Majesteit — Middelaar (1)
Luther verhaalt in zijn Galatencommentaar dat hij vanaf zijn kinderjaren verschrikte en verbleekte als hij de naam van Christus hoorde noemen, want hem was niet anders geleerd dan Christus voor een strenge en toornige rechter te houden (H. Fausel, D. Martin Luther, München-Hamburg, 1968, S.17). Wie van de religieuze schilderkunst uit die tijd kennis neemt, krijgt bepaald niet de indruk dat Luther overdrijft. Zo is er een schilderij bewaard waarop Christus en Maria zijn afgebeeld als op de rand van de hemel zittend. Vanaf de aarde loopt naar elk van beiden een ladder. Langs beide ladders trachten mensen omhoog te klimmen. Maar wie omhoog stijgt langs de ladder die naar Christus leidt, valt in Zijn nabijheid van schrik omlaag. En die langs de ladder van Maria gaan? Die worden vriendelijk ontvangen en door haar naar Jezus geleid... En de vermaarde Rubens schilderde voor de Franciscanen te Gent een stuk waarop Christus wordt voorgesteld met vlammende bliksemstralen in Zijn hand, gereed om de aarde te verdelgen. Alleen de smeekbeden van Maria en Franciscus houden hem daarvan af... (J. van Bruggen, Het Amen der kerk. Goes '75, blz. 128v.).
Wat is hier nog over van onze allerbarmhartigste Hogepriester Wiens aangezicht weliswaar glinstert zoals de zon op middaghoogte schijnt, maar Die Zijn rechterhand uitstrekt en zegt: 'Vrees niet' (Openb. 1)! De roomse Middeleeuwen tekenden niet alleen God de Vader met vervaarlijke trekken, maar ook de Zoon kreeg een harde en ongenaakbare uitdrukking. In theologie en volksvroomheid trad Christus niet zelden op als een grimmige rechter. Zijn advocatuur raakte overschaduwd door Zijn majesteit. De wonden waarin wij allerlei vertroosting vinden, werden verhuld achter verblindende praal. Zijn bewogen hart ging schuil achter een fonkeling van heiligheid, Zijn kruis achter Zijn glans. Zijn mensheid achter Zijn godheid.
Zeker, daar was een niet-officiële onderstroom, met name in de warme devotie van de bruidsmystiek, waarin uit reactie alle distantie tussen Christus en de ziel dreigde te vervagen. Maar algemeen en officieel domineerde het majesteitelijk-triomfale Christusbeeld, ver van onze zonden, vreemd aan onze wonden. Geen wonder dat het Evangelie verbasterd raakte tot wet, geloof tot verdienste, vrede tot vrees en vreugde tot krampachtigheid. Geen wonder ook, dat men naar elders uitweek om bronnen van troost op te sporen. Er moeten toch instanties zijn die bemiddelen tussen de Hoge Majesteit en de nietige sterveling? Die zocht men bij de heiligen, met name bij de heilige moeder Gods. Trente heeft op een van zijn laatste zittingen (1563) deze heiligenverering geconsolideerd en gecanoniseerd: 'De heilige synode draagt alle bisschoppen en allen die de taak en zorg van het onderwijzen vervullen, op (...) te leren, dat de heiligen, die samen met Christus regeren, hun gebeden voor de mensen God aanbieden, en dat het goed en nuttig is hen ootmoedig aan te roepen en tot het verkrijgen van de weldaden van God door Jezus Christus, onze Heere, die alleen onze Verlosser en Zaligmaker is, de toevlucht te nemen tot hun gebeden, hulp en bijstand'..
Wat betekent het, Christus met de mond als Verlosser te roemen, maar met de daad de toevlucht tot de heiligen te nemen? Luther leerde deze heiligencultus, die in de praktijk overigens nog veel grovere vormen aangenomen had dan de officiële theologie waar wilde hebben, diefstal te achten! God wordt miskend en Christus' Middelaarschap onteerd. Perse niet omdat hij niet wist van de heiligheid Gods of omdat de schrik des Heeren hem vreemd was. Bepaald ook niet omdat hij niet tilde aan het gewicht van de zonden. Integendeel. Juist zo ontilbaar waren die hem in het licht van Gods onthullende Waarheid geworden, dat hij er geen andere kant meer mee uit kon dan naar Christus heen: de enige 'instantie' die zulk een last kan torsen, het enige Offerlam dat er raad mee weet!
Wij moeten dus zeggen dat eigen onheiligheid en onwaardigheid voor Luther juist heel wat meer gewicht hadden, en dat hij veel hoger respect koesterde voor Gods heiligheid. Hij geraakte ervan doordrongen dat — zoals het latere gereformeerde Avondmaalsformulier het zegt — Gods toorn tegen de zonde zo groot is, dat Hij die, eer ze ongestraft te laten, aan zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke kruisdood heeft gestraft. 'Wij zijn mensen en Hij is God', weet Luther. 'Als deze twee tegen elkaar botsen, moet de mens in puin vallen, omdat hij niet kan bestaan' (Evangeliën — Auslegung, IV, S.159).
In ongekende ernst heeft Luther geweten en geschreven van de toorn Gods. Schokkender dan hij heeft gedaan is er wel nooit in de christelijke kerk over gesproken, juist omdat hij bij het kruis had geleerd wat zonde en wat genade is (zie Th. Harnack, Luthers Theologie, I, S.277).
Luthers bezwaar tegen het aanroepen van de heiligen heeft ten diepste maar één motief: het is mistekening en miskenning van Christus. Het Evangeliewoord schildert ons Christus als enige Voorspraak en Middelaar. 'God etst ons Zijn Zoon voor ogen als Heiland, niet als rechter. Daardoor groeit het vertrouwen in de Vader. Maar nu heeft men onze 'frommen Heiland' tot een rechter gemaakt. Daaruit is de heihgencultus ontstaan, waarbij men zich van Christus afwendt en de toevlucht tot de heiligen neemt. Want wij denken dat de heiligen ons genadig en meer genegen zijn dan God Zelf' (Ev.-Auslegung IV, S.160). Maar God gedoogt dit niet. Hij geeft Zijn eer niet aan anderen. En scherp doorziet de reformator waarheen deze doolweg voert: 'Als men Christus alleen voor een rechter houdt die ik vrezen moet, dan volgt daar spoedig uit dat ik Hem vijandig gezind word en ook vreesachtig voor God en Hem haat. Dan is ons hart vol gif en godslastering' (idem). Zo is de vreze des Heeren verkeerd in haar tegendeel!
Nieuwere theologie
Hoe staat het nu in de nieuwere theologie en in het hedendaagse christelijk besef over het algemeen met de notie van de Majesteit Gods? Men mag wel zeggen: precies omgekeerd als in de Middeleeuwen. Terwijl voor de Middeleeuwer zowel de Vader als de Zoon in ongenaakbare nevelen van ontijdelijke, onaardse hoogte waren gehuld, heeft men in de moderne theologie God neergehaald tot het platte vlak van tijd en geschiedenis. Het oerbijbelse besef van Gods transcendentie, de overtuiging dat God de gans Andere is, soeverein en onafhankelijk van de mens, heeft men of stilzwijgend achter zich gelaten of luidruchtig verworpen als behorend tot een verouderd denkklimaat.
Veel minder moeite heeft men ondertussen met het huidige denkklimaat. De voorstellingen en de vooronderstellingen daarvan ontmoeten maar zelden kritiek. Kerk en theologie zijn goeddeels meegenomen in de maalstroom van emancipatie en secularisatie. Dit betekent niet alleen dat een nivellering plaats vindt tussen man en vrouw, jong en oud, overheid en onderdaan, waarbij alle gezag discutabel wordt gesteld, maar dat ook het godsbeeld wordt bijgeslepen en gladgeschaafd. Gods gelaat moet worden ontdaan van zgn. autoritaire trekken en hoognodig gehumaniseerd.
Deze emancipatiedrift gaat dus niet alleen zover dat de mens zich vrijer en zelfbewuster opstelt naast God, maar dat ook over God Zelf anders wordt gedacht en gesproken. Zijn vrijmacht, algenoegzaamheid en onveranderlijkheid moet plaats inrumen voor dynamiek, wording en verandering: God schuift met Zijn schepping mee in het grote proces van evolutie. En noties als toorn en straf moesten uit het Godsbeeld verdwijnen.
Van de Schrift heeft men hierbij weinig last, want men leest alternatief en heeft verstaanssleutels gevonden die naar believen openen en sluiten. 'Men stemt de waarheid af op de wereld en de tijdgeest', zo typeert W. Aalders ergens deze kameleontische theologie.
Impliciet of expliciet is de óp zichzelf overigens bijbelse gedachte van het verbond weer actueel geworden. Maar men verstaat dit nu niet meer zoals de klassieke theologie: als de eenzijdige eedzwering van de soevereine God Die in Zijn genade de verloren mens verkiest en aan Zich binden wil, maar als een coöperatieve beweging van de bondgenootschappelijke God en de mondige mens. Samen trekken zij in hechte saamhorigheid op naar het Rijk van vrede, vrijheid en gelijkheid. Het genadeverbond is verbleekt tot een contract van twee partners die er zijn mogen. God is onze bondgenoot en staat zonder meer aan de kant van de mens in diens strijd tegen lot en lijden.
Wat aan deze constructie mankeert is niets minder dan bijbels gebinte. Een der grondpijlers van het geloof van Israël en de christelijke gemeente is hier immers weggebroken: de heiligheid Gods, die noopt tot verzoening. Brandt door heel Zijn Woord niet het vuur van Zijn hartstocht tégen de zonde? En is deze gloed niet alléén geblust door het offer van bloed? Een God zónder deze gloed is niet meer de hoogheilige, de 'ijverige' uit de Thora, Die de zonden bezoekt. Deze God kan niet langer zeggen: 'Als Ik het bloed zie, zal Ik voorbijgaan'. Deze God is uiteindelijk vreemd aan heel de offercultus waarbij Hij het bloed op het altaar gaf. Deze God is liefde in de zin van toegeeflijkheid: Zijn vergeven is toegeven. Dat God Zijn Zoon niet spaarde maar zond in de gelijkheid van het zondige vlees, en dat de Zoon op het kruishout de straf droeg die ons de vrede aanbrengt, moet dan wel een tijdgebonden voorstelling heten.
Het kan geen verbazing wekken dat Jezus hierbij een totaal andere betekenis heeft gekregen dan in de reformatorische geloofsleer. Hij is voortrekker en bondgenoot, inspirator en agitator. Maar moeten wij niet zeggen dat zo Zijn Middelaarschap verduisterd is, want overbodig geworden?
Wat valt er immers te bemiddelen? Waarom zouden wij ook een voorspraak behoeven waar geen schuld is die scheiding maakt? Wat moet men met een offerlam, waar geen zondenlast drukt?
Nu is het merkwaardig dat ook deze conceptie tot verwettelijking leidt van kerk en christenleven. Waar Gods toorn is weggeslepen en dus het hart der verzoening uit het Evangelie; is weggesneden, daar moet het 'gut Geschrei' van Gods genade wel plaats maken voor de oproep om 'er wat van te maken', en voor het commando om 'het niet te nemen'. Kortom, ook hier is de mens op zichzelf teruggeworpen.
Alleen, het grote verschil met het middeleeuwse wetticisme is, dat heden ten dage de norm voor ons godsdienstig handelsbedrijf niet langer gevormd wordt door Gods Wet, maar door de eigentijdse moraal van de moderne, mondige mens, welke moraal niet zelden beurse, immorele plekken blijkt te vertonen...
(slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's