Een zegen vragen
3. Schuldbelijdenis
'... ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.' (Nehemia 1 : 6 slot)
3. Schuldbelijdenis
Nadat we de vorige keer over Nehemia's voorbereiding op zijn gebed (het 'vasten') hebben nagedacht, willen we nu toch weer terugkeren naar het gebed zelf. Al moeten we opmerken dat de grens tussen vasten en bidden een vloeiende is. Het vasten is immers een zwijgend bidden en een biddend zwijgen. Verder zullen we, voor we doorgaan, de achtergrond en de inhoud van zijn gebed weer voor de geest moeten halen. Nehemia bidt voor de nood van zijn volk, van de stad Jeruzalem en — als we de lijnen doortrekken — voor de nood van de kerk, de gemeente. Hier blijkt zijn zorg om Gods zaak! Daarom heeft Nehemia, de persoonlijke bediende van koning Artaxerxes, een plan gemaakt. Hij zou naar Jeruzalem willen om de leiding van het herstellingswerk ter hand te nemen. Maar..., omdat hij zich een knecht des Heeren mag weten, vraagt hij Zijn Opdrachtgever eerst om Zijn zegen; 'Heere, doet U wat goed is en wil mij gebruiken'.
We zagen echter al eerder, dat er meer in dat gebed van Nehemia aan de orde komt; de schuldbelijdenis en het pleiten op Gods Woord. Dat is niet iets extra's naast het vragen om een zegen, geen 'omhaal van woorden'. Het is er juist onlosmakelijk mee verbonden!
Nehemia is immers de knecht die zich biddend tot zijn Heere richt. Hij komt voor Zijn aangezicht en weet met Wie hij te maken heeft. Zó vraagt hij om een zegen. Daarom wil hij ook in zijn plannen afhankelijk zijn van God, gaat het hem om Zijn zaak en zo om het heil van het volk Israël. Daarom bereidt hij zich al vastend voor op die ontmoeting met de Heere in het gebed; en zo mag hij stil-zwijgend op z'n plaats komen tot Hem. Luisterend naar Hem voert deze verootmoediging dan ook tot belijdenis van schuld.
Zo hoort het er helemaal bij, als we de Heere om Zijn zegen vragen, net als bij Nehemia.
Hoe? Als we stil luisteren naar Zijn Woord. Dat Woord, dat zijn de geboden, de inzettingen en de rechten die de Heere aan Mozes geboden heeft (vers 7).
Dat Woord is ook de 'belofte' dat Hij Zijn volk zal verstrooien, als zij Zijn goede wet los zouden laten en tegen Hem opstaan (vers 8; lees bijv. Deut. 28 en 29 maar eens). Omdat het volk Gods Woord niet heeft gehouden, daarom houdt de Heere woord en Nehemia weet het en leeft er midden in: de ballingschap met alle gevolgen van dien!
Dat Woord. Nehemia beaamt het. 'JaHeere, zo is het, het kón niet anders gaan. We hebben immers tegen al Uw geboden gezondigd. We hebben het volkomen verdorven en verknoeid ten opzichte van U. Een afgedane zaak! Heere, we hebben gezondigd, die ballingschap hebben we verdiend.' Nehemia belijdt schuld. De woorden klinken u wellicht heel vertrouwd in de oren. Te vertrouwd? ! Bekende woorden uit uw eigen gebedspraktijk, of uit het gebed in de kerkdienst na het lezen van de Wet. Lege woorden...?
Nehemia, zeg je dat niet wat gemakkelijk? Op de manier van 'och we zijn toch allemaal zondaren'. Blijft het niet erg op afstand? Nehemia, je bent er niet eens bij geweest toen het volk in ballingschap ging, 140 jaar geleden! En zeg jij dan 'wij'? Wil je nu vroom doen of vind je het wel gemakkelijk om schuld te belijden voor anderen en zelf een beetje buiten schot te blijven? Nehemia, ...
Als schuld belijden een loze vorm vol lege woorden voor me geworden is, ja, dan kom ik tot het stellen van deze vragen. U ook? Is het een formule geworden die een vaste plaats heeft in elk gebed? Of leeft het, dat wil zeggen doodt het u en ontneemt het u elke verontschuldiging als u biddend voor
Gods aangezicht komt? Dan zouden Nehemia's woorden de uwe kunnen zijn. 'Ook ik...' , zegt hij, als hij schuld belijdt.
Nehemia, wat zeg je daar? Dat ik de schuld niet afschuif op degenen die bij de ballingschap betrokken waren en mezelf vroom boven hen verhef. Dat ik niet even als 'degene die het zo goed weet', belijdenis doe voor de zonden van anderen die daarzelf niet aan toe komen. Maar...
'Ook ik...' Ik doe niet alleen belijdenis over de zonden van het volk in hun plaats, voor hen, maar ik doe het mét hen! Die ballingschap..., ook ik en mijn familie hebben daar schuld aan. Ook ik draag die schuld van mijn vaderen met me mee. Wij hebben gezondigd, ook ik! Zo gaat dat, wanneer we eerst naar het Woord luisteren wanneer we bidden voor de nood van de kerk, van onze gemeenten, om in het kader van Nehemia 1 te blijven. Maar u mag de kring gerust wijder trekken. Want als het Woord van God in m'n leven aan het woord komt, dan trekt dat een spoor van verootmoediging en schuldbelijdenis door m'n gebeden. Hoe? Als bij Nehemia.
Dus geen schuld belijden alleen voor anderen. Als het mij nog wel meevalt en ik geen vergeving en ontferming nodig heb. Niet uit een soort geestelijke grootmoedigheid van 'laat ik dat nu eens doen, want die ander...' Maar mét de ander mijn schuld mee-belijden. Ja, sterker nog, in die schuldbelijdenis zelf voorop gaan. Niet omdat ik het zo goed door heb, maar omdat het mijn schuld is! Je eigen aandeel belijden in de nood!
Welke nood? In Nehemia's spoor blijvend is dat de nood van de kerk, van de gemeente waartoe u behoort. Wat hebben we vaak een kritiek, wat weten we dikwijls goed dat het anders moet (ook hoe? ); wat een armoe, verdeeldheid en geesteloosheid komen we ook dicht bij huis tegen. Nood!
Nood? Zegt u van dat alles, ook als u het bij het rechte eind zou hebben en terechte kritiek leveren, 'ook ik...'?
Die nood in de gemeente, in de kerk...: ook mijn schuld!
Wat zou dat een zegen zijn. Dan komen de zaken anders te liggen. Dan komen we anders tegenover elkaar te staan. Tegenover elkaar...? Naast elkaar, op de knieën! Dat is niet: die ander moet maar eens op de knieën komen. En ook niet: hij of zij moet knielen naast mij die het goede voorbeeld geeft.
Maar het betekent dat ik me buig voor God, naast die ander. Ja, dat ik mijn schuld belijd, ongeacht of een ander dat doet!
Omdat het mijn schuld is. Dan wordt het anders.
Naast elkaar, op de knieën. Dan ga je anders met elkaar om. Niet wijzen naar anderen, maar zelf schuld belijden. Geen goedkope beschuldigingen, want beleden zonden zijn in Gods hand, wég. Dan kun je samen bidden om Zijn zegen en laat je alle ruimte voor Zijn werk; wij hebben het immers verknoeid.
Dan kun je samen luisteren naar Zijn Woord en stil zijn, want dan ben 'ik' niet meer degene die het bij het rechte eind heb. Zó om een zegen vragen, bidden voor Gods zaak. Zó bidden voor de ander met wie ik overhoop lig, met wie ik zo'n afstand ervaar. Zó zelf mijn schuld belijden aan dat alles...
Wat zou dat een zegen zijn! Zou het kunnen?
Nehemia...? !
'Heere Jezus, wilt U het ons leren?'
Dit geweldige in Nehemia's gebed wordt immers verre overtroffen door de grote Hogepriester! Wie is een Voorbidder als Hij? Niemand!
Want Hij is de Hogepriester èn het Lam dat geslacht is tegelijk. Hij zégt niet 'ook Ik...' Hij dóet het! Ik, die zonder zonde ben, kom niet naast u om schuld te belijden. Maar Ik ga in uw plaats voor Gods aangezicht staan. Ik neem al uw schuld op Mij en zeg, ...
Nee, geen woord wordt gehoord. Het Lam zwijgt en lijdt. Want Hij is de Knecht die de ongerechtigheid draagt en wegdraagt. Hij, beladen met mijn schuld, hangt aan het Kruis tot 'het is volbracht'.
Zó is Hij Voorbidder, meer dan Nehemia! En Hij is het nog.
Voorbidder, voor ons om ook onze gebedszonden weg te doen en onze gebeden te dragen tot voor de troon in Zijn doorboorde handen.
Voor-bidder, om het ons te leren door het Woord waarin we Nehemia leren kennen; door Zichzelf, zelfs biddend voor vijanden.
Bidden zoals Nehemia. Zou het kunnen? Ja! Als we door de genade van de Heilige Geest leren Jezus Christus te volgen, ook daarin.
Dan kan ik niet om het Kruis heen, waar ik de ernst van mijn schuld ontdek. Maar omdat Hij ze draagt, kan ik ze belijden. Kan ik mijn aandeel belijden in de nood van de gemeente, van... Want bij Zijn Kruis is vergeving!
Maar dan kan ik ook niet om Zijn troon heen, die een troon van genade is. Daar kom ik tot deze Voorbidder. 'Heere, leer mij bidden, reinig mijn gebed van zonden, neem het over...' Daar, voor Zijn troon, mag ik het ontvangen: vergeving en vernieuwing. Want daar deelt Hij Zijn gaven uit. Gaven... tot der mensen troost!
Bidden zoals Nehemia. Wat een zegen! Zegen voor u en mij. Zegen van Hem die regeert op Zijn troon en Zijn Woord waar maakt! Een woord om op te pleiten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's