De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Heilszekerheid in een tijd  van onzekerheid (2)

Bekijk het origineel

Heilszekerheid in een tijd van onzekerheid (2)

14 minuten leestijd

Direct al aan het begin van de Heidelbergse Catechismus wordt de wedergeboorte genoemd: we zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij we door de Geest van God wederom geboren worden. Zonder nieuwe geboorte is ingang in het Koninkrijk onmogelijk en zal er van geloofszekerheid geen sprake zijn.

Zondag 33 spreekt ook over 'de waarachtige bekering' (in het stuk der dankbaarheid overigens), zijnde 'afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens.' De afsterving van de oude mens is 'een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en deze hoe langer hoe meer haten en vlieden' (een doorgaand proces dus). En de opstanding van de nieuwe mens is: 'hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven' (ze omsluit dus ook de heiliging des levens).

Het is geen goede zaak als de vragen naar (om) wedergeboorte en bekering in de gemeente gaan ontbreken. De worsteling om het heil is immers een voluit bijbels gegeven. De Psalmen zijn vol van de klacht om Godsgemis of om de gebrokenheid van het bestaan vanwege onze zonde en schuld. 'God des levens, ach wanneer...?' En in Jesaja 38:14 lezen we: 'o, Heere, ik word onderdrukt, wees gij mijn Borg'. De Schrift kent het klagen naar God toe, om Godsgemis, om Godsverlating. Nergens in de Schrift is sprake van geloofs-automatisme. Als Israël zich op voorrechten beriep — 'wij hebben Abraham tot een vader...' — kwam God met Zijn oordelen.

De wedergeboorte is — het zij nog eens gezegd — niet en nergens met het verbond gegeven. Wel de belofte tot de nieuwe geboorte. Ook in die belofte is de Heere betrouwbaar.

Toch kan een mens ook gedurende een heel leven een levende klacht hebben, zonder dat het tot doorbraak komt. Zo'n levende klacht is dan iets anders dan een dode, want lijdelijke klacht. Psalm 88 is van zo'n levende kracht een voorbeeld; de meest duistere, de meest uitzichtloze psalm. De psalm eindigt ook duister. 'Maar ik, Heere, roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. Heere! waarom verstoot gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig'. En toch, deze klager en zuchter, die er maar niet uitkomt, spreekt desalniettemin God aan als 'O Heere, God van Mijn heil.' Bij Hem lag toch kennelijk zijn verwachting.

Pastoraal

Welke pastorale benadering vraagt intussen de worsteling om het heil? Me dunkt dat we niet beter kunnen doen dan bij de oude, beproefde Heidelberger te rade te gaan. Daarin vinden we alle elementen van het geestelijk leven terug: wedergeboorte, bekering, kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid, gebod en gebed. Maar de benadering van de Heidelberger kent wel een aantal karakteristieken.

In de eerste plaats spreekt de Heidelberger altijd van God en Zijn Woord uit en dan van de heilsfeiten naar het hart, en niet omgekeerd. Het gaat om voorwerpelijk-onderwerpelijk, in die volgorde. In de tweede plaats valt op de geloofsmatige structuur van de Heidelberger. 'Wat baat het u dat gij dit alles gelooft?' Kennis van ellende is, evenals kennis van verlossing en de praktijk der dankbaarheid verbonden met geloof. Het geloof gelooft God in Zijn oordeel en toezeggingen.

In zondag 7 wordt uitvoerig over het geloof gesproken. 'Het geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest, door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus' wil.' Maar in zondag 23, waar het gaat over de rechtvaardiging, gaat het opnieuw over het geloof. 'Al is het dat ik tegen alle geboden Gods zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan'. Maar dat alles gewordt mij 'alleen door een waar geloof in Jezus Christus' en 'in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem'. De rechtvaardiging brengt niet het geloof maar het gelóóf brengt de rechtvaardiging. Zo spreekt ook artikel van de Nederlandse Geloofs Belijdenis over de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus. Natuurlijk is het de Heere Zelf, die door Zijn Geest rechtvaardigt. Het is de Heilige Geest, die de belofte verzegelt aan het hart. Het geloof is gave, soevereine gave van God, zonder dat de mens iets bewerkt, ook geen goede gezindheid in God. De rechtvaardiging is dus ook een puur bevindelijke zaak. Maar dóór het geloof. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Het geloof kan klein, aangevochten, in de aanvang zijn, maar toch heeft het geloof zekerheid in zich. Het ongeloof is zonde. Hoewel de gelovige aan allerhande ellende, ook aan de twijfel onderworpen is, de twijfel zelf hoort niet bij het wezen van het geloof.

En tenslotte, in dit verband, het woord amen, waarmee de behandehng van de Heidelberger afsluit: 'mijn gebed is veel zekerder van God verhoord dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem beheer'. En amen betekent toch: het zal waar en zeker zijn.

De conclusie in dit verband mag zijn dat het geloof voor de zekerheid onmisbaar is maar ook — hoe klein ook — de zekerheid aan en in zich heeft. Luther zei: geloof je dan heb je, geloof je niet dan heb je niet.

Gevaren en verschuivingen

De vraag is of we in onze kerken nog altijd staan op de bodem van de Reformatie als het gaat om de benadering van de mens in zijn vragen (of niet-vragen). Vragenderwijs noem ik enkele punten.

Staan we nog altijd voor de vier Sola's van de Reformatie? Het Woord alleen, de genade alleen, het geloof alleen en Christus alleen? Het gaat daarin om de belijdenis van de betrouwbaarheid Gods naar ons toe.

Is de zekerheid des heils het eerste wat wordt uitgezegd? Of wordt halt gehouden bij de onzekere, vragende mens? Met andere woorden vindt de verkondiging plaats van de heilsfeiten naar het hart toe, waarbij ook de eis Gods beklemtoond wordt? Als de leer des heils niet gepredikt wordt zal geen geloof worden gewekt en de zekerheid des heils niet worden gevoed. Deze leer plaatst ons enerzijds in de volstrekte afhankelijkheid, in de afhankelijkheid van Gods genade. Er is zelfs genade voor nodig om genade aan te nemen. En wij willen van nature niet van genade leven. Daarom is lijdelijkheid ook niet anders dan actieve vijandschap tegen God. Toen Luther ontdekte wat genade is, was het, zegt hij, alsof hij door geopende deuren het paradijs binnen trad.

Hoe is het verder met de waardering van de sacramenten! We spreken wel over onderschatting van de Heilige Doop en overschatting van het Heilig Avondmaal. Is het echter niet zo dat, zowel bij vanzelfsprekende dooppraktijk als bij avondmaalsmijding, in beide gevallen sprake is van onderschatting van het karaker van het sacrament? Het gaat toch om verbondstekenen, waaraan zowel het element van de vermaning als van de belofte zit? Bij de doop geldt de vermaning van het 'in een nieuw godzalig leven wandelen' en de belofte van het nieuwe leven. Bij het avondmaal geldt toch zowel het 'schik u o Israël om uw God te ontmoeten' als het element van 'Hij voor ons daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven'. In beide gevallen, bij beide sacramenten staan we op heilige grond, zodat we de schoenen van de voeten hebben te doen. Als we dat beseffen gaan we niet lichtvaardig ten doop en niet lichtvaardig ten avondmaal. Maar zijn we niet kwijtgeraakt dat het in beide gevallen gaat om tekenen die hangen aan het Woord en die het geloof wel niet werken maar wél versterken en dus de zekerheid des geloofs dienen?

Is er vervolgens ook niet déze ontsporing dat bevinding soms als een extra, buiten of boven de Schrift, wordt gezien? Ieder heeft wel op één of andere wijze bevinding, ervaring. Maar gaat het om bevinding des geloofs, bevinding die is ingebed in het totale Woord Gods? Bevinding des geloofs is altijd nog wat anders dan bevinding van het gevoel, hoezeer ook het gevoelsmatige mee mag komen in het geloof. De Heere werkt niet in stokken en blokken. Maar het gevoel biedt geen zekerheid, het geloof heeft in zich zekerheid.

Is er verder soms geen sprake van een alleen écht achten van bekering, die van het ene moment op het andere plaats vindt? We hebben al genoemd dat in de Heidelberger de bekering afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens is en ook in de sfeer ligt van de heiliging. Maar afgezien daarvan, hoezeer het voorkomt dat mensen van het ene moment op het andere bekeerd worden, in de Schrift is toch ook sprake van het geleid worden van jongs af aan. Zulk een bekering is niet minder bekering, als het maar bekering van het hart is.

Bovendien is het zo dat de één meer 'wettisch', de ander meer 'evangelisch' wordt geleid. Sommigen gaan in — zo werd vroeger onder ons gezegd — door de barre Noorderpoort, anderen door de zoele Zuiderpoort. Miskenning van de evangelische weg in de prediking heeft al voor veel onzekerheid in de gemeente gezorgd. Alsof een evangelische leiding gaan zou buiten de kennis van ellende en ontdekking door de wet aan het recht Gods om.

En verder, hebben sommige woorden onder ons niet ingeboet aan hun bijbelse betekenis? Woorden als geloof, verbond, belofte zijn soms ondergewaardeerd geraakt, in reactie tegenover een al té vanzelfsprekend, automatisch gebruik. Maar het prijsgeven van Schriftwoorden betekent dat andere woorden of begrippen gaan domineren; en dat móét leiden tot onzekerheid in de gemeente. Misbruik heft dan ook het gebruik niet op.

En tenslotte: is er altijd voldoende vertrouwen op de volmacht en de vrijmacht van de Heilige Geest? Deze neemt het uit Christus en verkondigt het ons. Het is de Geest, waardoor een mens wordt wedergeboren en de Geest blaast waarheen Hij wil. Maar ook, de Geest is uitgestort en niet met mate. Die het beloofd heeft, zal het ook doen.

De conclusie mag hier zijn dat prediking, die niet uitgaat van de betrouwbaarheid van Gods toezeggingen en steken blijft in de vragende of klagende mens, de zoekende zielen niet verder brengt. Het anker moet buiten ons zelf geworpen worden. De zaligheid is in een Ander.

Met zonder het onderwerpelijke

De leer der genade maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen, zegt intussen de Heidelberger. Daarin wordt alle lijdelijkheid in de wortel afgesneden en de mens in volle verantwoordelijkheid voor God gesteld. Lijdelijkheid is actieve vijandschap. Maar er is ook een andere kant aan zorgeloosheid. Namelijk dat we zo op het voorwerpelijke afgaan dat we aan het onderwerpelijke voorbijgaan. Zekerheid is echter niet alleen objectief (buiten ons) maar ook subjectief (in ons). De Heilige Geest neemt het uit Christus en verkondigt het ons, maakt ook indachtig wat Christus gezegd heeft. De Heilige Geest leert roepen om genade en roemen in genade. Dan moet er ook heel wat in een mensenleven gesnoeid worden voor men zich aan genade overgeeft en nog slechts de bedelaarshand ophoudt. Maar alleen in de ontgronding van onszelf blijft het enige fundament over.

Nu ligt de zekerheid des heils niet in de bevinding als zodanig maar de zekerheid des heils wordt wel bevonden. Al eerder stelde ik dat de wedergeboorte noodzakelijk is voor ingang van het koninkrijk. En hoewel een kind de eigen geboorte niet bemerkt, na de geboorte wordt wel bemerkt dat er leven is. Wie zal de weg der wedergeboorte beschrijven? Maar ze geschiedt in ons door de Geest. Wie van dood levend is gemaakt weet daar bepaaldelijk van. Het gaat dan niet om een verstandelijk redeneren maar een kennen door de Heilige Geest. Onovertroffen belijden de Dordtse Leerregels wat de wedergeboorte is, als gezegd wordt:

'En dit is de wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schriften gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweeg gebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden, of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden. Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en - tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke naar het getuigenis der Schrift... in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden...'

Een geladen getuigenis omtrent het heerlijke werk der wedergeboorte, in ons, zonder ons, uit pure genade.

Wanneer vandaag, in modern theologische kringen, zo hoog opgegeven wordt van de ervaring, dan moeten we niet denken dat dit aansluit op de bijbelse bevinding. De moderne ervaring blijft steken in wat de mens gevoelt en derhalve nog als waar ervaart en derhalve accepteert. In de moderne ervaring geldt dat twijfel de grootste zekerheid is. Bijbelse bevinding ligt echter uitgestrekt in het Woord Gods en heeft alles te maken met het heerlijke werk der wedergeboorte in ons. In die bevinding gaat het om het onwederstandelijke werk van de Heilige Geest in een mens. Dan is twijfel niet de grootste zekerheid, zoals de ervaring van vandaag wil. Nee, dan wordt zekerheid des geloofs geboren, door een nieuwe geboorte heen, waarin de mens sterft aan zichzelf en opstaat tot een nieuw leven.

Ik sluit af met een passage uit een preek van wijlen ds. R. Bartlema over Hebreeën 11:1 'Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet'.

'Het geloof is niet aller! Maar wel stelt God in Zijn Woord aan allen, die onder dat Woord leven, de eis des geloofs. Het is Zijn heilig recht! Gods Geest kome over u en doe u dat recht erkennen en in uw ziel leven, zó dat ge er niet meer onderuit kunt komen.

Hoor het woord van Christus: "gijlieden moet wederom geboren worden". Want het ware geloof, het arme zondaarsgeloof, het wereldoverwinnend geloof, komt op uit de wederbarende daden des Geestes.

Welgelukzalig een ieder, die door Gods Woord en Geest werd aangegrepen. Dan gaat er een heilig geweld op ons uit. Gelijk de golven der zee met kracht beuken op het strand en dan wegrollen om straks opnieuw de aanval te beginnen, zo gaat het ook in de aandrift des Geestes op het mensenhart. En zoals de golven het winnen van het strand in hun onafgebroken aanrollen, zo wint ook de Geest het hart voor Christus. Want de Geest werkt onwederstandelijk, onverwinbaar! Zo wordt geloof geboren in onze ziel.

Het is er mede (...) als met die innerlijke overtuiging, welke het geloof eigen is. Ja, zó werkt Gods Geestesgenade in ons hart met het Woord. Het is er mede, als wanneer de echte liefde de harten in­ neemt en saam doet smelten. De liefde is er weinig, maar waar ze opwaakt, is ze een wonder!

Zo is het met het waarachtig geloof. Als genade over ons haar zalige heerschappij uitspreidt dan worden we overtuigd met God te doen te hebben. Dan wordt ons Zijn bestaan de ontzaglijke werkelijkheid. Want we doorleven het, voor Hem niet te kunnen bestaan in onszelf.

Het Woord gaat ons ontdekken, in onze schuld, in onze totale verlorenheid, in onze bittere vijandschap tegen God de Heere, "de overvloedige fontein aller goeden".

Maar zie nu ook de andere zijde. Genade doet nooit een half werk. Zij opent het zielsoog voor al de rijkdommen en schatten van heil van Immanuel en voor Gods zondaarsliefde in de Heere Jezus, die Hij overgaf voor vijanden...'

Geloof zonder bevinding is geen geloof. Bevinding, die niet geloofsmatig van aard is, is geen bevinding. De vastheid van het heil ligt niet in ons maar buiten onszelf in Christus maar ze wordt wel in ons uitgewerkt door de Heilige Geest.

De leer des heils voedt zekerheid. De God des heils wil mij ten Herder wezen. Ook in een tijd vol onzekerheid als de onze.

De prediking moet toch maar tot dit geloof blijven wekken, het geloof dat de tijden omspant en in diepste kern voor de mens van alle tijden gelijk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Heilszekerheid in een tijd  van onzekerheid (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's