De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Majesteit — Middelaar (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Majesteit — Middelaar (2)

10 minuten leestijd

Kerk en samenleving, gemeente en theologie, u en ik leven in een tijdsgewricht dat doet denken aan een landschap waarover een windhoos heeft gewoed. Hoge bomen zijn geveld en ontworteld. Rijpe velden met vruchten vernield. Fraaie bouwwerken gesloopt. De akkers zijn kaal. De schuilplaatsen weinig. Het leven is ontwricht. 'Wij zien onze tekenen niet. Geen profeet, noch iemand die weet hoe lang...' (Ps. 74).

Waar moeten wij heen in dit onherbergzame oord? Moeten wij soms kiezen tussen het middeleeuwse godsbesef en het modieuze, alsof een van beide een veilige wijkplaats zou bieden? Geen sprake van.

Moeten wij ons dan verschansen in het bolwerk van de reformatorische theologie, de krachten bundelend en de gelederen sluitend, om zo de waarheid te handhaven, de kerk te beschermen en de eer van God te redden? Nee. Wij zullen niets dan God God laten zijn. Dat ligt ons niet en dat lijkt ons niet, want wij zijn het liever zelf (Luther). Kohlbrugge had wel gelijk: 'de hoofdzaak van het christelijk geloof is: God is God'. En dit geloof heeft maar één geheim: niet de drift van de daad, maar de dorst naar het Woord. Alleen wie het wonder van het horige leven kennen mag, die wordt gedrenkt in het Woord en gedoopt in de Geest. Niet zolang wij de Schrift naar onze hand pogen te zetten, maar zodra wij ons in handen geven van het Woord Zelf.

Naar onze overtuiging kunnen de reformatoren ons bij deze scholing in horigheid onbetaalbare diensten bewijzen, vanwege hun... Schriftnabijheid. Onderhorig waren zij aan het Woord, omdat zij er door onderworpen waren. Dit betekent in het kader van ons thema, dat zij niet anders konden dan het middeleeuwse stenen godsbeeld, waaraan de genadige nabijheid mankeerde, neerhalen. Maar zij werden er tevens voor bewaard een godsbeeld te creëren van eigen makelij. Zij vormden niet een god, maar de levende God vormde hen. Zij spraken tot God en van God zoals zij Hem ontmoetten in het gewaad van Zijn Woord! Van deze Godsontmoeting in het Woord zijn hun woorden doorademd. Luther beefde, zoals wij al hoorden, van huis uit voor Gods Majesteit, Die alleen te benaderen is langs de weg van verzoening. Deze grondhouding is hem levenslang bij gebleven: een hartgrondige eerbied voor Gods hoogheid en heiligheid. Hij kende zijn plaats. Na zijn bekering niet minder dan voorheen. Integendeel! Laten wij ons de reformatorische doorbraak bij Luther vooral niet voorstellen als een soort intellectuele bevrijding van een middeleeuws angstcomplex. Alsof hij door diep denkwerk en gestage rijping tot het inzicht kwam dat Gods toorn slechts een projectie van zijn kwade geweten was, maar dat God bij redelijker en nader inzien liefde-zonder-meer is... Geenszins. Luthers boegwending bracht veeleer een radicalisering en intensivering teweeg van zijn heilige schroom voor Gods Majesteit. De Geesteskracht van het Evangelie werd hem zó sterk dat hij leerde geloven: God laat zich niet vermurwen door mijn vroomste doen en laten, evenmin door bemiddeling en bijstand van welke heiligen dan ook. Alleen God Zelf kan een wereld, die voor Hem verdoemelijk is en door Hem in staat van beschuldiging gesteld is, met Zichzelf verzoenen. En Hij kan niet alleen, maar wilde ook. En Hij voltrok Zijn wil en welbehagen in het Lam dat Hij Zichzelf voorzag. En in het Lam, de Middelaar, heeft Hij geheel voorzien in onze grondeloze nood van schuld en dood. En in dit Lam heeft God de Heilige het voorzien op ons eeuwig behoud. 'Buiten Christus is er niets dan toorn en verdoemenis', gelooft Luther (Th. Harnack, S. 283). Alleen door Christus — en door niets en niemand anders — is God een genadig en verzoend Vader. Waarom? Omdat Hij het zó wilde, wilde met heel Zijn bewogen Vaderhart. Pure liefde was het die de Vader bewoog Zijn Kind niet te sparen maar voor ons allen over te geven. Het was de hoge wonderbare raad van God, van eeuwigheid besloten; de onuitsprekelijke liefde, die niet geeft uit schuld of verplichting, evenmin omdat Hem iemand erom verzocht of gebeden heeft, maar die uit eigen goedertierenheid bewogen is en die geeft als een Heere Wiens lust en vreugde het is louter om niet, zelfs ongevraagd te geven, en Die dan zo geeft dat het stroomt uit Zijn vaderlijk hart en opwelt uit de hoogste deugd van Zijn liefde, de bron van alle goed' (Idem, S. 285).

Offerbloed

Maar juist dit voor ons kosteloze genadegeschenlc heeft de hoogste prijs gekost: het offerbloed van de Middelaar. Alleen in dit bloed vindt het schuldige geweten vrede, vreugde en vrijmoedigheid. Wie buiten het bloedspoor der verzoening tot Gods troon wil naderen, deed er beter aan om nimmer God onder ogen te komen, want hij vertoornt Gods Majesteit op die wijze hoe langer hoe meer (Idem, S. 287).

De Joden en de Turken geloven ook, maar zonder deze Middelaar. En wie zonder Middelaar gelooft, verstaat niet de geringste syllabe van de uitspraak: 'God is liefde'. 'Geen enkele menselijke religie kan voor Gods gericht bestaan; alleen in het bloed van Christus hebben wij vrijmoedigheid' (Idem). Wie kan de verzengende hitte van Gods heiligheid verduren buiten de schaduw van Christus' vleugelen? (Vgl. J. T. Bakker, Coram Deo, Kampen 1956, blz. 164). Een koperen muur van eisende en vergeldende gerechtigheid is God buiten Christus. 'Door de Middelaar weg te nemen of voorbij te lopen, zet de mens zichzelf terug in het schema van wet of vergelding en daarmee komt hij dan ook tegenover de eisende en wrekende Rechter te staan' (Idem).

Alleen in Christus' bloed vrijmoedigheid! Maar dan ook volkomen. Want deze vrijmoedigheid berust op volstrekt deugdelijke gronden. 'Als ge Christus hoort en ziet, hoort en ziet ge voorzeker ook de Vader. Wie dit in geloof omhelst, die kan dan ook niet meer denken dat God op hem toornt of van Zich verstoten en verdoemen wil. Want hier is taal noch teken van ongenade, maar louter vriendelijke, overzalige woorden en een lieflijk en vriendelijk gelaat. kortom, louter vuur en gloed van onuitsprekelijke, vaderlijke, hartgrondige liefde' (Th. Harnack, S-288).

Daarom, zolang men de Vader nog houdt voor een toornig rechter, en zolang men voor Hem op de vlucht gaat, erkent men de Vader niet. 'Dit is Zijn uiteindelijke bedoeling en wilsbeschikking, dat ge u laat helpen uit alle jammer en zonde, dood en oordeel. En Hij vordert van u niets meer dan dat ge dit beaamt en gelooft' (Idem).

Door het Woord

Waarop komt het voor reformatorische christenen nu aan? Dat hun Godsbesef noch middeleeuws noch modernistisch is, maar Geestelijk, door het Woord gevoed en gevormd.

Het meest acuut lijkt ons vandaag het gevaar dat we door gestage indoctrinatie van het modern-kerkelijke spraakgebruik gemeenzaam en platvloers leren denken en spreken over God. Maar als we dit gevaar signaleren wil daar toch niet mee gesuggereerd zijn: dan maar liever een middeleeuwse Godsopvatting! Alsof wij te kiezen hadden! Alleen God zelf brengt ons betrouwbare Godskennis bij. Niet het klimaat van de tijd, niet de dwang van de actualiteit, niet de macht van de mode, niet de ban van de publieke opinie, ook niet de overigens geboden reactie op de dwaling, of de eerbied voor de traditie, dat alles kan onze Godskennis niet funderen en formeren. Gesneden beelden, hoe fraai ook geboetseerd, zijn de Heere een gruwel!

Als de hervormers één ding hebben geloofd en ons hebben geleerd, dan is het wel dit: God is niet zoals wij Hem ons voorstellen, maar zoals Hij zich aan ons voorstelt in het ontmoetingsoord van het Woord des Kruises. In deze Godsontmoeting leren wij een levenlang twee woorden kennen: zonde en genade. En in deze Godsontmoeting leren wij gaandeweg ook met twee woorden spreken over God: Hij is boven in de hemel én onder op de aarde (Deut. 4 : 39), Hij woont in hoog verheven eeuwigheid, maar tegelijk ook bij de diepst verbrijzelde (Jes. 57 : 15). De Heere is hoog, nochtans gaat de voorkeur van Zijn welbehagen uit naar het onedele, het verachte en hetgeen niets is. Het gekneusde en geknakte ziet Hij in genadige genegenheid aan, maar het verhevene ziet Hij over het hoofd (Ps. 138).

Dat heet nu genade, nederdaling, nederbuiging Gods, ons geopenbaard in kribbe en Kruis. En deze nederdaling is geen degradatie van Zijn recht en heiligheid, maar juist de hoogste opluistering ervan. Gods recht gaat niet schuil achter de kribbe, en nog veel minder achter het Kruis, maar wordt er onthuld. God bewijst geen genade voor recht, maar genade door recht. In Christus, Die de volle last van Gods toorn en de zonde eenmaal droeg, is God gerechtvaardigd. In Jezus' heilig bloed is de weg ontsloten om tot een Majesteit te naderen Die troont op een genadetroon.

Bij de koningin op audiëntie: misschien hebben we er in onze kinderjaren wel eens van gedroomd. En zie, nu krijgen we boven denken en dromen: toegang tot een heilig God, thuiskomst bij een verzoend Vader, en zonder enige andere toegangsprijs dan het kostbaar bloed van het Lam. Het is Hem een eer om armoedzaaiers asiel te verlenen. En het is het hoogste wat een rechteloos en dakloos zwerver overkomen kan. Het is bijna niet te geloven. En de duivel maakt ons maar al te graag wijs dat wij het niet geloven mogen.

En ons ongeloof geeft het al te grif toe. Daarom moeten wij ook niet oordelen naar eigen gevoelens, maar ons houden aan het Woord. Daarin zegt de Heilige Geest ons — naar een uitspraak van Luther — dat het niet de waarheid, maar onze eigen valse waan en het bedrog van de duivel is, als we in ons hart gevoelen dat God ons in ongenade naar de hel wil verdoemen. 'Laat daarom Gods Woord u meer gelden dan eigen gevoel en het oordeel van heel de wereld, opdat ge Hem niet tot een leugenaar maakt en uzelf van de Geest der waarheid berooft' (Th. Harnack, S.289).

Dan weten we waar we aan toe zijn. De duivel heeft eigenlijk maar één pijl op zijn boog, zei Luther in de 16e eeuw — en in de 20e eeuw. geldt dat nog —: het is zijn opzet om ons van Christus te verdrijven. Maar God heeft ook maar één oogmerk: dat wij Christus om de hals hangen en ons op Zijn schouders laten dragen tot de Vader heen (vgl. Evangeliën-Auslegung, IV, S.142).

Zo zullen wij tot de Majesteit van de Vader gaan, in die geestelijke mengeling van schroom en vertrouwen: 'Ofschoon ik voor uw Majesteit niet kan bestaan en zelfs geen engel dat kan, maar voor U slechts sidderen en beven moet, zo heb ik nochtans een Christus Die Gij niet vijandig gezind kunt zijn. Aan Hem houd ik mij en aan het Woord, Dat Gij mij door Hem aannemen wilt. Gij zult mij niet verwerpen. Eerder moet Gij Hem verwerpen' (Idem S.160).

En iedere smekeling die tot Jezus' verzoenende voorspraak vlucht, zal het — met het belijden der kerk — erop houden mogen, dat 'er niemand onder de schepselen is, noch in de hemel noch op de aarde, die ons liever heeft (d. i. die ons sterker bemint) dan Jezus Christus' (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 26).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Majesteit — Middelaar (2)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's