De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Godsregering in diskrediet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Godsregering in diskrediet

Antwoord van ds. J. Maasland aan ds. H. de Leede

11 minuten leestijd

Capelle aan den IJssel, september 1986

Beste collega De Leede,

Vriendelijk dank voor de aandacht waarmee u kennelijk mijn referaat op de jaarvergadering hebt beluisterd en later in 'De Waarheidsvriend' nog weer eens grondig hebt bestudeerd. U hebt er bijna een co-referaat aan toegevoegd. Als ik het goed begrepen heb, dan hebt u nogal wat gemist in mijn verhaal. Nu zijn wij predikanten wel gewend dat te horen. Dus daar keek ik eigenlijk niet zo van op. Je leert daarmee leven. Of, als critici gelijk hebben, het gemiste alsnog toe te voegen. U begint zeer instemmend en lovend. Zo gaat dat wel vaker. En dan komt het. Eerlijk gezegd heb ik bij grondige overweging van uw kritische punten gedacht: hoe kan iemand zo vol lof beginnen om vervolgens kenbaar te maken dat hij eigenlijk iets anders had willen horen. Want samengevat bedoelt u te zeggen: wat u te berde bracht over de Godsregering is niet veel anders dan repristinatie. Zo kan het in deze tijd niet meer. Daar is terzake de Voorzienigheid Gods in de achterliggende eeuwen teveel gepasseerd. We dienen een andere weg te kiezen om het Bijbels getuigenis in deze te vertolken. Samengevat: u begint met instemming, maar u wilt iets anders horen. En dat mag wat mij betreft gerust. Laat ik proberen in het kort aan te geven hoe ik tegen uw vragen aankijk. Ik hoop u daarbij recht te doen en dezelfde toon te vinden die uw schrijven zo siert.

Doopformulier en N.G.B.

1. U voelt zelf een onderlinge afwijking (discrepantie) aan tussen het spreken van bijv. het Doopformulier en artikel 13 van de NGB. Het Doopformulier spreekt getuigend, belijdend. Maar artikel 13 doet dat veel minder, vindt u. Vanuit wat u later in uw brief eigenlijk als hoofdvraag op tafel legt, ziet u hier al het fatale misverstaan van de Voorzienigheid Gods in later eeuwen tot op vandaag toe in de wortel ontstaan. Om het met uw eigen woorden te zeggen: de natuurlijke mens krijgt teveel ruimte om God voor de rechtbank van zijn verstand of van zijn wil of zijn gevoel te dagen. Het Doopformulier spreekt vanuit Christus, vanuit de verzoening, vanuit het bijzondere en zo moet het. Artikel 13 echter staat in 'het algemene' en dat moet niet. Want juist dat 'algemene' gaf en geeft al te veel aanleiding tot het misverstaan waar we vandaag de tol nog steeds voor betalen. Ik hoop u zo goed begrepen en weergegeven te heb­ben. Ik ben het met deze conclusie beslist niet eens. Laat de toonzetting van artikel 13 betogender zijn, dogmatischer om zo te zeggen en de woorden van het Doopformulier getuigender, dat wil nog niet zeggen dat het 'christelijke', het 'bijzondere' van artikel 13 minder duidelijk hoorbaar en merkbaar is. Hoe kan dan iemand beginnen met de woorden: 'Wij geloven dat die goede God...'. Let wel: wij gelóven! Hoe kan iemand zich vervolgens karakteriseren met: 'leerjongeren van Christus' en God zijn 'goedertieren hemelse Vader' noemen. Nee, artikel 13 is een specifiek Christelijke belijdenis waar verzoening en voorzienigheid duidelijk in relatie met elkaar staan. Iemand die 'algemeen' spreekt, zou dit nooit zo zeggen. En dat geldt m.i. hetzelfde van Calvijns spreken in de Institutie. Ik heb die nooit anders kunnen lezen dan geschreven vanuit het geloof in Christus. Moeten we er niet voor waken onze problematiek in te lezen in belijdende geschriften die nog niet belast waren met de onderhavige vraagstelling?

Misverstanden

2. U zegt dan: ja maar, vanwaar die latere misverstanden? Vanwaar die afschuwelijke en verwerpelijke caricatuur dan? Is de klassieke voorzienigheidsleer niet mede debet aan de fatale spraakverwarring van later? Is het dal waarin we met ons gereformeerd belijden kennelijk terecht zijn gekomen dan niet mede aan die belijdenis te danken? Dan zeg ik: ja maar een caricatuur van iets is toch niet toe te schrijven aan datgene waar een caricatuur van is gemaakt. Hetzelfde zou bijv. ook te zeggen zijn van de klassieke belijdenis aangaande de predestinatie. U wijst daar zelf ook op in uw brief in het gedeelte waarin u Woelderink noemt. Predestinatie werd lotsbestemming, vrijmacht Gods werd tot onbewogenheid van het Opperwezen etc. Stuk voor stuk vertekeningen van wat de belijdenis inzake de predestinatie bedoelt. Maar is het geheel en al terecht deze vertekeningen aan het gereformeerd belijden te verwijten? Het bederf van het beste is het slechtste. Maar daarom is het beste nog niet het slechtste? Dat zegt en bedoelt u niet, maar de suggestie zou zo wel over kunnen komen. Ik geef toe: de vertolking van de klassieke voorzienigheidsleer heeft tot gruwelijke vertekeningen geleid. Daar komen spotverhalen van iemand als Maarten 't Hart vandaan. Hij zwengelt de bestaande caricaturen alleen nog maar aan en verzint er de nodige bij. Maar heeft die vertekening van de klassieke voorzienigsleer in later eeuwen niet veel meer te maken met ons boze hart, met ons afgodisch staan. Wij willen een God die in onze raam te pas komt. Die ons geeft wat we hebben willen. Een God die we naar onze hand kunnen zetten. Ligt daar niet ook de oorzaak van de latere humanisering van het Godsbeeld. Is het niet de torenhoge hoogmoed van de natuurlijke mens die zich een God creëert naar eigen beeld en gelijkenis. Wij willen kloppend maken wat niet kloppend te krijgen is met ons verdorven verstand. En maar al te zeer is daar door de kerk aan toegegeven. Maar daarvoor is naar mijn mening het klassieke belijden beslist niet in de beklaagdenbank te zetten.

Dezelfde dingen anders?

3. We moeten dezelfde dingen anders zeggen. Dat is een regel waar je zo op het eerste gehoor geen moeite mee hoeft te hebben. Wij hebben het Woord te vertolken. Ook de inhoud van de gereformeerde belijdenis vraagt om uitleg, toelichting, actualisering. Maar uw brief lezend, denk ik dat u toch meer bedoelt. Of u zich dat zelf bewust bent, weet ik niet. Laat ik toelichten wat ik bedoel en wat ik toch meen te lezen in uw brief. U wilt hetzelfde anders zeggen. Met nadruk op 'anders'. Vanuit een andere invalshoek, via een andere toegangsweg. U wilt wel bij hetzelfde uitkomen als de klassieke belijdenis terzake de voorzienigheid Gods stelt, maar u kiest voor een andere route erheen. Omdat u van mening bent dat we dan de fatale vergissingen van het verleden kunnen omzeilen of zelfs de wereld uithelpen. Op zichzelf een loffelijk streven. Het moet ons inderdaad gedurig alle moeite waard zijn om recht te doen aan het Bijbels getuigenis. Toch, ik zeg het maar meteen: ik vind dat uw voorstel niet maar een kwestie is van 'dezelfde dingen anders zeggen'. U komt met iets anders. U komt naar mijn mening bij iets anders uit. U zegt terecht dat ik geestelijk, geloofsmatig en pastoraal vanuit de bijzondere Godsopenbaring heb gesproken. U vraagt mij: waarom trekt u dogmatisch niet de conclusie daaruit door te stellen dat wij vandaag de dingen niet meer zo kunnen zeggen als bijv. Calvijn dat deed. Welnu, om de doodeenvoudige reden dat ik dat niet nodig en ook niet gewenst vind. Ons belijden is trinitarisch. We moeten de noëtische weg onderscheiden van de ontische weg. Het is waar dat we God als Schepper kennen door de Schrift. En pas de verlossing doet ons de schepping recht en zuiver kennen. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de verlossing aan de schepping vooraf zou gaan. De schepping is er eerst. Als een werk van God de Vader. En ik vind niet dat je daaraan voorbij kunt gaan, door te beginnen bij de verlossing, bij de verzoening en pas dan over het werk van God de Vader, de Schepper en Onderhouder kunt gaan spreken. Schepping en verlossing hebben elk hun eigen waarde. Ik lees in uw brief een krachtig pleidooi voor een christologische benadering. U stelt dat de christologische herinterpretatie van de gereformeerde theologie door Barth voor Woelderink als een herkenning fungeerde. Die richting moeten wij ook op, als ik u goed begrijp. Maar, met alle achting die ik voor veel van het werk van Woelderink heb, gebiedt ons de eerlijkheid toch te zeggen dat Woelderink bij de herinterpretatie van het klassiek belijden terzake de predestinatie de dingen niet maar anders heeft geformuleerd. Hij is iets anders gaan zeggen over de uitverkiezing.

U kiest voor de christologische weg. Alles terzake de voorzienigheid Gods moet vanuit Christus worden verstaan. Pas vanuit Golgotha verstaan we wat Gods vrijmachtig welbehagen is. Maar u zult toch moeten toegeven dat dit niet een kwestie is van dezelfde dingen anders zeggen. Dit is iets anders zeggen. In het gereformeerd belijden heeft men schepping en voorzienigheid altijd gezien naast verlossing en verzoening. Waar schepping en voorzienigheid zo ondergaan in de christologie, blijft daar dan nog ruimte over voor het vrijmachtig souverein handelen van God. In Christus gaat het om het heil, om verlossing? In de voorzienigheid Gods stuiten we op veel wat op onheil lijkt, tegenspoed, leed. Wat moeten we daar dan mee?

U zoekt naar een oplossing door een christologische concentratie. Maar binden we zo God niet aan Zijn ene daad in Christus. Als ik het goed begrijp wat u schrijft dan zegt u dat er via het klassiek belijden veel te abstract over God wordt gesproken en zo ook over Zijn voorzienigheid. God heeft te weinig gezicht, om zo te zeggen. Gods aangezicht is Christus. Bij Hem moeten we beginnen in al ons spreken over God en Zijn daden. U zult net als velen in onze tijd dan ook wel bezwaren hebben tégen wat we noemen 'de algemene genade'. Algemeen in de zin van los van Christus, zo wordt dat dan uitgelegd. Daar zou dan de reden liggen dat God veelal als een grillig fatum wordt beleefd. Nee, als het gaat om de voorzienigheid (en ik denk dat we de verkiezing hier niet buiten kunnen sluiten) moeten we opzien naar het kruis van Christus, zo vindt men. Maar u weet toch waar we uitkomen als we op deze weg theologisch voortgaan. In ieder geval op een ander spoor dan waar het gereformeerd belijden staat en gaat. Daarom blijf ik bij wat ik heb gezegd. Al lijkt uw weg nog zo aantrekkelijk, we doen God te kort in Zijn vrijheid van handelen.

Ethische vragen

4. Tot slot nog iets over uw ethische vragen. U constateert dat velen die vasthouden aan het klassiek belijden der kerk vaak zo aartsconservatief spreken, schrijven en handelen. We zouden daar van af kunnen komen door meer vanuit het Koninkrijk Gods te denken en te spreken. Dat zou ons radicaler maken in onze uitspraken, profetischer in ons getuigen. We zouden niet langer zijn wat we in de Gereformeerde gezindte toch veelal blijken te zijn: bevestigers en instandhouders van de status quo. U vindt mij op dit punt ook niet bevrijdend, niet kritisch genoeg. Met u ben ik van mening dat wij meestal niet uitmunten in het tijdig en actueel spreken in ethische, maatschappelijke en politieke vragen. Ook ik heb me zelf weleens de vraag gesteld: waarom lijken orthodoxen veelal zo conservatief, zo behoudend? Ik heb daar nog nooit een afdoend antwoord op kunnen vinden. Mede omdat er, denk ik, meerdere factoren een rol in spelen. Wereldvreemdheid, wereldmijding, etc. Maar ook het besef van de voorlopigheid en zondigheid en gebrokenheid van dit bestaan. Een daardoor misschien al te vlot afschrijven van de wereld, de schepping. Een zo sterk gericht zijn op het hiernamaals dat het belang van het hiernumaals verbleekt. Kortom, een afdoend antwoord heb ik niet. U wel, begrijp ik. We moeten meer denken vanuit het Koninkrijk Gods.

Het in principe aangebroken maar vooral ook komende Koninkrijk van gerechtigheid. Moet u in uw optiek niet oppassen het Koninkrijk al te aards te vullen? Het is toch ook weer niet van deze wereld. Noch een conservatieve ethiek en politiek noch een progressieve bieden garanties voor een ware theologie. Trouwens, mij valt soms op hoe verzet tegen wat we noemen 'een natuurlijke theologie' vaak politiek getint is. Het verwijt is bekend dat in deze 'theologie' de bron zou liggen van veel status quo denken en van heidens conservatisme. Is dat steeds vol te houden? Bovendien, de felste bestrijders van de 'natuurlijke genade' vervallen zelf soms binnen de korste keren in de armen van marxistische lieden.

Ik ga eindigen. Laten we de discussie vanaf dit forum beëindigen. Ik heb geprobeerd u recht te doen en u te begrijpen. Ik weet niet of het gelukt is. Ik zou u willen vragen: overweeg nog eens of uw voorgestelde weg inderdaad wel zo begaanbaar is als hij u lijkt. 

De God en Vader van onze Heere Jezus Christus leide ons op Zijn weg door de kracht van Zijn Geest in kerk en samenleving.

Met broederlijke groet,

J. Maasland, Capelle a/d IJssel

12 september 1986

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Godsregering in diskrediet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1986

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's