Uit de pers
De catechisaties zijn weer begonnen
Nu de R in de maand is, is alierwege het winterwerk — en daarmee de catechese — van start gegaan. Een uiterst belangrijk onderdeel van het kerkewerk. Zeer bekend is de verzuchting van de bekende Wilhelmus à Brakel: "ick kan niet zien, hoe een predikant met een goet gemoet kan leven ende sterven, die syn werk niet maakt van catechiseren". Maar juist dit 'werk maken van' roept vele vragen op. Catechese voltrekt zich immers altijd in een bepaalde tijd. Zo je ergens met het Woord in de tijd staat, dan bespeur je dat in de contacten met jongeren. In de kerkelijke pers kwamen mij een drietal artikelen onder ogen waarin op de zaak van de catechese werd ingegaan. Uit elk van de drie artikelen geef ik een kort fragment.
Ds. H. Koetsveld schrijft in Credo van sept. 1986:
"Er verschijnen in onze tijd talrijke boeken, boekjes en handleidingen voor de catechese, de leerhuizen, bijbelstudiekringen, enz. Iedereen kan goede adviezen krijgen voor de inhoud en opzet van allerlei werk in de kerk. Voor de catechese zowel onder jongeren als ouderen kan men terecht bij het Catechetisch Centrum van de Gereformeerde Kerken, Oudestraat 4 in Kampen (tel. 05202-16651). Door dit centrum worden cursussen georganiseerd, adviezen gegeven wat materiaal en methodiek betreft: een overvloed aan informatie dus.
Het georganiseerde jeugdwerk heeft zowel landelijk als regionaal vaste krachten in dienst, die zich intensief bezig houden met het jeugdwerk. Leiding van clubs, G.J.V.'s enz. kunnen rekenen op een uitgebreid pakket aan hulpmiddelen. Toch kan men bij het lezen van lektuur van genoemde centra een zekere verlegenheid tegenkomen. Dat is te begrijpen. Want ondanks de vele mogelijkheden en de inspanningen om bijv. leidinggeven en gesprekstechniek te leren, komt men vragen tegen als: "Hoe bereiken wij onze jeugd?" "Kunnen wij hen nog vasthouden, die nog komen, of haken, zij vroeg of laat af?"
Het ligt voor de hand, dat men bij het zoeken van antwoorden op deze vragen vooral de jeugd zelf aan het woord wil laten.
Het is goed om jongeren zoveel mogelijk bij het werk te betrekken. Ik herinner mij de catechisatie van vroeger nog heel goed. Althans in een grote stadskerk kwamen 40 tot 50 jaar geleden grote groepen jongens (netjes gescheiden van de meisjes) tegelijk naar de catechisatie. Na de opening met gebed en bijbellezen, vragen opzeggen, de uitleg van de dominee aanhoren en daarna wegwezen. Voor eigen vragen werd bij de meeste predikanten nauwelijks gelegenheid gegeven. Dat was ook moeilijk bij een groep van 40 jongens. Zeker, er waren ook toen gunstige uitzonderingen.
Wat gaat het nu veel levendiger toe. Wat leven er veel vragen bij onze jongeren. Zij durven die in de kleinere groepen op tafel te leggen. Zélf zoeken zij in de Bijbel naar antwoorden. Door de fijne besprekingen is het catechisatie-uur meestal te vroeg voorbij, of loopt bij de laatste groepen uit tot 1, 5 uur.
Bij de vraag naar de oorzaken van minder belangstelling bij een deel van onze jongeren voor kerk en geloof is het goed om jongeren aan het woord te laten. Dan wordt duidelijk, wat er gemist wordt. Ja het moet de leiding al bekend zijn, dat jongeren warmte, spontaniteit en echtheid missen in de kerk.
Er blijkt echter nog iets anders, dat gemist wordt.
(...) Bij het aan het woord komen van jongeren wil men luisteren "naar hun gevoelens m.b.t. geloof, kerk en christelijke opvoeding", zo lees ik. "Daarover wordt verschillend gedacht, verschillend gevoeld: daarom verschillende belevingen." Dit is in onze kerken alom bekend na de speciale uitgave van "Kerkinformatie" over de verschillende geloofsbelevingen in onze kring. Niemand kan die verschillen ontkennen. Dat is duidelijk. Zelden echter lees ik als reaktie, dat er wel eens iets fout kan zijn in eigen belevingen. Correcties of noodzakelijke aanvullingen vanuit de H. Schrift zijn er niet of nauwelijks. Zijn alleen onze belevenissen gezaghebbend voor onszelf?
Over "het verlaten van eigen wegen en gedachten, omdat Gods wegen en gedachten hoger zijn" (Jesaja 5 : 7-9) durven leidinggevenden blijkbaar niet meer te spreken. "Over bekering horen wij niets meer" is dan ook een veel gehoorde klacht. En het gevolg is, dat jongeren geen duidelijkheid meer ontvangen over de kern van de Bijbelse boodschap. Allerlei meningen en gevoelens komen als gelijkwaardig bij hen over. Het is dan ook te begrijpen, dat veel zoekende jongeren in andere, meestal kleinere groepen terechtkomen, waar zij WEL te weten komen, waar het in de Bijbel om gaat."
Niet allen staan, om het voorzichtig te zeggen, te trappelen van ongeduld bij de nadering van het winterseizoen. Daarmee bedoel ik niet alleen de jongeren. Uit gesprekken met predikanten bleek me onlangs — en het is een ervaring die mezelf maar al te bekend voorkomt — dat velen het gevoel hebben dat je even wat moet overwinnen. Je moet weer wennen aan het feit dat je weekprogramma voor een deel weer strak is ingedeeld. Je staat elk jaar weer voor de spanning: zullen ze komen en zal het lukken contact te krijgen? Ds. K. Boersma, chr. geref. predikant in Rotterdam, schrijft in De Wekker over de catechisaties o.m.:
'Hoeven ze niet meer te leren? Zeker wel. Maar de leermethoden zijn wel veranderd. Veel van de tijd en stof wordt besteed aan eigen verwerking.
Wat mijzelf betreft, is het zo: hoe jonger de catechisanten, hoe meer ze moeten leren. En de ouderen? Die willen niet meer leren. Langzamerhand is dat zo gekomen. Op school werd het steeds meer zo, dat ze allerlei dingen niet meer uit het hoofd behoefden te kennen, die "wij" nog wel uit het hoofd hadden geleerd: bijbelse rijen namen, jaartallen. Ze moeten wel weten waar ze het kunnen vinden. Een visuele tijd verleert steeds meer het uit het hoofd leren, ook het hoofdrekenen. Er is een rekenmachientje en er kwam een informaticatijdperk, waardoor kennis wordt opgeslagen, die gemakkelijk te reproduceren is, misschien wel in een personal computer in de kamer van uw zoon of jouw vader.
Naarmate die tijd verder ging, wilden mijn oudere catechisanten minder en minder leren. Ik heb enige jaren gekend, dat ik me daarvoor op de catechisatie erg boos heb gemaakt. Heb je het nu al weer niet geleerd? Ga maar in de zaal hiernaast zitten leren jij en jij. Over een kwartier kun je terug komen. Enzovoorts enzovoorts. Ik ben daarmee opgehouden. Het bedierf het catechisatie-uur voor hen en voor mij.
Ik ben bereid om dat aan iedere ouder die mij erop aanspreekt uit te leggen. Maar ze mogen wél weten, dat ik tot op de dag van vandaag zeg, ook bij de oudere catechisanten: dit en dit is essentieel. Als je dat niet weet of onthoudt, ben je je kerklidmaatschap niet waard. En dus komt het nog al eens voor, dat, en ik betreur het zeer, degenen die op de belijdeniscatechisatie komen, een aantal dingen alsnog moeten leren, die ze al lang hadden moeten weten, en waarbij ik denk: wat heb ik al die jaren met jullie besproken en behandeld?'
Al is het element van de informatieverwerking niet onbelangrijk, en al is kennis ook in die zin nodig, het eigene van de catechese zit toch niet in het schoolse 'leren'. Het gaat ten principale toch om de bijbelse eenheid van kennis en beleving, een kennis die leidt tot discipelschap, inwijding in het geheim van de gemeente. Over het pastorale element in de catechese spreekt ds. W. Verboom in Koers van 26 september met Andries Knevel:
'Kijk, wanneer je er als catecheet vanuit gaat dat jouw catechese toch min of meer iets uitwendigs is en dat het er alleen toch maar omgaat, dat de kinderen waarheden leren kennen, dan zet je je eigen catechetisch bezig zijn op een veel lagere plaats, ook in het hele pakket van je bezigheden.
Ik ben van mening dat catechiseren en prediking de belangrijkste dingen zijn die een predikant doet, terwijl het pastoraat er heel duidelijk doorheen loopt. Maar sinds ik, - mede door de bestudering van de catechese van de Reformatie, heb ontdekt, dat de Heere in het catechisatielokaal werkt en dat hij mij daarvoor gebruiken wil als middel in Zijn hand, heeft dat voor mijn gevoel aan mijn catechese in de eerste plaats een zekere rust gegeven, doordat het zo geweldig isjdat de Heere dit zo wil. In de tweede plaats is er een zekere spankracht, een dimensie bij gekomen.
Die pneumatologie, waarover u veel spreekt in uw dissertatie, speelt dat mee? Het werkterrein van de Geest?
Ja. De Heilige Geest wil het gebrekkige werk, dat we op de catechese doen, toch gebruiken. Dat weet ik, omdat de Heere het belooft. Toen de kinderen gedoopt werden, heeft de Heere al beloofd en betuigd dat de Heilige Geest in ons wil wonen. Dat is een duidelijk signaal dat de Heilige Geest dat belooft. Ik weet dat, niet omdat ik het constateer, maar omdat ik afga op wat de Heere belooft in Zijn woord. Daar moeten en mogen we ons aan vasthouden. Dan komt er onmiskenbaar toch iets in je catechese, waardoor het allemaal veel meer betekenis gaat krijgen. Bijvoorbeeld de manier waarop je je voorbereidt al, de eisen die je gaat stellen aan het leermateriaal, het catechisatielokaal. Je kunt het zo aanwijzen: een verschraalde catechese vindt plaats in een lokaliteit waar heel weinig aandacht en belangstelling is voor het materiaal. Maar waar men hoog over de catechese denkt, daar zullen ook eisen komen inzake al dit soort middelen die gebruikt worden.
Constaterende op uw catechisatie, dat het niet zo gaat zoals u wilt dat het gaat, dat de kinderen niet zo zijn, zoals u idealiter zou willen dat ze zijn, welke reaktie geeft dat bij u?
Dat geeft in de eerste plaats aan mijn catechese een pastoraal accent, nl. dat ik niet alleen didactisch bezig ben, maar ook pastoraal, waardoor je catechisanten, voor wie je dat nodig vindt, persoonlijk benadert, want er wordt een appèl gedaan op jouw pastoraat, juist vanwege deze doelstelling. In de tweede plaats moeten we toch ook heel eerlijk zeggen, dat wij ons zo kunnen vergissen; want vrome jongetjes, die altijd vooraan zitten en altijd hun vragen en antwoorden kennen, dat kunnen later soms, helaas mensen zijn, die afwijken van de Heere, tijdelijk of helemaal, daar hebben we niet over te oordelen. Anderen die in de puberteitsfase op de catechisatie niet zoveel blijk gaven van godsvrucht, werden later uitstekende ouderlingen. Wij kunnen ons zo vergissen, wanneer wij afgaan op wat wij constateren. En willen wij ons niet vergissen, dan moeten wij daar niet op afgaan. Ik blijf, ook al zie ik er niets van, en ik denk dat dat een kenmerk is van het geloof, vasthouden aan wat de Heere belooft.'
Zo grijpen de dingen in elkaar: erdienst, prediking, catechese en pastoraat. En dat alles in het kader van opbouw van de gemeente van Christus. Het gaat om de jongeren van de gemeente, levend onder de koepel van Gods verbondsbeloften. Bezinning op catechese is een zaak van grote nuchterheid, als het gaat om tijdsaspecten, doelstellingen, pedagogische en psychologische elementen. Maar deze nuchterheid mag gedragen worden door een dankbaar besef dat wij dit werk mogen doen voor het aangezicht van Hem Die de God der geslachten is.
***
Istanboel
De moord op de 21 joodse mannen in de Neve Shalom-synagoge in Istanboel heeft alom afschuw en verontwaardiging gewekt, verbijstering ook om deze nieuwe terreurdaad. Tijdens een herdenking zei de heer E. Wikler, voorzitter van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap: 'De wereld zal deze afschuwelijke moordpartij snel vergeten. Wij Joden mogen niet vergeten. Niet om wraak te nemen, maar om de gehele geciviliseerde wereld die in gevaar is te redden'.
Dr. A. A. Spijkerboer geeft in Evangelisch Commentaar van 26 september het volgend commentaar: "
'Ik geloof dat Wikler op één punt zeker gelijk heeft: de beschaafde wereld is in gevaar. Wanneer een hele gemeente die in de synagoge bijeengekomen is om God te dienen wordt uitgemoord is dat een aanslag op het hart van het Joodse volk, en uiteindelijk een aanslag op God Zelf. Niet dat God de Joden voortrekt, want het leven van een Arabier is voor God niet minder waard dan het leven van een Jood. Ook niet dat de Joden beter zijn dan andere volkeren, want ze hebben dezelfde deugden en ondeugden als wij. Maar ze zijn wel het volk waarmee God begonnen is en waaraan God de Tien Geboden heeft toevertrouwd.
Dat wij de geboden kennen en dat wij ons niet meer hoeven te verslingeren aan andere goden, met alles wat daar dan verder op volgt, hebben wij aan Jezus Christus te danken. Het geschil tussen de kerk en de synagoge ontstaat daar waar gevraagd wordt welke plaats Jezus Christus inneemt in Gods plan met Israël en de volkeren. Er is geen enkele reden dat geschil te verdoezelen. Maar God vergeet zijn eerste liefde niet, en daarom houdt het Joodse volk een ereplaats onder de volkeren. Daarom is een aanslag op mensen die in de synagoge bijeengekomen zijn altijd nog een aanslag op de Tien Geboden, en altijd nog een aanslag op God Zelf.
Wat er onder ons aan beschaving is hebben wij aan de Tien Geboden te danken. Die beschaving is nu inderdaad in gevaar. Wanneer ik nadenk over die aanslag in Instanboel, of over een bom die in een Parijs' restaurant ontploft, of over een vrouw die in Baskenland zomaar op straat wordt doodgeschoten — en ik denk dat al zulke aanslagen uiteindelijk uit één hoek komen — is het soms alsof de chaos, de duisternis en de dood door de kieren van de deuren en de ramen naar binnenkomen en vat op me krijgen. Ik weet rne dan nergens anders te bergen dan bij de geboden.'
Ik hoop dat Wikler op een ander punt in het ongelijk gesteld zal worden, en dat niet alleen de Joden maar ook wij de aanslag in Istanboel niet zullen vergeten, en dat het ook tot ons doordringt dat onze hele beschaving in gevaar is.
Er wordt een stille en geniepige oorlog tegen ons gevoerd: maandenlang is het stil en dan slaat de dood onverbiddelijk toe. Wie zal er in deze oorlog overeind blijven, en wie zal kunnen helpen het gevaar te keren? De Tien Geboden zijn het enige fundament waarop wij staande kunnen blijven, en verder zullen we moeten doen wat onze hand vindt om te doen.'
De verwijzing naar de Tien Geboden in dit commentaar van Spijkerboer doet je onwillekeurig denken aan wat de Schrift zegt over het kwaad van de wetteloosheid. Dan krijgen terreur en chaos vrij spel. Dan is het gedaan met de waarachtige menselijkheid, die er immers alleen maar is bij de gratie Gods, op de weg van Zijn geboden en beloften. Tegen dit gevaar van de wetteloosheid helpt geen moralisme van welke snit ook, noch minder de dwang van autoritaire machtsmiddelen. Spijkerboer wijst op de betekenis van de Tien Woorden, waarin immers doorklinkt het 'Blijf bij Uw Bevrijder" (Miskotte). Men kan ook denken aan Psalm 119. De gemeente zal in deze situatie niet hoogmoedig mogen reageren op blijken van wetteloosheid in de wereld om haar heen, integendeel: het zal er om gaan symptomen van wetteloosheid binnen de gemeente te onderkennen. Dat is bekering in concreto. Het 'niet vergeten' waar Spijkerboer van spreekt moge een voortdurende herinnering zijn, een appèl ook om te gaan in de sporen van Gods gezegende geboden. Tot zegen van onze beschaving.
Ede
A. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's