Globaal bekeken
Ter gelegenheid van het Doleantiejaar is in Zoetermeer gevormd een 'Doleantiecomité Zoetermeer'. Voor een te beleggen forumavond verwijzen we naar een persbericht elders in dit nummer. Verder gaf het comité een brochure uit getiteld '100 jaar dolerenden in Zoetermeer'. In die brochure is opgenomen een 'variatie voor kinderen op 1 Corinthe 13', geschreven door ds. Jan de Liefde, oprichter van de 'Vereniging tot Heil des Volks' en dichter van het lied 'van u zijn alle dingen'. Hier volgt de genoemde variatie.
Al waren mijn knikkers
Robijn en saffier,
Al was ook mijn vlieger
Van zilverpapier,
Al had ik een stokpaard
Gans sierlijk en mooi,
Al had ik een sijsje
In gouden kooi.
Al had ik een bromtol
Van 't kostbaarste hout.
Al had ik een hoepel
Met rinkels van goud.
Al had ik twee bokken
Met hoornen zó lang,
Met zilveren leidsels
En goudene stang.
Al was ook mijn spaarpot
De rijkste van 't land.
Al was ik de knapste
In kunde en verstand:
't Zou me alles niet baten
En 't was me geen schat.
Wanneer ik de liefde
Des Heeren niet had.
Voor het bovenvermelde forumgesprek werd een folder toegevoegd bij de brochure met daarin de brief, die dr. mr. W. van den Berg, voorman van de Doleantie in Voorthuizen (wel genoemd het geweten van de Doleantie) richtte aan 'de eerste conferentie van afgescheidenen en dolerenden', opgenomen in de Heraut van 2 oktober 1887. Hier volgt deze brief van deze boeiende, vrome man uit de Doleantietijd, aan wie thans menig artikel wordt gewijd.
Heilige Vader, bewaar ze in Uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als Wij. Johannes 17
'Een bede tot vereeniging uit het Hoogepriesterlijk gebed. Al ons bidden, ook om die vereeniging, moet zijn grond hebben in die voorbede.
Intusschen, niet in de eerste plaats om de vereeniging van al Zijn volk bad onze Middelaar. Voorafging het tweemaal (vers 1 en 5) uitgesprokene: Verheerlijk Uwen Zoon! Op geen pogen tot één worden van Gods volk rust alzoo zegen, waarbij een verheerlijking van Christus niet op den voorgrond staat. Niet de eenheid der Kerk mag alzoo gezocht worden om koste der zuiverheid! En omgekeerd: alléén wie de verheerlijking des Zoons op de ziel zich gebonden gevoelt, mag daarna en op grond daarvan bidden om vereeniging van allen, die Hem gegeven zijn. Eindelijk, eene verbeurde gave wordt daarbij gesmeekt; het bloed der verzoening is daarbij onmisbaar.
Niet alleen om de vereeniging van Gods volk wordt door Jezus gebeden. Ook om de bewaring tegen alle vijanden (vers 11, 25) en om de heiliging van dat volk in de Waarheid (vers 17, 19). En daarom, wat God vereenigd heeft, scheide de mensch niet! Geen gebed om, geene poging tot vereeniging is gezegend, zoo niet tevens de noodzakelijkheid dier bewaring en heiliging gevoeld wordt.
Wie moeten één zijn? Die de Vader aan den Zoon gegeven heeft. Dezen allen te onderkennen vermogen wij niet; onder hen, die de Waarheid het zuiverst belijden, mogen zij allereerst wel gezocht worden; maar ook onder hen, die afdwaalden van die Waarheid, gelijk het gebed vóór de leer van den Catechismus zegt: "Wil ook genadiglijk bekeeren allen, die nog van Uwe Waarheid afdwalen, opdat wij allen te zamen Ueendrachtiglijk dienen." — Over de terechtbrenging van het afgedwaalde schaap meer blijdschap dan over hen, die bewaard bleven!
En toch bovenal smartelijk valt de breuke tusschen hen, die ook kerkelijk zich onder het eenig Hoofd Jezus Christus stelden, Zijn Woord tot richtsnoer namen, en toch gescheiden bleven.
Die breuke is slechts één der vele krankheden, die Jezus' discipelen teisteren. Deze ééne krankheid doe ons de andere niet vergeten: laat ons thans echter van die ééne nagaan den aard en de oorzaak, de gevolgen en de genezing.
Die scheiding tusschen de Gereformeerden is eene schuld voor God. Dikwijls wordt slechts met het oog op de nuttigheid deze zaak besproken; en dan nu eens op grond daarvan de vereeniging gewenscht, dan weder onraadzaam geacht. Alzoo blijft eene zekere onverschilligheid bestaan; en toch luidde het gebod des Heeren: ' 'Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt." Is die gescheiden toestand geen gevolg van gebrek aan liefde tot elkander, zoowel als tot het gebod des Heeren, en daarom schuld voor God?
Toch hebben wij nog dieper af te dalen. Op den bodem dier scheiding tusschen Gods volk ligt eene scheiding tusschen Goden Zijn volk! Ook deze scheiding moet beleden, gepeild en betreurd worden.
Eene scheiding tusschen God en Zijn volk. Wanneer er benauwdheid is over uitwendige vijanden of inwendige verdeeldheid, komt uit den hemel dit antwoord op het klagen: "Ziet, de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen, en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen hooren. Maar uwe ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort." (Jesaja 59 : 1.)
Nog meer bewijzen leveren Schrift en Belijdenis voor die verklaring van den bestaanden smartelijken toestand. Let op onzen tekst. Indien de bewarende hand des Vaders over de Zijnen waakt, dan zijn zij vereenigd. Keert die hand zich tegen hen, zoo liggen zij gedeeld. Er kome onderzoek naar de zonden, waarin de Heere ons overgaf aan inwendigen strijd en inwendige scheuring.
Wanneer de Catechismus van de gemeenschap der heiligen spreekt, wordt eerst de "lijdelijke" gemeenschap genoemd, waardoor de lidmaten aan den Heere Christus en al Zijne schatten en gaven gemeenschap hebben; daarna de "dadelijke!', waardeerde gemeenschap der geloovigen onderling bedoeld wordt. Keeren wij nu die orde om, wordt er meer nadruk gelegd op de vereeniging met elkander dan op die met den Heere, dan komt Gods volk tusschen Christus en de geloovigen te staan, de afgoderij is geboren, en de scheiding tusschen God en Zijn volk blijkt in de scheuren, die Hij tusschen Zijne kinderen trekt.
Een van de gevolgen dezer breuke? Vooreerst ongezonde ontwikkeling van elk der deelen. In het lichaam des Heeren hebben de verschillende deelen elkander noodig. Geschiedt dit niet, dan ontstaat er eenzijdigheid, dan worden gebreken openbaar, die vruchteloos bestreden, vruchteloos bedekt worden. Hunne oorzaak ligt soms bij hen, die het scherpst toezagen, maar van verre bleven staan, en vergaten, dat juist de vereeniging der geloovigen middel is tot onderlinge bewaring in den Naam des Heeren.
Dr. Mr. W. van den Bergh.
Naast het bederf, dat inwendig ontstaat, slingert zich van bulten een woekerplant, die het leven van Gods Kerk zoowel als der enkele zielen ondermijnt: de geestelijke hoogmoed. Eens gescheiden, doet elke kerk dus het licht vallen op hetgeen haar boven de anderen onderscheidt, terwijl eigen gebreken zooveel mogelijk verkleind of bemanteld worden. Een gemakkelijke en verleidelijke, maar gevaarlijke en zondige tactiek. Zij verbittert steeds meerde harten, terwijl men zelf inwendig geestelijk meer verdort en kwijnt.
Nog zwaarder ellende sleept die toestand na zich. Joh. 17:21 lezen wij: "Dat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij Mij gezonden hebt." — Op de eenheid der geloovigen volgt als vrucht een beslag, op de wereld gelegd. Omgekeerd, waar die eenheid verscheurd wordt, wijkt de wereld verder weg ja, erger geschiedt, wanneer die wereld in den toestand van des Heeren volk aanleiding zoekt om Gods Naam te lasteren!
Uit hetgeen voorafgaat, volgt reeds, langs welke lijnen een vereeniging, waarop zegen rust, geschieden zal.
Voorop sta de wet der eenheid tusschen allen, die de Waarheid belijden, zoodat allen tot ééne Kerk behooren, zij het ook, dat élk zich wel onderzoeke, door welke afgoderijen of eigenwillige paden hij zich aan de hoede des Vaders en de gemeenschap der medegeloovigen onttrokken heeft. En dan zal ook de zuiverste Kerk van hare belijdenis en kerkregeering, in hare geschiedenis en haren toestand wel oorzaak kunnen vinden, waarom die vereeniging vertraagd en verlamd werd.
Die vereeniging met den Heere ligge niet minder na aan het harte dan die met elkander, en ernstig hebben de bedienaren des Woords hun gemeenten aan te wijzen, welke zonden op geestelijk en zedelijk, huiselijk en maatschappelijk, kerkrechtelijk en staatkundig gebied Gods aangezicht afkeerden van Zij!) volk, zoodat Hij naar hun smeeken niet hoort, hun pogen niet zegent.
Alzoo hereeniging met den Heere moet de grond zijn der vereeniging met elkander. Maar dan ook, geene kerkelijke vereeniging is hartelijk en duurzaam, zoo niet een geestelijke daarmede gepaard gaat, als in dit woord is uitgedrukt. Filipp. 2:3: Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zelven. Een iegelijk zie niet op het zijne, maareen iegelijk zie ook op hetgeen des anderen is." En mag dan wellicht de Kerk, die het zuiverst door anderen geacht wordt, in eigen oog al hare gerechtigheden wegwerpelijk keuren, dan zal er weder een pleiten komen op die voorbede van Christus, den eenigen grond, waarop nog iets te hopen valt.
En dan antwoordt de Heere: Die zijne ongerechtigheid bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen." (Spr 6:13.) Dan kome er tuchtoefening in eigen boezem, onderzoek ook van velerlei persoonlijke en plaatselijke redenen, waardoor de verwijdering bevorderd wordt, maar die door de kracht der liefde Christi mochten verdwijnen.
En eindelijk deernis met hen, die ook nog door onze schuld venvijderd liggen, zoodat de vereeniging niet slechts zij totdat, maar opdat zij met ons zich bekeeren tot den Heere onzen God. De vereeniging, de bewaring, de heiliging van Gods volk te zamen afgebeden, uit elkander vloeiend, elkander waarborgend, elkander voorbereidend. Aldus zal met elke, door God gewerkte, waarachtige vereeniging opbloeiing van geestelijk leven, machteloosheid des vijands op den duur blijken gepaard te gaan.
In den Naam des Heeren geheiligd, in den Naam des Heeren bewaard, in den Naam des Heeren vereenigd: welke heerlijke stoffe voor het Halleluja hierbeneden, ja, voor de engelen in den hemel, die juichen over kerken, die, eerst verstrooid en verloren, thans weder gevonden en vereenigd zijn in Christus, haar Hoogepriester en Koning.'
***
Vorige week namen we enkele stukjes over uit het boek van dr. J. H. van de Bank te Ede, Kudde in veelvoud, 'een kleine kerkgeschiedenis van Ede'. Hier volgen nog twee stukjes, uit de meer recente kerkgeschiedenis.
• Geen dolerende geiten op het hervormde kerkhof
Of er nu werkelijk in 1887 zoveel rust in Ede heerst, valt te betwijfelen: de kerkscheuring heeft heel wat strijd en ruzie met zich meegebracht. Families werden erdoor verscheurd, vrienden werden elkaars vijanden. Geiten van 'dolerenden' mochten niet langer op het hervormde kerkhof grazen, leveranciers moesten voortaan de deur maar voorbijgaan. En zelfs de kinderen deden de volwassenen na, als zij het rijmpje zongen:
'ik heb de klompen laten klampen om de dolle dood te trampen.'
Wanneer de eerste kruitdamp wat is opgetrokken, is er sprake van twee kerken, die voortaan gescheiden zullen optrekken. Het is voor ons heel moeilijk in te denken hoe ingrijpend dit alles is geweest: Ede dat slechts één kerk telde, waarin zo af en toe verschillen zichtbaar werden, vormde ook als dorp een eenheid rondom de kerk. Dat is nu doorbroken en de gevolgen in heel de samenleving blijven niet uit. Alle doen en laten wordt bepaald door tweedracht en het zal nog lang duren voordat men elkaar er- en herkent! De werkelijkheid van een kerk te zijn, brengt van alles mee voor de in Rehoboth bijeenkomende gemeente: de nieuwe kerkeraad onder leiding van consulent Eijsma moet overgaan tot de orde van de dag. Zo wordt een adres aan de koning verstuurd met bijvoeging van een exemplaar van de Dordtse Kerkorde van 1619. De hervormde kerkvoogdij ter plaatse krijgt de mededeling, dat er gebroken is met de synodale organisatie, en de tot nu toe bekende 67 'dolerende Kerken' worden in kennis gesteld dat er ook te Ede zo'n kerk is gekomen. Broeder W. Bussink wordt voorzitter van de kerkeraad, secretaris zal A. J. Veenendaal zijn, de zorg voor de financiën wordt toevertrouwd aan een commissie, bestaande uit de broeders G. J. C. Cavaljé, J. Tulp en P. van Reenen. Broeder Davelaar krijgt schriftelijk bericht van zijn benoeming tot voorganger op een jaarlijks traktement van f 800, —, maar 'als de inkomsten lager worden' w,ordt hem ten minste een bedrag van f 600, — gegarandeerd.
• Het visioen van Jantje van Bruxvoort
Van de verhouding tussen Hervormden en Gereformeerden horen wij niet al te veel, wellicht zouden we kunnen spreken van een soort 'gewapende vrede'. En dan opeens komt er uit een wat onverwachte hoek iets opmerkelijks: in een in 1918 verschenen boekje, waarin Jantje van Bruxvoort, een vrome vrouw in Ede, over Gods leidingen in haar leven vertelt, beschrijft ze een door haar gekregen visioen waaraan wij het volgende ontlenen:
'Evenals de dwaze maagden, zag ik de kerke Gods in slaap gevallen, van vrede en nogmaals vrede droomend en geen gevaar, terwijl een haastig verderf dreigde.
Ach! ik zag het verder in, hoe in 't jaar 1886 duizenden de Hervormde Kerk verlaten hadden, doch hun schuld hadden achtergelaten, terwijl de in de Hervormde kerk achtergeblevenen er geen leed voor droegen, en er geen werk mede hadden, dat zoovele broeders en zusters heengingen. Ik zag het lichaam des Heeren verscheurd in allerlei kerkjes en kerken en hoorde het geroep des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze, — maar geen bukken en vallen voor den Koning der Kerk.'
Mij dunkt dat aan dit bevindelijk en kerkelijk getuigenis geen woord hoeft toegevoegd te worden.
• Om de eere der vrouw...
Was Ds. Van Boven een wat vaderlijke en zachtzinnige man, zijn nieuwe collega Ds. Japchen vatte zijn ambt uiterst serieus op en vertoonde meer het beeld van de wettische prediker die de rechtzinnige leer met een rechtzinnige ethiek wilde verbinden. In het groeiende Ede was de sport doorgedrongen en ook de hervormde jonge dochters wilden niet helemaal 'oud-modisch' erbij lopen. Zo volgden zij het modebeeld van die dagen en droegen lichtgekleurde kousen in plaats van de ordentelijke zwarte kousen die hun moeders droegen. En ook het lange haar werd afgeknipt om eigentijds te zijn. In 1926 weigert de predikant een bruidspaar toe te laten tot de kerkelijke huwelijksbevestiging en inzegening, omdat de bruid kortgeknipt haar heeft 'naar de tegenwoordige mode der vrouwen'. Ds. Japchen baseert zijn opvatting op het woord van de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 11:4 tot en met 15. (...)
v.d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's