linnemann in haar kritische periode. Prof. Reiling schrijft in Ev. Comm. van 8 augustus, dat zij in 1974 op hem overkwam als een geleerde die eigenzinnig met de tekst van het N.T. omsprong. De hier en daar geuite suggestie dat haar boeken verplichte lectuur zouden zijn aan de theologische faculteiten is in zijn algemeenheid onjuist. Wat betreft de bominslag, ik heb daar in Utrecht weinig van gemerkt. Ik sprak wel verschillende studenten, die met waardering voor de ernst en oprechtheid van mevr. Linnemann toch wat teleurgesteld waren omdat ze nauwelijks inging op problemen waarvoor verschillende Bijbelteksten eerlijke onderzoekers plaatsen. Uit de verslagen zou men voorts de indruk kunnen krijgen dat men moet kiezen tussen het zwart van de Schriftkritische bijbelstudie of het wit van de weg van mevr. Linnemann: een nagenoeg verwerpen van elk wetenschappelijk omgaan met de Schrift. Dat doet ons denken aan bepaalde fundamentalistische denkbeelden die men ontmoet in sommige vrije groepen die 'stichtelijk' en 'wetenschappelijk' tegen over elkaar plaatsen als zou het eerste uit God en het tweede uit de boze zijn. Maar met drs. De Jong kan men vragen of een dergelijke fundamentalistische visie ruimte laat voor verantwoord Bijbel onderzoek. Natuurlijk is het waar, dat Gods Geest nodig is om de Schriften te verstaan. Maar de Reformatie heeft altijd geweten van de betekenis van het serieuze Bijbelonderzoek als middel. Men denke aan de commentaren van Calvijn en de brede traditie van gereformeerd Schriftonderzoek.
H. Bavinck
Ook Runia stelt op dit punt vragen aan dr. Linnemann. Z.i. is de gereformeerde visie een andere dan het nieuw verworven inzicht van dr. Linnemann. Hij schrijft:
'Het is me opgevallen dat mevrouw Linnemann met haar toespraken veel lof heeft geoogst in bladen uit evangelische of verontruste kring. Hier zou eindelijk het verlossende woord zijn gesproken. Ik vraag me echter af of men hier niet wat te vroeg heeft gejuicht. Wijst mevrouw Linnemann ons inderdaad een betere weg? Of is ze van het ene uiterste in het andere terechtgekomen? Heeft ze een bepaalde wetenschappelijke visie ingeruild voor een piëtistische visie die in feite afziet van de wetenschap? Wijst ze eigenlijk de wetenschap niet af met een beroep op de Geest ("op de knieën kom je uit de exegetische problemen")?
Ik moet eerlijk zeggen dat dit alles me bepaald niet een "gereformeerde" oplossing lijkt. In ieder geval kom ik hier een heel andere houding tegen dan ik bijvoorbeeld in de grote Gereformeerde Dogmatiek van prof. dr. Herman Bavinck vind. Ook deze heeft grote bezwaren tegen de manier waarop het historisch-kritisch onderzoek van zijn tijd tegen de bijbel aankijkt. Het heeft er helemaal geen oog voor dat we in de bijbel met het geïnspireerde Woord Gods te maken hebben. De reden daarvan is dat men de bijbel puur-historisch benadert en niet bereid is het zelfgetuigenis van de bijbel te aanvaarden. De bijbelse geschriften zijn voor deze onderzoekers menselijke geloofsgetuigenissen en niet meer. We moeten die getuigenis met onze historisch-kritische methoden onderzoeken en dan op grond van dat onderzoek bepalen wat we wel en niet kunnen aanvaarden.
Bavinck wijst dit (evenals mevrouw Linnemann) ten enen male af. Voor hem is het enig mogelijke uitgangspunt dat we in de Schrift met Gods Woord te maken hebben. Dat is niet een ontdekking die wij na allerlei wetenschappelijk onderzoek doen, maar dat is de claim die we in de bijbel zelf vinden en die we in het geloof aanvaarden. Evenzo geloven we dat de bijbel geïnspireerd is. "Een inspiratie is geen verklaring van de Schrift, en dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te zijn een gelovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelf getuigt, in weerwil van de schijn die tegen haar is. De inspiratie is een dogma evenals de triniteit, de menswording enz., dat de Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid er van inziet, maar omdat God het alzo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke uitspraak, maar een belijdenis des geloofs" (1, 407).
Dat is voor Bavinck het uitgangspunt in zijn leer van de Schrift en in al zijn theologiseren. Maar dat betekent voor hem niet dat er dus helemaal geen plaats is voor verder wetenschappelijk onderzoek van de bijbel. Hij schrijft zelf dat "historisch-kritisch onderzoek een helder inzicht kan geven in het ontstaan, de geschiedenis, de structuur van de Schrift" (1, 394) en zegt even verder dat de feiten en verschijnselen der Schrift, de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ons kunnen helpen bij de verklaring en toelichting van de leer der Schrift. Met andere woorden, Bavinck erkende dat we veel kunnen leren van het historisch-kritisch onderzoek. Waar zijn grote bezwaar lag, was dat men in het historisch-kritische kamp niet bereid was om zich op het geloofsstandpunt te stellen dat we in de Schrift met Gods Woord te maken hebben en dat we daarom in het geloof de boodschap van de hele Schrift moeten aanvaarden.'
Vele gezaghebbende exegeten hebben vanuit deze achtergrond hun werk verricht. En velen doen dat nog. Met name in de engelstalige wereld vinden we vele Evangelicalen, die volstrekt willen buigen voor het gezag van de Schrift en daarbij grote waarde hechten aan het Schriftonderzoek, met behulp van literaire en historische methoden, zonder dat men de vooronderstellingen van deze methoden deelt. Ik denk aan geleerden als Marshall, Green, Guthrie, Cranfield, Jones, Bruce, E. Ellis e.a. Is het beeld wat mevr. Linnemann schetst niet te witzwart, hoe begrijpelijk ook vanuit haar achtergrond?
Een betere weg
'k Meen dat Bavinck ons een betere weg wijst dan Linnemann. Nogmaals, ik deel haar zorg wat betreft de schade, aangericht door het modernisme. Ik kan me ook veler onvrede begrijpen tegen een vorm van Schriftonderzoek die uitgaat van een scheiding van geloof en wetenschap.
Maar ik betreur de ongenuanceerde wijze, waarop met name in het verslag van Krol van leer getrokken wordt tegen de theologische faculteiten. Met stemmingmakerij dient het gezag van de Schrift niet verdedigd te worden. De lezer zou kunnen vragen wat de reden is om hier zo uitvoerig aandacht aan te schenken. Mijn antwoord is: de zaak van Schriftgezag en Schriftstudie verdient die aandacht. Maar wij moeten de strijd tegen een bijbelwetenschap, die het menselijk verstand laat heersen over de Schrift, niet voeren via een visie die nagenoeg elke vorm van wetenschappelijk bijbelonderzoek op de schroothoop werpt. Men kan b.v. een onderzoek naar de literaire vormen waarvan de Bijbelschrijvers zich bedienen, misbruiken om te gaan scheiden tussen wat wel en wat niet meer gezaghebbend is. Men kan een dergelijk onderzoek ook gebruiken om dieper door te dringen in de zin van Gods Woord. Men kan een onderzoek naar de verschillen tussen de Evangeliën misbruiken om allerlei tegenstellingen te scheppen. Men kan een onderzoek naar de zgn. redaktie door elk van de evangelisten ook gebruiken om het eigene van elk Evangelie, en daarmee de rijkdom van de Schrift op het spoor te komen. In de lijn van Calvijn, de Ned. Geloofsbelijdenis (art. 3-7), Bavinck e.a. kan men zeggen: serieuze bijbelwetenschap die het Woord aan het woord laat is zowel wetenschappelijk als stichtelijk, in de zin van geloofsopbouwend. Ik denk, dat een gesprek tussen reformatorische kerken en evangelische groepen op deze punten van betekenis is, juist terwille van die gemeenschappelijke zorg om menselijk denken onderworpen te laten zijn aan het gezag van de Schriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's