Uit de pers
Kerk en belijdenis
In het Centraal Weekblad van 10 oktober gaat prof. dr. H. N. Ridderbos op de onderscheiding tussen kerk als instituut, de bestaanswijze van kerk op zich, vergaderd rondom Woord en sacrament, geleid door de ambten en de kerk als organisme, d.w.z. de bestaanswijze van de gemeenteleden in gang van het menselijk leven. Ridderbos meent dat de Gereformeerde Kerken steeds meer neiging vertonen om het kerk-zijn te betrekken op de solidariteit met wat buiten het instituut 'kerk' is. Vervaging van identiteit en grensoverschrijding gaan daarmee gepaard. De kerk is geneigd zich steeds meer aan te passen aan hetgeen buiten haar aan de orde is. Ze durft steeds minder neen te zeggen. Ridderbos concretiseert dit door o.a. te wijzen op de krisis in het functioneren van de belijdenis
De kerk op zich is voor een belangrijk deel kenbaar aan haar confessie. Dat is haar zelfverklaring als Christus in de ruimte van zijn lichaam, heeft ook deel aan de kerk. Maar mijn vrees, of liever mijn stelling is, dat het begrip ruimte in de kerk in onze, dagen niet meer genoegzaam bepaald wordt door wat in de bijbel het lichaaam van Christus heet, maar niet minder door wat in de wereld waarin wij leven het grote evangelie is, namelijk dat van het individualisme, het volstrekte recht op 'eigenheid' en authenticiteit, op het niet gediscrimineerd willen worden als men anders denkt en gelooft en handelt dan 'de anderen', die men daarvoor uiteraard ook alle ruimte gunt. Men heeft daar in de kerk wel allerlei indrukwekkende woorden voor als 'pluraliteit' enzovoort. Maar die pluraliteit is een geheel andere dan die bijvoorbeeld in Efeze 4 : 16 zo indrukwekkend als die van het lichaam van Christus wordt beschreven. Want wat haar beweegt en in haar de boventoon voert, is niet meer — zoals in Efeze — het 'welsluitend geheel' van het lichaam, maar de eigenheid en eigen richting van 'de leden'.
'k Meen dat hier een zere plek in het kerkelijk leven wordt aangewezen die niet alleen de Gereformeerde Kerken zich moeten aantrekken. Onwillekeurig denk je aan de vorige eeuw, toen ook het functioneren van de belijdenis en het belijdend spreken bemoeilijkt werd door een bepaalde manier van ruimte opeisen. Stellig laat de eenheid in het belijden in verbondenheid en gemeenschap met de belijdenis der kerk verscheidenheid toe. Wij kennen ten dele, en de Schrift is altijd weer rijker dan de confessie. En toch is die ruimte niet onbegrensd. Juist de brief aan de Efeziërs laat indrukwekkend zien hoe waarheid en liefde nauw samenhangen. De groei van de gemeente is groei in de eenheid en groei in de kennis van de waarheid, nl. het kennen van Christus. Typerend vind ik 'de link' die Ridderbos legt naar het culturele klimaat van deze tachtiger jaren, de hang naar individualisering, het ik-tijdperk. Wat ik vind, denk of ervaar is belangrijker dan wat wij samen belijden in gebondenheid aan de Schriften. Waar kunnen we elkaar op aanspreken? Een gevolg van deze 'ruimhartigheid' is dat het kerkelijk gesprek tussen de richtingen op een laag pitje komt te staan. Ieder het zijne, en ieder mag geloven wat hij of zij wil. Hoeveel pleidooien voor pluraliteit zijn in wezen geen pleidooi voor de hotelkerk in optima forma. Ik noem nogmaals de negentiende eeuw. Hoe is er door Gunning en Hoedemaker, en door hun medestanders geworsteld om een kerk die waarlijk belijdende kerk is. In die ruimte alleen wordt partij denken overwonnen, zoeken we het goede voor de ander, en mogen we elkaar aanspreken op wat wij van Godswege ontvangen hebben en wat onder ons zeker mag zijn. Toegeven aan de ik-trend van onze tijd is niet minder dan gelijkvormig worden aan het schema van deze wereld.
***
Kerk en evangelisatie
Al eerder maakte ik in deze rubriek melding van enkele reakties op het evangelistencongres van juli van dit jaar in Amsterdam. Ik kom er nog een keer op terug, en geef graag iets door uit de Kroniek van het tweede nummer van Kontekstueel van de hand van ds. T. Poot. Poot wijst op het feit dat wij in ons land, en het geldt geheel West-Europa m.i., in een situatie verkeren, waarin godsdienst, geloof en kerk hoe langer hoe meer naar het privé-domein worden verwezen. Het theocratisch belijden heeft het moeilijk onder de springvloed van secularisatie en ontkerkelijking. De evangelisatorische opdracht is dan ook een aangelegen zaak. En terecht bepleit Poot sympathie met mensen die onze deze opdracht zo scherp onder de aandacht brengen als Billy Graham en zijn geestverwanten. Toch heeft Poot ook zijn aarzelingen.
Toch gevoel ik, bij alle sympathie voor wat de broeders en zusters in A'dam bewoog, ook bij mijzelf een zekere terughoudendheid. Is het vanwege de massaliteit van het gebeuren? Vanwege de geoliede organisatie? De schare, vermoeid en belast, als schapen zonder herder dwalend , hoort thuis in het Evangelie; met de massa, uniform gericht, komt men in de buurt van de ideologie. Toch is dat niet de diepste reden van mijn innerlijke afstand. Er zijn andere, van meer principiële aard.
Om te beginnen heb ik moeite met de aanbevolen en gepractiseerde evangelisatie-methodiek. De apostel Petrus vermaant ons bereid te zijn tot verantwoording aan al wie ons rekenschap vraagt van de hoop die in ons is (1 Petrus 3 : 15). De amsterdamse evangelisten werden het zandvoortse strand opgestuurd met antwoorden op vragen die ze eerst zelf bedacht en geformuleerd hadden. Dat doen zij niet alleen; dat kenmerkt veel evangelisatiearbeid. Ik heb daarover destijds iets geschreven in het boekje dat uitgegeven is ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de B.K.V.: 50 plus 50 is Een Eeuw. Mag ik mijzelf even citeren? 'Een gemeente, die zich christelijke gemeente noemt, maar niet messiaans leeft, zo goed als niets vertoont van het 'gij geheel anders' van Efeziërs 4 : 20, maar even wereldgelijkvormig is in haar denken en doen als de anderen, roept geen vragen op en derhalve worden haar ongevraagde boodschappen als irritant en huichelachtig ervaren. En om die vragen gaat het juist! Er moeten vragen opgeroepen worden door het alternatieve bestaan van de Christus heiligende gemeente. Verbaasde vragen, lastige vragen, venijnige vragen, geërgerde vragen, hongerige vragen, nieuwsgierige vragen, maar vragen om rekenschap van de hoop die in ons is. Op dat punt begint de evangelisatie. De apologetische evangelisatie. Evangelisatie als antwoord geven.' Einde citaat. Er is ons gezegd dat we ons als kerken moeten schamen eerder dan kritiek te hebben, omdat Billy Graham ons een schuldrekening voorhoudt. Ik ben bereid mij te schamen over het gebrek aan werfkracht van de gemeente, want als er geen 'geopende deur is voor ons aangezicht' (Openb. 3 : 8) is dat een teken van onze geestelijke armoede, maar ik ben niet bereid mij te spiegelen aan de vertoonde methodiek, want ik acht haar onbijbels en tot weinig nut voor het Koninkrijk.
Naast theologische bezwaren, zoals de overaccentuering van de verkondiging ten koste van het diakonale en sociale is er nog iets wat de schrijver hoog zit.
En dan tenslotte iets, wat misschien heel subjectief is, maar wat mij innerlijk het meeste afstand geeft tot zulke happenings als in Amsterdam. Dat is de, wat ik nu maar noem, 'voorwaarts christenstrijders-sfeer' die zulke samenkomsten omgeeft. Het massale samen-staan-we-sterk roept de suggestie op van een te klaren karwei, benevelt zo gemakkelijk met een lichte overwinningsroes. Ik mis de diepgang van het roepen uit de diepte, van het wachten op God, dat Hij het maken zal. Iemand die mij dierbaar was, was, dorstig naar blijdschap, in een bepaalde fase van zijn leven in opwekkingskringen terecht gekomen. Na zich een tijd lang gelaafd te hebben aan het vreugdevolle hallelujageroep keerde hij zich tenslotte, teleurgesteld af. Gevraagd naar het waarom zei hij: ze hadden daar geen weet van
'k Ben gewoon in bange dagen mijn benauwdheid U te klagen.
Gij toch, die d'ellenden ziet, hoort mij en verstoot mij niet. (Ps. 86 : 4a).
Vanwege deze diepgang kan mijn hart nooit helemaal meekomen met zulk groot geroep als in de RAI en ook wel elders te horen is.
Ik deel met Poot zijn aarzelingen bij de gehanteerde methode. Ook ik meen, dat vooral de exemplarische gestalte van de gemeente van betekenis is voor het evangelisatiewerk. Dat lijkt me ook in de lijn van het Nieuwe Testament. Wat is de werfkracht van onze stijl van leven? Al blijft er uiteraard ruimte voor verschillende methoden. Niet alle vormen van massa-evangelisatie of straatprediking behoeven onder vonnis 'onbijbels' te vallen. Maar wij zullen ons wel af moeten vragen, wat in onze tijd en situatie de meest geëigende methode is. Toch denk is, dat we anderen weinig te verwijten hebben. Zitten we als het gaat om goede methoden niet allen wat verlegen te kijken?
Het laatste punt wat Poot noemt, demonstreert m.i. dat er bij alle raakpunten tussen opwekkingschristenen en reformatorische kerken — en die zijn er, ongetwijfeld — toch een diep verschil is. Men zou kunnen zeggen: de geschiedenis van Paulus en de Korinthiërs herhaalt zich. Ook daar de zwakheid van het kruis tegenover de theologie van de glorie. Het is kennelijk moeilijk voor christenen de spanning van het 'Here, ontferm U' en het Halleluja, die in de psalmen dicht bij elkaar liggen bijeen te houden.
Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's