De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vrijheid van onderwijs?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vrijheid van onderwijs?

8 minuten leestijd

De huidige onderwijsvrijheid is uiterst moeizaam tot stand gekomen. We kunnen dit in de geschiedenisboeken nalezen. Het recht op vrij onderwijs is een grondwettelijk recht. Hierdoor zijn minderheden in onze samenleving in dezen niet afhankelijk van de opvattingen van anderen.

De wet geeft aan hoeveel ruimte de bijzondere scholen hebben om gestalte te geven aan hun opvattingen binnen de grenzen die de wetgever kan en moet stellen. Onze voorouders hebben een 'strijd' moeten voeren om deze onderwijsvrijheid te verkrijgen. We ontdekken nu echter weer steeds meer verschijnselen, die wijzen op het ontbranden van een nieuwe schoolstrijd.

Onderwijsvrijheid 'toen'

Reeds omstreeks 1840 komt er een toenemend verzet tegen de Lager-onderwijswet van 1806. Juist deze wet kreeg veel kritiek gedurende de eerste fase van de Schoolstrijd. Ouders wensten voor hun kinderen christelijk onderwijs en vrijheid om te komen tot het stichten van christelijke scholen. Dit verlangen werd groter, toen na 1834 de afgescheidenen op grond van hun doopbelofte alles in het werk stelden om op eigen kosten scholen te stichten, maar hiervoor geen toestemming kregen.

Een dergelijk verlangen openbaarde zich ook in Rooms-Katholieke kring. Op grond van autorisatiebepaling mocht geen bijzondere school worden opgericht dan na verkregen autorisatie (= vergunning) van het gemeentebestuur.

Deze vergunning kregen voor 1848 slechts vier plaatselijke schoolbesturen, namelijk te Amsterdam, Nijmegen, 's-Hertogenbosch en Nijkerkerveen.

Toen in de grondwet van 1848 vrijheid van onderwijs werd gewaarborgd, was in beginsel de autorisatiebepaling van de baan.

In de herziene grondwet van 1848 luidde artikel 194: 'Het openbaar onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg van de Regering. De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoende openbaar (lager) onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voorzover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers, het een en ander door de wet te regelen. De Koning moet van den staat der hooge-, midelbare- en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan den Staten-Generaal geven'.

Dit getuigt beslist niet van een volledige gelijkstelling van het bijzonder aan het openbaar onderwijs. Er moest 'overal voldoende openbaar onderwijs' worden gegeven. Deze zinsnede stelde de monopoliepositie van het openbaar onderwijs zoveel mogelijk veilig. Het duurde tot 1857 voordat er een nieuwe onderwijswetgeving kwam.

Na veel discussies lukte het mr. Van der Brugghen in 1857 een schoolwet door de Kamer goedgekeurd te krijgen. Met deze wet kwam er gesubsidieerd neutraal staatsonderwijs en ongesubsidieerd neutraal bijzonder onderwijs. Vanaf dit moment werden veel bijzondere scholen gesticht, hoewel dit nog steeds werd tegengewerkt. Deze scholen werden bekostigd door de ouders en uit giften. Hoewel er geen subsidie werd verstrekt, groeide het aantal bijzondere scholen tegen de verdrukking in.

In 1878 kwam Kappeijne van de Copello met wetswijzigingen voor de schoolwet van 1857, maar ook dit bracht geen verbetering. Deze wet bedoelde verbetering aan te brengen in de kwaliteit van het onderwijs.

Voor de openbare scholen werd de financiële toestand sterk verbeterd. Door deze maatregelen kwam het bijzonder onderwijs in een moordende concurrentiestrijd terecht.

Van de zijde van het bijzonder onderwijs kwam een heftig verzet. Toen deze wet in de kamer was aangenomen, werd de Koning in 1879 een smeekschrift aangeboden, met het verzoek deze wet niet te tekenen. Deze aktie, het zogenaamde volkspetitionnement stond onder leiding van dr. Abram Kuyper. In één week tekenden meer dan 300.000 personen voor bijna 115.000 kinderen tussen 6 en 12 jaar het 'manifest van vrijheid'.

Hoewel de Koning de wet tekende, is deze volksbeweging een rol blijven spelen in de verdere vrijmaking van het bijzonder onderwijs.

In 1900 laaide de schoolstrijd opnieuw op bij de indiening van de leerplichtwet. In 1905 kwam er onder minister Kuyper gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs, wat betreft de betalingen van de salarissen door het Rijk.

In de onderwijswet van 1920 van de eerste minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. De Visser, kwam er een volledige financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

Er was grote dankbaarheid bij het volk. Dit uitte zich in de vele dankstonden, die werden gehouden.

Werkelijk vrij?

Al spoedig kwam er ook veel kritiek op de onderwijswet van 1920. Natuurlijk moest deze wet er komen, het was een noodzakelijk tussenstation. De wetvan 1920 kon geen eindstation zijn. We schrijven dit niet met het doel de wet van 1920 alleen te bekritiseren, maar om voort te bouwen.

Er was ruimte gekomen met betrekking tot de geldmiddelen, maar toch was er een wijde cirkel van onvrijheid rond het bijzonder onderwijs getrokken. Men dacht eerst zelfs zo goed als volkomen vrij te zijn. En toch, men had het van het begin af kunnen weten. Wie gevangen is, kan in z'n vrijheidsbeweging altijd worden belemmerd door wie hem gevangen houdt.

Er kwamen echter verschillende bezuinigingsvoorstellen in verband met de financiële situatie van ons land. Herziening op herziening volgde.

Het karakter van bijzonder onderwijs, het bijzondere ging er voortdurend meer af. Het werd steeds meer algemeen en naderde het karakter van openbaar onderwijs. Van echte vrijheid van onderwijs was beslist geen sprake.

We kunnen de situatie na 1920 vergelijken met het volk Israël in het landschap Gosen. Toen ze er pas woonden ging het goed, omdat ze de bescherming genoten van de machthebbers van Egypte. De Farao's lieten Israël eigen rechten en vrijheden behouden. Maar toen er lange jaren daarna Farao's kwamen, die Jozef niet meer gekend hadden, ontstonden de problemen. Er kwam onderdrukking, beroving van rechten en Vrijheden, smaad van het geloof van het volk Israël. Het landschap Gosen bleek een kerker te zijn voor het volk van Israël. Kort na 1920 verkeerde men nog in de tijd van 'de Farao's die Jozef hadden gekend'. Men vreesde voor de komst van een linkse regering. Zou het ook voor het bijzonder onderwijs een tijd van onderdrukking worden? Een tijd van beroving van rechten en vrijheden? Deze geschiedenis kan ons veel leren!

Onderwijsvrijheid 'nu'

Zijn we vandaag de dag in een nieuwe schoolstrijd verwikkeld? Velen denken, dat dit beslist niet het geval is, maar veel verschijnselen wijzen echter op het ontbranden van een nieuwe schoolstrijd.

Laten we de ontwikkelingen van de laatste jaren eens nagaan. In de discussie over het voorontwerp van 'de Wet gelijke behandeling' bleek, dat de besturen van bijzondere scholen bevreesd zijn voor de aantasting van de vrijheid van onderwijs. Deze besturen spraken ook hun vrees uit tijdens de voorbereiding van de Wet medezeggenschap in het onderwijs.

In 1981 werd bezwaar gemaakt tegen de komst van J. A. van Kemenade als minister, niet omdat deze de middenschool wilde, maar omdat men vreesde dat hij de positie van het bijzonder onderwijs zou aantasten. In maart 1982 werd door de onderwijsvakbond ABOP gepleit voor 'ontzuiling' binnen het onderwijs. Daar komt nog bij dat openbare en bijzondere scholen in veel plaatsen terecht gekomen zijn in een concurrentieslag om het steeds schaarser wordende aantal leerlingen. Zelfs de kinderen van anderstaligen worden in deze leerlingenstrijd betrokken. In de Kamer zijn verschillende debatten gevoerd over de wijze van scholenplanning, over de decentralisatie van het onderwijs, over de bestuursvorm van openbaar en bijzonder onderwijs én over de kosten van de verzuiling (is de vrijheid van onderwijs in ons land niet te duur?).

In de Wet op het basisonderwijs (ingevoerd op 1 augustus 1985) werden een aantal nieuwe vakgebieden door de overheid verplicht gesteld.

Is dit alles een bedreiging voor onze dierbare onderwijsvrijheid? Hoe lang leven we nog in de tijd van 'de Farao's die Jozef hebben gekend'?

Waakzaamheid

We kunnen veel van de geschiedenis leren, ook van de geschiedenis van de strijd voor de vrijheid van onderwijs. Onlangs las ik een artikel over de hervorming van het onderwijsbestel in ons land. In dit artikel werden de niet-confessionele politieke partijen opgeroepen om gezamenlijk op te treden. Ik citeer: 'Het wachten is. nu op de ideologisch-politieke versterking van de niet-confessionele partijen. De nieuwe schoolstrijd dwingt juist deze partijen tot bezinning op de onderwijspolitiek'.

Laten we met betrekking tot de vrijheid van onderwijs toch enorm waakzaam, maar vooral ook kritisch zijn.

Bij elk voorstel, dat van overheidswege tot ons komt, moeten we kritisch afwegen, wat de bedoeling van deze overheid is. Mag de overheid dit vragen, zonder dat de vrijheid van onderwijs wordt aangetast?

Nogmaals: laten we waakzaam én kritisch zijn! Ik wil u allen oproepen om de ontwikkelingen met betrekking tot het onderwijs in ons land nauwlettend te blijven volgen. We krijgen regelmatig nieuwe bezuinigingsmaatregelen voorgeschoteld.

Zullen we, net als kort na 1920, te maken krijgen met de cirkel van onvrijheid rond het bijzonder onderwijs?

Laten we voortdurend de 'vrijheid van het bijzonder onderwijs' in onze gebeden opdragen aan de troon van Gods genade. Hij kan ons behoeden voor inperking van de verkregen vrijheid. Laten we als leerkrachten zorgvuldig omgaan met deze vrijheden en ons steeds laten leiden door Gods Geest. Dan alleen kunnen we de aan ons toevertrouwde leerlingen voorgaan in de vreze van Gods Naam.

Ik denk hierbij aan enkele regels uit een gebed van Michel Quoist:

'We hebben onze kinderen een boodschap
van U Heer over te brengen.
De woorden, die we spreken moeten ware woorden zijn.
Het moeten levende woorden zijn.
Maak Heer onze woorden in het onderwijs tot zaad.
En laten we toch, ondanks ons, door Uw Geest
een rijke oogst mogen verwachten!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vrijheid van onderwijs?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's