De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrije groepen (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrije groepen (3)

9 minuten leestijd

Volwassendoop-kinderdoop

In de vrije groepen wordt grote nadruk gelegd op de persoonlijke keus en het persoonlijk geloof in Jezus Christus. Deze persoonlijke keus brengt als vanzelf op de lijn naar de volwassendoop. Velen (allen?) in de vrije groepen wijzen namelijk de kinderdoop af, velen laten zich overdopen. Hier zijn we in een heel ander klimaat dan het reformatorische. In de kinderdoop belijden we namelijk dat God de Eerste is in ons leven en dat Hij Zijn handen al uitstrekt naar de kleine kinderen der gelovigen. God is de God van het verbond. En dat verbond komt helemaal van Zijn kant. Het is éénzijdig van inzet. Het wordt alleen tweezijdig als het kind, groter geworden, tot de belovende God leert gaan in de weg van geloof en bekering. In de vrije groepen heeft men daar grote moeite mee. Dat heeft in de eerste plaats te maken met een (te?) eenvoudig Bijbelgeloof. Waar staat het in de Bijbel, dat ook kinderen gedoopt moeten worden? , zegt men. Waar lezen we, dat de Doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen? Is de besnijdenis niet een teken voor Israël? Maar het heeft ook te maken met de nadruk op de persoonlijke keus voor Christus. En met te weinig of geen zicht op Gods verbond.

Het is hier niet de plaats om over de kinderdoop te schrijven. Anderen hebben dat al eerder gedaan. Ik denk aan de dissertatie van dr. G. de Ru 'De kinderdoop en het Nieuwe Testament' (uitg. Veenman, Wageningen), an het goede boekje van prof. Graafland 'Volwassendoop, kinderdoop, herdoop' (uitg. Echo, Amersfoort) of aan het uitvoerige boek 'Rondomde Doopvont' (uitg. De Groot, Goudriaan).

Ik denk, dat we beter andere vragen kunnen stellen. Hoe komt het dat velen komen tot de volwassendoop? Is dat omdat de kinderdoop onder ons weinig of geheel niet leeft? Moeten we niet zeggen, dat de kinderdoop door velen onder ons ondergewaardeerd wordt en soms nauwelijks in de prediking of in het geloofsleven aan de orde komt? Als we de oude doopkaarten van vroeger bezien, dan lezen we daarop dikwijls wel van de belofte van de ouders, maar niet van de beloften van God, betekend en verzegeld in de Doop. En dat laatste is toch het allereerste: God is de belovende God, Die ook kinderen opneemt in Zijn verbond en hen roept tot geloof in Hem. Komt de hoge waarde van de Doop naar voren in de prediking, in de catechese, op huisbezoek, in het jeugdwerk? We moeten de Doop niet overschatten alsof hij zaligmakend zou zijn. Maar we willen de Doop ook niet onderschatten . Er is de rijkdom van de Doop voor hen 'die Gods verbond en woorden als hun schatten gadeslaan" (Ps. 25). Er is ook de klem en de ernst van de Doop: we worden geroepen in de weg van het geloof in de belovende God te gaan.

Sacramenten

Is het teveel gezegd als we zeggen, dat in de vrije groepen de sacramenten. Doop en Avondmaal, niet hoog genoteerd staan? Enerzijds ligt er grote nadruk op de volwas­sendoop. Anderzijds zijn de sacramenten, als ik het goed zie, in de vrije groepen meer een belijdenis van ons gelóóf dan versterking van het (zwakke) geloof. Ook het Avondmaal is in de vrije groepen niet zozeer versterking van het geloof. Het lijkt wel alsof het geloof weinig of geen versterking nodig heeft: men hééft geloof. Zo is in de vrije groepen ook de volwassendoop meer een betuiging van het geloof dan teken en zegel van de belovende God en van Gods genade.

De kerk

De nadruk op het persoonlijk geloof brengt ook velen in de vrije groepen tot een onderwaardering van de kerk. De kerk staat bij hen in het algemeen niet hoog, men kiest voor de 'groep'. Die groep bestaat uit hen, die Jezus aannamen als hun persoonlijke Verlosser. Drs. M. J. G. v. d. Velden spreekt dan ook van de 'believers-church', de gemeente van gelovigen, van gelijkgezinden (Wapenveld, maart/april 1981). Trouwens, het woordje kerk wordt door de vrije groepen zelden of nooit gebruikt. Het komt immers in de Bijbel ook niet voor! Men spreekt bij voorkeur van gemeente.

Is dat wel de bijbelse maat? Is de kerk wel de kerk van gelovigen die kwamen tot persoonlijk geloof in Jezus Christus? Moeten we niet veelmeer denken aan het verbond van God? Dan krijgen we een heel ander kerkbegrip. Onze zorg strekt zich uit tot allen die bij de kerk behoren en die in het verbond van God zijn opgenomen. Zeker, daar zijn hypocrieten onder. Maar juist daarom gaat onze bijbelse zorg en aandacht in prediking en pastoraat naar allen uit, hoe ver men ook is weggedwaald.

Velen in de vrije groepen verwachten het van de Heilige Geest en dat is goed. Maar wanneer we de Heilige Geest losmaken van de kerk, ook van de plaatselijke gemeente, is men dan niet geestelijker dan de Heilige Geest zelf? Denk aan de eerste Pinksterdag in Jeruzalem. Als de Heilige Geest is uitgestort is er een gemeente, die gemeente komt samen, ze heeft een adres, er zijn de ambten, er is de prediking, het gebed, die gemeente mag niet gescheurd worden, ook al zijn er hypocrieten onder.

Reaktie

Hoe komt het, dat de kerk bij velen in de vrije groepen niet hoog staat? Ik zou drie dingen willen noemen. In de eerste plaats zou het wel eens een reaktie kunnen zijn op het verstarde kerkelijke leven in onze dagen. We moeten ons altijd afvragen of het kerkelijk leven bij ons werkelijk kerkelijk leven is. Prof. H. Bavinck schrijft ergens: 'In de tijd van de Hervorming beleed men zijn geloof, nu gelooft men zijn belijdenis'. Is dat bij velen onder ons ook niet het geval? Is onze gemeente werkelijk gemeente waar geloof in Jezus Christus klopt in zijn diepe en bijbelse verbanden? Is er bijbels leven, is er hoop, is er liefde?

In de tweede plaats: de kerkelijke gemeente is voor velen in de vrije groepen te groot en te onpersoonlijk. Er zijn veel 'meelopers', waardoor ze wezenlijke kenmerken van het gemeente-zijn missen. Dat kunnen we ons aan de ene kant voor gezegd houden. Maar aan de andere kant: zit daar geen stukje hoogmoed in? Kan men zich niet beter juist onder die gemeente scharen? De kerkvader Augustinus zei al: indien er geen hoogmoed was, zo zouden er ook geen sektariërs zijn.

In de derde plaats vinden we in de vrije groepen het anti-institutionele: waarom moet het in de kerk allemaal zo strak? Waarom een vaste liturgie waar met moeite verandering in is aan te brengen? Waarom moet alles volgens vaste normen en strakke lijnen? Mag er niet eens afwisseling zijn? Zijn de vormen van de kerk echt de bijbelse vormen?

We kunnen zulke vragen best begrijpen. We zullen ons namelijk niet in onze vormen moeten vastbijten alsof die het een en het al zijn. We weten heus wel, dat het kerkelijk leven er in de eerste christengemeente anders uitzag dan bij ons, en dat dat in andere delen van de wereld eveneens het geval is. Maar hebben de vrije groepen zelf ook niet hun strukturen en vormen?

Bovenstaande dingen zijn generaliserend gezegd. Ze gelden niet voor allen in de vrije groepen. Er zijn er ook die een vaste binding met de kerk of met de plaatselijke gemeente aanhouden. Maar de grote lijn is: men ziet meer de gemeente, de groep, dan de kerk. De gemeente is de gemeente waar je zelf tóe treedt, uit vrije keus, zoals je koos voor Jezus. En daartegen hebben we onze wezenlijke bezwaren.

Conventikel

In de vrije groepen vinden we een erg laagkerkelijk denken. Men ziet de kerk weinig of in het geheel niet meer. Was dat ook niet zo bij velen in het conventikel? Komt het ook in orthodoxe kring niet voor, dat men de kerk geheel uit het oog heeft verloren? Denk aan hen, die thuis een preek lezen omdat ze het in de kerk niet meer menen te kunnen vinden. Of aan hen, die wel de gezelschappen bezoeken (zijn die er nog?), maar het zicht op de kerk kwijt zijn geraakt. We kunnen onze bezwaren hebben tegen huiskringen en huisgemeenten, maar zijn diezelfde bezwaren er ook niet tegen de gezelschappen en kringen, die nauwelijks oog hebben voor de kerk, de goede niet te na gesproken? Velen in het conventikel werden van laagkerkelijk onkerkelijk, ja zelfs antikerkelijk (prof. Graafland, Wapenveld, maart/april 1981).

Richtingsevangelisatie

Ik zou een stap verder willen doen. Is een richtingsevangelisatie ook niet iets als een vrije groep? Ik denk het niet, als het werkelijk de nood van de prediking was, die tot een richtingsevangelisatie dreef. En als men zeer beslist de band met de kerk wil aanhouden. Toch moet het niet te gauw tot het oprichten van een evangelisatie komen. Het is nogal wat om zich te onttrekken aan de ambtelijke instellingen van de kerk. Daartoe mag de nood wel dringen. Als daar geen bittere noodzaak toe is waarin verschilt men dan van een vrije groep? Het zou niet de eerste keer zijn, dat een evangelisatie na een aantal jaren het zicht op de kerk en het verlangen om tot de plaatselijke gemeente te behoren, geheel kwijt raakte. Geldt dat niet evenzeer voor verkapte weekdiensten als die gehouden worden buiten verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkeraad om?

Laagkerkelijk denken

Een derde opmerking is deze: in de vrije groepen wordt zeer laagkerkelijk gedacht. Ik signaleer dat ook in eigen hervormd geref. kring. Velen onder ons kennen ook de keuzekerk: men gaat naar de kerk waar men wil, afhankelijk van een dominee met meer of minder gaven. Valt een bepaalde dominee weg, dan kerkt men weer in een volgende gemeente. Het ambtsbesef is bij velen ook niet hoog. Oud-ambtsdragers doen soms dienst als ouderling, terwijl ze het ambt reeds uit zijn, weeksluitingen in bejaardencentra (geen kwaad woord daarvan!) lijken soms verkapte kerkdiensten, in­ clusief votum, groet en zegen. In vele gemeenten is de gemeente nauwelijks bij de verkiezing van ambtsdragers betrokken. Ik signaleer het laagkerkelijke denken met name in de stad. We zullen daar tegenover zeer kerkelijk en ambtelijk moeten denken. De Ned. Geloofsbelijdenis heeft zes artikelen over de kerk. Men zal er goed aan doen die artikelen te lezen en te herlezen. Zes van de 37, dat is niet niets! De kerk is evenzeer een geloofsartikel als bijvoorbeeld de belijdenis van de Drieënige God of van de Bijbel als het Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De vrije groepen (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's