De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ambt en gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ambt en gemeente

Man en vrouw in bijbels perspectief (2)

11 minuten leestijd

Het boek 'Man en vrouw in bijbels perspectief' dat vorig jaar onder verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond verscheen en waarin een bijbels-theologische verkenning gegeven is van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente, is in de kerkelijke pers bepaald druk besproken. Er is dankbaarheid en lof geuit door recensenten. Er zijn ook kritische opmerkingen gemaakt. En dat alles geeft reden om er in de Waarheidsvriend nog eens uitvoerig op terug te komen.

Aanzet tot verdere bezinning

Dr. R. H. Bremmer noemde de studie 'een bijzonder waardevolle bijdrage tot de hedendaagse discussies over de vrouw'. Prof. dr. W. van 't Spijker (in het Reformatorisch Dagblad: 'een waardevolle studie vanwege Geref. Bond over man-vrouw verhouding') sprak over een 'resultaat van zorgvuldig, diepgaand en breed-georiënteerd onderzoek. Men wist wat men schreef en ook wat men wegliet'. Hij vindt, dat er in het boek op een overtuigende manier wordt gesproken en dat in grote lijnen het beeld dat geschetst wordt over de gereformeerde traditie inzake de ambtsopvatting klopt. Mevr. J. A. van Ruler-Hamelink (in Woord en Dienst) noemde het: 'uitstekend van toon, bescheiden, appellerend, zeer deskundig en goed gedokumenteerd'. Jong/Vrij Magezine schreef: 'Er worden duidelijke lijnen getrokken, maar met zoveel balans, nuance en deskundigheid dat daar waar je een andere menig hebt, die niet voert tot "hete hoofden en koude harten'". C. M. Breman in Opbouw: 'Vorig jaar verscheen een boek, waarin veel speurwerk wordt gedaan naar de verhouding van man en vrouw in de gemeente. Het brengt verrassende exegeses, maakt informerende uitstapjes met toekomstige vergezichten en historische terugblikken, het leidt niet op dwaalwegen, maar blijft op het goede spoor. Het roept de hedendaagse kerken van Gereformeerde origine op om op creatieve en bijbelse wijze naar wegen te zoeken om de vrouw in de gemeente de plaats te geven die haar toekomt...'. 'Het is net een detective, het loopt anders af dan je denkt', zo voegt de scribent er — heel aardig — aan toe.

Genoeg echter over de lof die het boek is toegezwaaid. De mannen en vrouwen die in de Beraadsgroep bezig zijn geweest, mogen dankbaar zijn, dat zovelen in kerkelijk Nederland instemmend hebben meegestudeerd en in het boek een welkome hulp hebben begroet bij hun verdere bezinning. Ook de excursen zijn als zodanig vaak dankbaar genoemd. Als dan ook het boek de functie mag vervullen, dat in de kerken en in de gemeenten het gesprek over man en vrouw en over de bijbelse plaats van de vrouw in de gemeente in het bijzonder daardoor mede is geholpen, dan heeft onze Beraadsgroep een heel wezenlijke doelstelling bereikt.

Bedieningen die tegen het ambt aanleunen

Maar dan nu een paar hoofdpunten die in de boekbesprekingen meer dan eens aan de orde zijn gesteld. Ik begin maar met het punt: ambt-gemeente. Ad de Boer (in Koers) zette als kop korte inhoud van het boek boven een vraaggesprek: 'Nee tegen de vrouw in het ambt, ook twintig jaar later nog. Tegelijk ja tegen een veel actievere rol van vrouwen in de gemeente. Ook in bedieningen die "tegen het ambt aanleunen'". Daarmee is — dunkt mij — goed weergegeven wat de praktische conclusies zijn die aan de bijbels-theologische verkenning in 'Man en Vrouw...' verbonden kunnen worden. In het vijfde hoofdstuk van het boek is gepoogd duidelijk te maken, dat van meet af aan in de eerste christengemeente — in nauwe samenhang en samengang met de ontplooiing van de vele Geestesgaven — structuren hebben bestaan waarin en waardoor aan het gemeenteleven vaste leiding werd gegeven. Wij hebben dat in ons boek 'leren — regeren — besturen' genoemd. Het heeft betrekking op het overdragen van de apostolische leer en het leidinggeven aan het gemeenteleven in pastoraat en diakonaat (ouderling-diakenschap). Het is onjuist om te suggereren, dat de eerste christengemeenten geen vaste leiding hebben gehad. Het boek van de Handelingen en de Pastorale Brieven onder andere laten dat zien. Nu is het altijd nog aan de voorstanders van de vrouw in het ambt om aan te tonen, dat er onder deze leidinggevenden in de gemeente ook vrouwen zijn geweest. Zij zullen dat niet kunnen. Integendeel, als het in 1 Tim. 2 over de overdracht van de apostolische leer gaat, wordt door de apostel Paulus gezegd, dat het de vrouw niet is toegestaan om te leren.

Gaat het in 1 Tim. 2 : 11v alleen over jonge vrouwen?

Prof. J. P. Versteeg die ons boek in Wapenveld besprak en deze bespreking zelfs de lovende titel meegaf: 'Het beste kerkelijke rapport, ooit verschenen', wil op dit punt wel wat verdergaan. Hij vindt, dat in 1 Tim. 2 (evenals in 1 Kor. 14) door Paulus niet aan de vrouw in het algemeen, maar aan sommige vrouwen, c.q. jonge vrouwen moet worden gedacht. Zij stonden volgens prof. Versteeg (blijkens 1 Tim. 5 : 13, 15) vooral open voor de woorden van de dwaalleraars. Prof. Versteeg voert er dus een pleidooi voor om ook 1 Tim. 2 : 11v (evenals 1 Cor. 14 : 34), waar Paulus de vrouwen verbiedt te leren tegen de achtergrond van andere uitspraken in de Pastorale Brieven en dus niet als een algemene uitspraak te lezen. Onze Beraadsgroep heeft deze exegese overwogen, maar van de hand gewezen. Eenvoudig, omdat er in 1 Tim.2 niet staat, dat het leerverbod alleen tot jonge vrouwen is gericht, terwijl uit de directe context van 1 Cor. 14 duidlijk is, dat Paulus het daar heeft over het spreken van vrouwen in de situatie van de profetie.

Daar komt niet iets bij. Terecht heeft dr. J. Hoek (Veenendaal) er op gewezen, dat wij op moeten passen het blijvende en algemeen geldige van woorden als 1 Kor. 14 : 34 en 1 Tim. 2 : 11v niet te ondergraven door op de historische situatie waarin deze woorden indertijd zijn neergeschreven, alle nadruk te leggen. Stel immers dat prof. Versteeg gelijk heeft, wanneer hij de vermaning van Paulus in 1 Tim. 2, dat de vrouwen niet zullen leren, laat slaan op de jonge vrouwen, dan blijft ook daarna wel de vraag overeind, welke de betekenis is van wat Paulus hier zegt voor onze tijd. En dan kan prof. K. Runia in het Centraal Weekblad de exegese van prof. Versteeg (van 1 Tim. 2) wel bijvallen. Maar hij blijft dan inmiddels zitten met de vraag, waarom men in de Gereformeerde kerken evenals in de Nederlandse Hervormde Kerk vooral ook jonge vrouwen in het ambt laat leren. Alsof er tegenwoordig geen gevaar van ketterij meer is, ook niet van de kant van jonge afgestudeerde vrouwen. Met andere woorden: in alle gevallen blijft de vraag overeind wat het apostolische vermaan in onze tijd nog waard is.

De representatiegedachte

Maar terug nu naar het punt van ambt en gemeente. Als we het leren — regeren — besturen waar ik zojuist over schreef, in de eerste christengemeenten mogen verstaan als een ambtelijk bezig-zijn (het woord ambt in onze zin komt in het Nieuwe Testament maar sporadisch voor), dan is zeker uit de opsommingen van de gaven des Geestes die Paulus geeft in Rom. 12 en in 1 Kor. 14 duidelijk, dat wat wij ambtelijk bezig-zijn noemen, in één adem met alle andere werkzaamheden des Geestes in de gemeente wordt opgesomd. Er is in die eerste christengemeenten kennelijk sprake geweest van een harmonieuze samenhang van leiding-geven in leren, regeren en besturen enerzijds en bezig-zijn in de gemeente uit kracht van alle andere gaven des Geestes anderzijds. Het één is niet los geweest van het ander. Ja, wij kunnen het ons vermoedelijk het beste zo voorstellen, dat uit het geheel van Geestesgaven sommige door Gods Geest naar boven zijn gehaald als bekwaamheden om te leren en te regeren/bestuderen, welke bekwaamheden door de erkenning en verkiezing van de gemeente (met handoplegging) hun 'tegenover' kregen. Dat alles zou ik ook willen zeggen aan het adres van dr. J. Hoek (Veenendaal) die in het Gereformeerd Weekblad bezwaar maakte tegen de gedachte, dat het ambt ook via de gemeente zelf zijn 'tegenover' zou krijgen. Dat 'tegenover' krijgt het ambt volgens hem alleen door het Woord. Ik denk, dat het één het ander niet moet uitsluiten. Geest en woord trekken samen op in de gemeente. En de verbindingslijn tussen Christus en het ambt is er — ook vandaag — niet los van de gemeente en van wat Gods Geest in de gemeente werkt. Zo - langs een middellijke weg dus — krijgt het leren — regeren — besturen in de gemeente zijn representerend karakter. Het representeert niet slechts de gemeente, het representeert het aan die gemeente geschonken heil in Christus Jezus en in het apostolisch Woord. In deze zin is in de onderhavige studie over representatie gesproken (zie o.a. blz. 144, 163v). Ik denk trouwens, dat dr. Hoek daar geen bezwaar tegen kan hebben.

Ook dr. A. N. Hendriks (in het Nederlands Dagblad) opperde bezwaren tegen de representatiegedachte die inderdaad als een rode draad door de studie heenloopt. Hij vindt dat representerende niet het kenmerkende voor het bezig zijn van de ouderling en de diaken in de apostolische kerk. Hij acht het beter het leidinggeven van de oudsten ter sprake te bregen en dan vervolgens te spreken over de ondergeschikte positie van de vrouw. Ik zou zeggen, dat het één het ander niet uitsluit en dat de gedachte van de representatie die naar ons inzicht een fundamentele bijbelse lijn is, de idee van leidinggeven en van gezag-oefenen geheel in zich heeft. Terwijl het wat de vrouw in de gemeente betreft inhoudt, dat zij met de gemeente zich in de leiding der gemeente gerepresenteerd mag weten enoóp haar plaats voluit mee mag doen in dat wat gerepresenteerd is (denk aan de vrouwen als eerste opstandingsgetuigen, denk aan de zielszorg/pastorale zorg binnen de gemeente; denk aan diakonale taken binnen die gemeente waaraan ook vrouwen deelnemen.

Semi-ambtelijke structuren?

Ik keer nu nog een keer tot mijn uitgangspunt terug. De kwestie ambt — gemeente. Het is de scribenten die deze kwestie aanroerden, wel duidelijk geweest, dat in het boek 'Man en vrouw' het ambt om zo te zeggen zo dicht mogelijk bij de gemeente is gehouden en omgekeerd. Als men de bijbelse gegevens m.b.t. het gemeente-zijn nauwkeurig probeert af te wegen, kan het immers niet anders. En hoe moeilijk het ook is om hieruit conclusies te trekken met het oog op het gemeente-zijn-nu, we hebben in het slothoofdstuk van het boek toch een poging gedaan in deze richting. Kort gezegd komt dat hierop neer, dat wij kerkeraden hebben opgewekt om vooral werk te maken van hun opdracht om de gemeente te vormen en toe te rusten en voorts in nauwe samengang met wat Gods Geest ook in onze dagen aan gaven en bekwaamheden in de gemeente wil geven, bezig te zijn in de opbouw, de stichting van de gemeente. Samen met de gemeente en dan ook met de vrouwen in de gemeente. Naar ons inzicht kan de vrouw eerst zo werkelijk tot haar recht komen. En zo zal zij — als zij tenminste vrij wil blijven van de feministische tijdgeest — ook niet meer alleen aan haar recht willen komen.

Het laatstgenoemde heeft enkele recensenten ertoe gebracht om te stellen, dat de studie de grens tussen het charismatisch en het ambtelijk funktioneren binnen de gemeente overschrijdt. Aldus prof. Versteeg in de genoemde boekbespreking in Wapenveld. Anderen (dr J. Hoek b.v.) hebben de vrees uitgesproken, dat men op deze manier semi-ambtelijke structuren schept, waardoor men binnen korte tijd toch de vrouw in het ambt zal krijgen.

Twee dingen daar dan nog over. In de eerste plaats: het onderscheid dat prof. Versteeg maakt tussen charismatisch en ambtelijk bezig-zijn is een onderscheid dat niet juist weergeeft, hoe de situatie in de eerste christengemeente was. Was het zgn. ambtelijke dan niet charismatisch? In de tweede plaats — en daarmee kom ik terug op de kop van het interview van Koers dat ik eerder noemde: mogen er dan geen bedieningen zijn die tegen het ambt aanleunen? Moeten we — stel dat zulke bedieningen er door Gods genade meer en meer zouden komen — dat dan opeens gaan ervaren als bedreiging van het ambt? Als het ambt werkelijk ambt is (zie wat daarover gezegd kan wordt op blz. 179vv van ons boek), dan mag het immers in staat geacht worden om dat wat zich als een vrucht van de bediening des Woords en onder de leiding van Gods goede Geest in de gemeente aan gaven en bekwaamheden openbaart, in goede banen te leiden. En daar hebben we dan net precies ook het ambt voor nodig.

Overigens zal de commissie Gereformeerde ambtsleer die werd ingesteld door de Gereformeerde Bond over één en ander met elkaar door moeten. Er is in de studie 'Man en vrouw' echt nog niet alles over gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ambt en gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's