De zesjaarlijkse stemming (2)
Enkele aspecten
Na bij een enkele halteplaats in de gang der geschiedenis te hebben stilgehouden, volgen ditmaal enige overwegingen dan wel opmerkingen betreffende de zesjaarlijkse stemming zélf.
Hier en daar heb ik dankbaar gebruik gemaakt van hetgeen de hoogbejaarde en nog steeds actieve prof. dr. G. P. van Itterzon (geb. 1900) in de loop der jaren hierover in het 'Hervormd Weekblad' heeft geschreven.
Waarover dient te worden gestemd?
De Kerkorde kent — eenvoudig gezegd — in feite 3 manieren om de kerkeraad samen te stellen. In eerste instantie heeft men de keuze uit twee mogelijkheden:
1. de kerkeraad wordt door de tot stemmen bevoegde lidmaten zelf verkozen, of
2. de verkiezing van ouderlingen en diakenen geschiedt geheel door de kerkeraad zelf óf door stemming door de tot stemmen bevoegde lidmaten na tussenkomst van de kerkeraad.
Het sub 2 gestelde valt dus eigenlijk in tweeën uiteen. Vandaar dat er werd gesproken van 3 manieren.
Er dient, als niet voor de eerste methode gekozen wordt, een tweede stemming gehouden te worden. Men moet dan namelijk nog uitmaken in hoeverre men de bevoegdheid in handen van de kerkeraad wil leggen. Mag de kerkeraad geheel binnenskamers zijn bevoegdheid uitoefenen óf moet de kerkeraad een tweetal opmaken, waaruit de tot stemmen bevoegde lidmaten dan kunnen kiezen?
Wezenlijk verschillen deze laatste twee methoden niet, er is slechts een gradueel verschil.
Het is wel van zeer groot belang, dat het stembiljet (om zo te zeggen) overduidelijk is. Dubbelzinnige en/of onvolledige stembriefjes kunnen verwarring scheppen en dusdoende tot een in feite door niemand gewenst resultaat leiden.
Mag er een goede raad gegeven worden? 'k Zou zeggen: bestel het vereiste aantal stemformulieren (zoals hierna afgedrukt), dat het secretariaat-generaal van onze Generale Synode voor weinig geld beschikbaar heeft.
Bij dit stembiljet behoeft bij niemand de onaangename gedachte post te vatten dat men bij de eerste stemming reeds moet stemmen over iets, waarvan men niet weet óf er wel over gestemd zou moeten worden. De kiese formulering zorgt er zelfs voor dat zo'n gedachte niet eens behoeft op te komen. Men kan dus zonder bezwaar in één keer twee stemmingen tegelijk houden.
NED. HERVORMDE KERK Stembiljet 6-jaarlijkse stemming in het jaar 1986 betreffende verkiezing van ouderlingen en diakenen in de periode van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1992.
1e STEMMING
• Ik wens de bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen Voorbehouden te zien aan de tot stemmen bevoegde lidmaten.
• Ik wens de kerkeraad te machtigen deze bevoegdheid geheel of ten dele uit te oefenen.
2e STEMMING
Indien de meerderheid der tot stemming bevoegde lidmaten zich mocht uitspreken tot machtiging van de kerkeraad
• dan wens ik dat de verkiezing van ouderlingen en diakenen geheel aan de kerkeraad wordt opgedragen.
• dan wens ik dat de verkiezing van ouderlingen en diakenen zal geschieden uit dubbeltallen door de kerkeraad aan de tot stemmen bevoegde lidmaten voorgedragen.
Ter vergadering of naar het stembureau?
Het is blijkens Ord. 3-4-3 de kennelijke bedoeling van de Kerkorde de zesjaarlijkse stemming te laten plaatsvinden in 'een vergadering van lidmaten'. (In art. 10, lid 2 lezen we: Waar in dit hoofdstuk sprake is van lidmaten, zijn steeds bedoeld tot stemmen bevoegde lidmaten).
Omdat er met de Kerkorde echter ook te leven moet zijn in bijzondere omstandigheden, kan — desverlangd — het breed (sic!) moderamen van de classicale vergadering dispensatie verlenen van deze primaire regel.
Welke omstandigheden een kerkeraad anno 1986 nog zal kunnen aanvoeren om (opnieuw? ) de stembusprocedure te willen hanteren, ontgaat mij bijkans geheel. Een waardig argument lijkt mij dat veel gemeenteleden in ploegen zouden werken. Maar overigens? Is er werkelijk geen ruimte beschikbaar waar desnoods een flink aantal lidmaten in vergadering bijeen kunnen komen? Eventueel kan dat toch in het kerkgebouw? Ook daar kan het karakter van een vergadering zeer wel bewaard worden. Kan de uitgestrektheid van de gemeente nog als excuus gelden? Niet slechts sinds de Batavieren, maar zeker vanaf 1951 is vrijwel een ieder zienderogen meer mobiel geworden. De vorige maal beloofde ik te herinneren aan Ord. 3, art. 1. Welnu, dat doe ik graag thans! Door dit artikel worden kerkeraad en gemeenteleden op hun bijzondere verantwoordelijkheid gewezen, opdat de ambten op de rechte wijze kunnen functioneren. In dit artikel wordt het geestelijk karakter van de verkiezing van ambtsdragers aangegeven.
Laat nu niemand zeggen dat de zesjaarlijkse stemming geen kerkeraadsverkiezing is en dat daarom aan deze stemming minder hoge eisen gesteld mogen worden. Dit is een al te simpele redenering. Immers, de wijze waarop de verkiezingen van ambtsdragers gedurende een zestal jaren plaatshebben, vinden hun rechtsgrond in de uitslag van een correct gehouden zesjaarlijkse stemming'
Er is van een zo innige correlatie sprake, dat een vergadering de meest ideale vorm is om de zesjaarlijkse stemming te houden — een vergadering die naar christelijke ordening geopend en gesloten wordt. Dat beoogt de Kerkorde ook. En laten we ook de boodschap van Ord. 3, art. 1 maar eens op ons in laten werken.
Men zal naar mijn inzicht wel een uitzonderlijke reden moeten hebben alvorens men een verzoek om dispensatie doet uitgaan. En — zo voeg ik er aan toe — het breed moderamen van een classicale vergadering dat een dergelijk verzoek zal hebben te beoordelen, mag wel danig 'wikken en wegen' alvorens men z'n fiat geeft.
Uit Ord. 3-4-2 valt zeer beslist niet af te leiden — het zij volledigheidshalve gezegd —, dat een kerkeraad ontheffing zou kunnen krijgen van het houden van de zesjaarlijkse stemming. Een dergelijke stemming is een 'must'.
Wie belegt een vergadering en wie heeft de leiding?
Een vergadering van lidmaten wordt belegd door de kerkeraad en in grotere gemeenten door de wijkkerkeraad. Een centrale kerkeraad heeft bij de zesjaarlijkse stemming geen taak, of het mocht zijn dat hij zou willen adviseren of iets dergelijks, hetgeen hem uiteraard is toegestaan. Een centrale kerkeraad kan dus ook niet een grootscheepse vergadering beleggen, waarin tegelijk voor iedere wijkgemeente wordt beslist. Elke wijkgemeente beslist voor zichzelf.
De leiding van de vergadering heeft volgens Ord. 3-4-3 het moderamen van de (wijk)kerkeraad (moderamen = praeses + scriba + assessor (Ord. 1-3-3)).
Vragen stellen/opmerkingen maken
Een vergadering van lidmaten ten behoeve van de zesjaarlijkse stemming valt onder 'de overige lichamen der Kerk', zoals geregeld in Ord. 1-15-1. Een nadere ontvouwing van wat een 'lichaam' is, vinden we in lid 2.
Omdat een vergadering van lidmaten een taak heeft als bedoeld in art. 15, is zo'n vergadering een 'lichaam'. Bijgevolg is ook art. 21 (= de orde der vergaderingen) van Ord. 3 op een dergelijke lidmatenvergadering van toepassing.
In lid 12 van art. 21 lezen we, dat door het moderamen wordt vastgesteld 'de volgorde van de te behandelen zaken en de wijze waarop dit geschiedt, behoudens bezwaar van de vergadering'.
Wat hieruit valt op te maken is het volgende: als het moderamen zou stellen, dat met betrekking tot hetgeen aan de orde is geen opmerkingen gemaakt mogen worden of slechts vragen mogen worden gesteld, dan kan hij dat alleen maar realiseren indien de vergadering géén bezwaar maakt!
Juist omdat de Kerkorde het karakter van een vergadering wil laten prevaleren, heeft de vergadering het spreekrecht. We komen immers niet ter stembus! De vergadering mag dan ook niet worden gedegradeerd tot een samenkomst om een stembus.
'Rumor in casa' — is dat te voorkomen?
De zesjaarlijkse stemming wil de gemoederen nog wel eens bezighouden. Er wandelen in alle tijden overal dissidenten rond. In de loop van de afgelopen 6 jaar kunnen dissidenten zijn uitgegroeid tot malcontenten en sommige malcontenten ontaarden wel in opposanten. Er kan ook oud zeer zijn. In een dergelijke situatie is het wel te hopen, dat de kerkeraad zijn eigen beleid steeds weer kritisch beschouwt.
In het moderne spreken over 'gezag' kan men allerlei nieuwe uitspraken vernemen: 'gezag is een kenmerk van relatie tussen mensen en groepen' — 'gezag is door machtsonderworpenen erkende en aanvaarde macht' — 'het functionele gezag (erkenning van macht op basis van instemming met de doelstellingen waartoe en de wijze waarop de macht wordt gebruikt) zal van steeds grotere betekenis worden'.
Dit denken beïnvloedt stellig ook het denken in de kerk: daardoor dreigt men te profaan tegen de kerkeraad aan te kijken.
Het klassieke formulier van bevestiging van ouderlingen en diakenen stelt, dat de ambtsdragers 'wettig van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelf tot deze heilige diensten' beroepen zijn. Het is juist in deze tijd raadzaam dit de gemeente steeds nadrukkelijk (er) voor te houden.
Het moderne denken leert ons toch wel, dat het goed is als de gemeenteleden het gevoerde beleid herkennen, zodat er erkenning is. Het gevleugelde woord van Tijl Uilenspiegel (ca. 1519) — 'ze haten me, maar ik heb het er naar gemaakt' — dient kerkeraden een spiegel te zijn. We haasten ons te verklaren, dat er ook (veel) kritiek is, die niet terecht is, ja — wat erger is —, die Schrift en confessie niet aan haar zijde heeft. Vooral dan wensen we de kerkeraad bedachtzame vasthoudendheid toe, ja — wat meer is —, een 'vleugje van de geest van Elia' (dr. W. Aalders). Wat overigens altijd gelden moet en een ieder zich voor gezegd mag houden, is in de zojuist bedoelde situaties zeker van belang, namelijk dat de 'vergadering van lidmaten' op een correcte en zakelijke manier wordt voorbereid en geleid.
Van belang is:
— dat het oproepen van de tot stemmen bevoegde lidmaten volgens de regels gebeurt:
a. óf door middel van een schriftelijke mededeling van een ieder persoonlijk (ten minste 8 dagen en ten hoogste 30 dagen van tevoren).
Deze methode is arbeidsintensief, vrij duur en vergissingen zijn hierbij mogelijk.
b. óf door een mededeling in het kerkblad mét een afkondiging in een kerkdienst.
Deze tweede methode verdient mijns inziens navolging.
Lees de Kerkorde overigens wel goed! Er staat: 'een mededeling' in het kerkblad met afkondiging in 'een kerkdienst'. Met één mededeling in het kerkblad en één afkondiging in de morgendienst(en) op één zondag kan derhalve worden volstaan.
N.B. Hoewel er door een vorig jaar aangebrachte wijziging van de Kerkorde geen register met de namen van de tot stemmen bevoegde lidmaten meer behoeft te worden opgemaakt en dus ook niet meer ter inzage gelegd, zal het met het oog op de zesjaarlijkse stemming toch nodig zijn, naar de meest recente stand van het register van gemeenteleden, een overzicht te maken van de tot stemmen bevoegde lidmaten. (Men weet dat de lidmatenlijst én de lijst van stemgerechtigde lidmaten niet identiek behoeven te zijn? !) Om te voorkomen dat de naam van iemand abusievelijk niet voorkomt op de lijst die op de vergadering ter controle aanwezig dient te zijn (hoe pijnlijk het iemand zijn of haar 'neus stoot' laat zich verstaan), lijkt het geraden vlak voor de datum van de verkiezing deze lijst ter inzage te leggen. Als er dan voor de vergadering problemen ontstaan, kan — ter verontschuldiging — terecht worden gezegd, dat de lijst ter inzage heeft gelegen.
— dat duidelijk aangegeven wordt wanneer de vergadering begint — b.v. precies 20.00 uur — en hoeveel eerder men reeds toegang tot de vergaderruimte heeft — b.v. een half uur —. Een minuut te laat wil dan zeggen, dat men niet meer kan worden toegelaten. Uiteraard dient deze interpretatie van 'precies 20.00 uur' wel in de mededeling/afkondiging te worden aangegeven. Wie wil tegenwerpen dat we rekening moeten houden met eventueel 'klokverschil' dient te bedenken, dat niet de kerkeraad als uitnodigende instantie hiermee moet rekenen, maar dat de lidmaten zich hiervoor moeten vrijwaren en wel door tijdig aanwezig te zijn.
Mogelijk zou iemand tegen het sluiten van de deur protest willen aantekenen. Dat zou in strijd zijn met het openbaar karakter van een vergadering. Hiertegen dient te worden opgemerkt, dat het niet om een openbare vergadering gaat waar iedereen toegang heeft, maar uitdrukkelijk om een vergadering van tot stemmen bevoegde lidmaten van de (wijk)gemeente.
Verder kan men zich terecht de vraag stellen, hoe de vergadering in het algemeen en de stemming in het bijzonder een ordelijk verloop kan hebben zonder een tijdslimiet ten aanzien van de deelname eraan.
dat het tellen van de stemmen in de vergadering zelf gebeurt, met de stembevoegde leden erbij. Daar heeft men recht op.
Een inventief moderamen weet in de tijd dat men de stemmen telt, de vergadering stellig wel op een passende wijze bezig te houden.
Wie, na zijn of haar stem te hebben uitgebracht weggaat, handelt niet juist. Ordelijk is, dat ieder, die ter vergadering komt, niet alleen de opening, maar ook de sluiting (met dankgebed!) meemaakt.
— dat weliswaar het moderamen zelf de stemmen kan tellen, maar dat het nuttig kan zijn een stemopnemingscommissie te benoemen, waarin mijns inziens minstens één lid van het moderamen zitting moet hebben en wel als voorzitter.
Zelf viel mij in 1968 een dergelijke benoeming te beurt in de in die tijd vrijzinnige Hervormde Gemeente te Moordrecht. Als secretaris van de toenmalige Ned. Herv. Evangelisatie-Vereniging op G.G. (thans deelgemeente Bethel) nodigde men mij daartoe expresselijk uit.
'Kleingoed'
— Van de zesjaarlijkse stemming geldt, dat zij een stemming over zaken is. Welnu, dan geldt als beslissend de volstrekte meerderheid van het totaal der uitgebrachte stemmen — Ord. 1, art. 24, lid 5. Met betrekking tot vergaderingen van lidmaten geeft Ord. 3, art. 10, lid 3, een nadere bepaling: bij de berekening van het aantal geldig uitgebrachte stemmen tellen blanco stemmen niet mee. Dit alles betekent: méér dan de helft van de geldig uitgebrachte stemmen is voldoende — dus reeds de helft plus een half is een volstrekte meerderheid.
Bovendien is een stemverhouding van bijvoorbeeld 5 tegen 4 reeds van beslissende betekenis. Er geldt namelijk geen quorum — Ord. 3-10-3.
— Mag men 'stemmen bij volmacht'? Het feit dat het onder zekere voorwaarden in ons staatsbestel wel mogelijk is, roept wel de vraag op, maar vermag deze niet bevestigend te beantwoorden. De Kerkorde kent zulk een bepaling eenvoudig niet! Wie zou dit trouwens — gelet op het geestelijke karakter van de regering der Kerk — prefereren? — Het ware te overwegen — indien de beschikbare accommodatie daartoe faciliteiten biedt — in grotere gemeenten zo veel mogelijk wijkgemeenten op één en hetzelfde tijdstip te laten stemmen: b.v. de ene wijkgemeente in het wijkgebouw, de andere in het catechisatielokaal en de derde in de kerkruimte.
Men zal deze evenwel nimmer in eenzelfde ruimte laten plaatsvinden. Dat mag dan gemoedelijk-broederlijk heten, zoiets vraagt om moeilijkheden! En wat koopt men voor deze risico's?
Een praktisch punt is, dat voor allen dezelfde datum en tijd gelden. Een wezenlijk voordeel kan zijn, dat men zodoende de uitslag van de verkiezing van de andere wijkgemeente(n) dan niet kan beïnvloeden. Het kan óók zijn, dat dit laatste nu net niet zou moeten gelden. Dat juist — om zekere nobele redenen — gehoopt wordt dat een bepaalde wijkgemeente het 'goede' voorbeeld zou mogen geven — een voorbeeld dat tot navolging nodigt.
— Zij die over het voorafgaande kalenderjaar in gebreke zijn gebleven hun periodieke Kerkelijke Bijdrage, bedoeld in Ord. 16-7-1, te voldoen, mogen overeenkomstig Ord. 3-2-2c, niet stemmen.
Ten slotte
Ik wens iedere gemeente graag een goede 'zesjaarlijkse stemming' toe. Dat ook die stemming moge zijn tot 'opbouwing van het lichaam van Christus' — Efeze 4 : 12.
Erratum: in het vorige artikel moet op blz. 547 derde kolom voor 'tienjaarlijkse stemming' gelezen worden: 'zesjaarlijkse stemming'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's