De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moet dat nu zo?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Moet dat nu zo?

17 minuten leestijd

Uitroep

Het opschrift boven dit artikel is de indertijd bekend geraakte uitroep van dr. H. W. Tilanus (overl. 1966) in de Tweede Kamer december 1958, toen de Partij van de Arbeid om een tamelijk geringe aanleiding de rooms-rode coalitie verbrak. Tilanus liep hoofdschuddend naar het spreekgestoelte en zei o.a.: 'Eigenlijk ligt er maar één vraag op mijn hart. Die vraag is: moet dat nu zo?' (drs. G. Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven, 1966, pg. 270).

Deze eens zo gevleugelde woorden kwamen bij me boven toen ik de afgelopen tijd vrij grondig kennis nam van het boek dat ds. P. de Vries (Zwartebroek) onlangs deed uitkomen onder de titel 'De weg Zijner getuigenissen' (uitg. De Roos, Vlaardingen). Versta me goed: ik wil daarmee niet suggereren als zou ook ds. De Vries om een eigenlijk geringe aanleiding een ruim 200 pagina's tellend boek hebben uitgegeven. Voor hem zeker is de aanleiding niet gering. Maar in de uitroep 'Moet dat nu zo?', ligt voor mij verwoord de hele gang van zaken die tot deze publicatie op zo'n wijze aanleiding gaf. Mij gaat het verder ook om de opzet van het boek, om de hierin toegepaste methode, om de manier waarop allerlei personen binnen hervormd-gereformeerde kring openlijk aan de ketterpaal worden genageld of verdacht gemaakt in hun al dan niet gereformeerd zijn. Moet dat nu zó? Zonder daarbij ds. De Vries van kwade opzet te willen betichten, vind ik het wel diep droevig dat het zó gebeurt. Ik wil proberen aan te tonen waarom ik vind dat het zo niet kan en zo niet mag. Ik ga daarbij niet op de inhoudelijke kant van het boek in. Voorzover het ferme kritiek bevat op de studie 'Man en vrouw in bijbels perspectief' is ds. C. den Boer bezig in 'De Waarheidsvriend' daarop te reageren. En de anderen die in dit boek worden aangevallen, hebben hun leeftijd en vermogen om er naar believen al dan niet op in te gaan. Mij gaat het vooral om de methode, om de weg die ds. De Vries is gegaan en blijft gaan. Zó kan het niet en zó mag het niet. Zo bereikt hij ook zijn doel niet dat hij als ondertitel aan zijn geschrift meegeeft: een oproep om te volharden in de gereformeerde religie.

Voorgeschiedenis

Aanleiding en oorzaak van ds. De Vries' publicatie is vooral te vinden in de al even genoemde studie 'Man en vrouw in bijbels perspectief'. Deze studie is een uitgave vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde kerk, samengesteld door een studiecommissie onder leiding van ds. C. den Boer. De studiecommissie bestond uit de heren ds. G. de Fijter, prof. dr. C. Graafland, drs. P. Koeman, drs. C. van Sliedregt, ds. H. Visser en ds. L. J. Geluk. In het voorjaar van 1985 zag deze studie het licht. Ds. P. de Vries schreef 22 juli 1985 een brief aan het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en liet deze brief tevens in ruimere kring circuleren.

In zijn gemeente en erbuiten vroegen velen naar zijn mening over deze studie, vandaar (pag. 181). De brief van ds. De Vries bevatte kritische en fundamentele vragen aan het hoofdbestuur. Hij bedoelde deze brief als een alarmsignaal, schrijft hij in het voorwoord van zijn boek. Ik citeer: 'Persoonlijk had ik gehoopt, dat van de zijde van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond althans iets aangevoeld zou worden van de verontrusting die eruit naar voren kwam. Dat is niet het geval geweest' (pag. 3). En dan stapt ds. De Vries ineens over naar wat er op 26 september 1985 in 'De Waarheidsvriend' is gepubliceerd. Een reactie die niet van veel begrip getuigde, aldus ds. De Vries. Ja maar, is mijn verbaasde reactie dan: als je nu een oproep schrijft om in de gereformeerde religie te volharden, dan moet je niet de waarheid geweld aandoen en lezers die niet van de preciese gang van zaken op de hoogte zijn iets op de mouw spelden. Want hoe is een en ander verlopen?

Op 22 juli 1985 schrijft ds. De Vries de bewuste brief aan het hoofdbestuur. Zonder antwoord af te wachten plaatst hij dan op 18 augustus 1985 in de 'Hervormde Kerkbode voor de Veluwe' onder de gemeenteberichten van Zwartebroek een openlijke aanval op deze studie en op het hoofdbestuur onder de titel 'Wie zou niet wenen?'. En dat, terwijl hij in de brief van 22 juli aan het hoofdbestuur nog stelt: 'Alhoewel ik geen lid ben van uw bond, leek het mij de beste weg allereerst mijn bezwaren aan u kenbaar te maken alvorens dat publiekelijk te doen' (pag. 171). Ja, dan kun je je wel de woorden van Jeremia eigen maken en boven je verhaal schrijven 'Wie zou niet wenen?', maar wie moet er hier eigenlijk wenen? En dan nu in het voorwoord van dit boek ook nog eens de onware voorstelling van zaken alsof ds. De Vries zo tot alle gesprek bereid was, maar het hoofdbestuur hem eigenlijk alleen maar hautain kon afwijzen in 'De Waarheidsvriend' van 26 september 1985. Dat is niet waar, ds. De Vries! Er zijn direct na 18 augustus 1985 contacten geweest van de zijde van ds. Den Boer en daarna ook gesprekken met een delegatie van het hoofdbestuur. En ds. De Vries weet hoe die gesprekken waren. Waarom zwijgt hij over die gesprekken in zijn boek? Waarom die haastige publicatie in het Veluws kerkblad? Waarom niet de bijbelse weg gegaan van broederlijk overleg en gesprek? Waarom niet het christelijk geduld opgebracht om eerst uitvoerig naar elkaar te luisteren? Is deze methode niet méér werelds dan ds. De Vries zich wellicht bewust is?

Ds. G. Boer

Ds. De Vries citeert in zijn publicatie nogal gretig de vroegere voorzitter van de Gereformeerde Bond, ds. G. Boer (overl. 1973). Hij mag weten dat wij nog steeds alle achting hebben voor zijn persoon en werk en hij spreekt nog menigmaal tot ons nadat hij gestorven is. Weten we dat hij eens zei: gestorven heiligen bijten niet? Citeren is een riskante aangelegenheid. Een selectieve bezigheid. Maar afgezien daarvan, wil ik hem dan ook wel eens citeren om aan te tonen dat hij deze handelwijze absoluut niet zou hebben kunnen waarderen. Het is uit de laatste preek die hij in zijn leven hield over Zondag 31 (de sleutelen van het hemelrijk). Hij stelt in die preek de vraag aan de orde: hoe oefenen we binnen de gemeente, binnen de kerk, tucht uit. Ik beschouw het boek van ds. De Vries als een vorm van tucht in de bijbelse zin van het woord. De ene broeder tracht in liefde de dwalende broeder weer in het rechte spoor te krijgen. Ds. De Vries wil met zijn studie bereiken dat velen in hervormd-gereformeerde kring zich bekeren van wegen die van de Schrift en de belijdenis afvoeren. Welnu, ds. Boer stelt in bedoelde preek dat tucht alleen maar kan functioneren als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Ik citeer: 'In de eerste plaats, dat we allemaal, klein en groot, zelftucht oefenen. Ik heb een hoogleraar gehad die ons zei: als je jezelf drie dagen lang niet onderhanden genomen hebt, dan gaat het niet goed met je. Moet u eens onthouden'. Zelftucht, bedoelt ds. Boer, is eerste vereiste. Kennen we innerlijke tucht? Als tweede voorwaarde noemt ds. Boer dan de onderlinge tucht. Hij wijst dan op de bekende regels die Jezus daartoe gaf. Eerst het gesprek onder vier ogen. Als dit niet helpt dan het gesprek met enkelen erbij. Ik citeer nu weer ds. Boer: 'Gaan we zo met elkaar om, gemeente? We zeggen dat we bijbelgetrouw zijn. Zijn we dat ook? In de omgang met onze familieleden en met onze vrienden en kennissen en buren? Ja, je moet die verhalen maar horen. Is zo ons leven? Er is de tucht, de onderlinge tucht. Als die niet functioneert, komt er van de kerkelijke tucht geen spaan terecht. Want dat is de weg die de Heere Jezus wijst'. Tot zover uit de preek van ds. Boer. Misschien stelt ds. De Vries: mijn boek is niet bedoeld als een vorm van tucht. Wie betrokken is geweest bij de tot standkoming van een studie als door ds. De Vries aangevallen, beleeft het toch wel zo. Bovendien werkt het in de kerkelijke praxis ook zo. Het is en wordt als zodanig bijvoorbeeld in kerkbodes maar al te gretig opgepakt om o.a. het hoofdbestuur in discrediet te brengen inclusief de anderen die worden genoemd. Dat is geen tucht in de bijbelse zin meer, maar veeleer meedoen aan verdachtmaking en polarisatie. Want zo werkt dat nu eenmaal. Ds. De Vries wil dat niet, dat zal best, maar wie tot publicatie overgaat in kerkbode en geschrift dient zijn verantwoordelijkheid in dezen wel te verstaan. Ds. De Vries is te haastig geweest. Dat is geen kenmerk van geloof. Die geloven haasten niet. Die weten Gods tijd en gelegenheid af te wachten. Die gaan de weg die het Woord wijst. Want zo wijs je broeders niet terecht. Ik citeer nogmaals ds. Boer: 'Vermanen, gemeente, is een heel moeilijk werk. Om te vermanen moet je vol liefde zijn en moet je een hart vol zelfkennis hebben. Wie heeft dat allemaal? Wie is tot deze dingen bekwaam? Tot het vermanen, trekken, in liefde trekken?' (Uit: De vaste grond, ter nagedachtenis aan ds. G. Boer, 1973, pg. 72v).

Geen polarisatie

In het voorwoord stelt ds. De Vries dat hij niet de bedoeling heeft personen in discrediet te brengen. Hij is zichzelf er niet van bewust dat er in hem enige lust tot polariseren gevonden wordt. Dat geloof ik heel graag van hem. Maar doet hij, in strijd met zijn eigen standpunt, niet een heel sterk beroep op zijn eigen integriteit, eigen subjectiviteit? Is hij zo zeker in alles en te allen tijde van zichzelf? Was het niet ook Jeremia die uitriep: 'Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?' (17, 9). Op pag. 54 zegt hij van de auteurs van de door hem gewraakte studie dat hij geen behoefte heeft te twijfelen aan hun integriteit. Maar, zo citeer ik zijn woorden die er dan direct op volgen: 'Persoonlijke integriteit is echter niet de hoogste norm. We moeten alles toetsen aan de Schrift'. Welnu, dat geldt toch ook het bezig zijn van ds. De Vries zelf? De Schrift is objectieve maatstaf, ook in de manier waarop broeders elkaar vermanen bij vermeende en geconstateerde afwijking van de Heilige Schrift. Ik vind de weg die ds. De Vries heeft gekozen niet bijbels, niet naar de geest van het Evangelie van Christus. Zonder het te willen, brengt hij alleen maar verwijdering teweeg. Ik dacht in dit verband óók aan die uitspraak van Calvijn, door ds. De Vries zelf ergens geciteerd, dat hij wel tien oceanen wenste over te steken, als dat nodig was om de eenheid van de kerk van Christus te bevorderen. Zijn we die tien oceanen overgegaan eer dit boek werd gepubliceerd? Ik ben het geheel en al met ds. De Vries eens als hij stelt dat we niet terwille van de eenheid de ogen maar moeten sluiten voor de werkelijkheid op het hervormd-gereformeerd erf. Hij ziet zich een scheiding der geesten voltrekken onder ons. Daar kon hij voor een deel best weleens gelijk in hebben. Ik kan daar best wel in meevoelen met hem. Dan nog blijft overeind staan: het zwaard van ds. De Vries is stomp omdat het niet geslepen is in het vuur van de Geest van Christus.

Aantonen

Laat ik eens een aantal voorbeelden geven van de methode die ds. De Vries in zijn boek nogal eens toepast en naar mijn inzicht af te keuren is. Ik bedoel het suggestieve, het insinuerende van veel uitspraken. Een hoofdbezwaar van ds. De Vries tegen de studie 'Man en vrouw in bijbels perspectief' is, dat de afwijzing van de vrouw in het ambt onder alle omstandigheden op een tweeslachtige manier plaats vindt. Meer gebaseerd op nevenlijnen in de studie dan op de hoofdlijn. De rode draad die door deze studie loopt, aldus ds. De Vries, biedt allerlei aanknopingspunten om de ambten voor de vrouw open te stellen. Hij toont dat in zijn boek dan breedvoerig aan. Inderdaad is de weg in deze studie gevolgd enigszins ongebruikelijk. In die zin dat eerst grondig en nauwkeurig naar de Schriften is geluisterd. Daaruit volgen dan de conclusies. Hoofdconclusie aan het eind van de studie is heel radicaal: de vrouw hoort volgens de Schrift niet in het ambt. Wel is er meer plaats voor haar dan veelal in onze traditie is toegegeven en aan haar toegekend. Wie nu onbevangen en onbevooroordeeld deze studie leest, die kan toch niet zeggen: zo wordt de deur voor de vrouw in het ambt op een kier of zelfs nog verder open gezet?

Een steeds weerkerend punt in ds. De Vries' boek is: de schrijvers van het boek 'Man en vrouw' zijn in hun denken duidelijk beïnvloed door het Barthiaanse denken. En ze zijn onder de hervormd-gereformeerden lang niet de enigen. Deze beschuldiging is niet gering voor iemand die meent dat deze theologie in haar wortels verderfelijk is. Hoe onderbouwt ds. De Vries deze ernstige beschuldiging vervolgens? Ik wil een paar voorbeelden trachten te geven om aan te tonen hoe insinuerend en suggererend hij dan soms te werk gaat. Ds. De Vries: 'Wie de literatuur nagaat, waarnaar in de studie wordt verwezen, constateert dat deze voor het overgrote deel in meer of mindere mate Schriftkritisch van inslag is' (pag. 36). Zo, aldus ds. De Vries, kun je geen onbevooroordeelde exegese meer bedrijven. Maar waar ziet hij ds. C. den Boer c.s. eigenlijk voor aan? Voor mensen die de gave des onderscheids niet of niet meer hebben? Die een waas voor hun ogen krijgen als ze zich verdiepen in eigentijdse exegetische literatuur? Is dat nu een zinnig argument om hier dan direct de Barthiaanse theologie aan te voeren als inspirator van veel wat in deze studie staat?

Nog een voorbeeld. De Barthiaanse invloed acht ds. De Vries wel heel duidelijk aan het licht komen in één van de hermeneutische regels die de commissie in de studie noemt. Eén van die regels bestaat voor de commissie hierin dat ze de Schriftwoorden willen lezen 'vanuit het grote centrum', de trinitarische openbaring van God in het raam van Zijn verbond met Zijn volk'. Best, je kan over de formulering van zo'n regel enige vragen of zelfs bedenkingen hebben. Maar mag je dan vervolgens, zoals ds. De Vries steeds doet, konsekwent de commissie vastpinnen op deze uitspraak en zeggen: hierin komt de Barthiaanse aap uit de mouw? Getuigt dat nu van echt willen luisteren en begrijpen? Komt juist ook hierin niet openbaar hoe nodig het was geweest als deze zaken in een grondig, blijvend en broederlijk gesprek waren doorgepraat. Dan had ds. De Vries het zijn broeders kunnen vragen: bedoelen jullie dat nu in Barthiaanse zin of niet? Nu wordt de loop van ds. De Vries' betoog grotendeels hierop gebouwd. Ik citeer ten voorbeeld: 'Omdat de auteurs de Schrift lezen met een bril die gekleurd is door de Barthiaanse theologie, hebben ze aan essentiële Schriftgegevens geen recht gedaan' (pag. 37).

Suggestief

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat mijn bezwaar tegen de methode van ds. De Vries vooral is gericht op zijn suggererende manier van schrijven. Ik kom nogal eens tegen in het kader van een beschuldiging uitdrukkingen als 'ik vrees', 'ik meen', 'nu wil ik niet beweren dat...'. Om een voorbeeld te geven. Op pag. 60 zegt ds. De Vries: 'Nu wil ik niet beweren dat de auteurs volledig op de lijn van Barth en de zijnen zitten'. En toch doet hij eigenlijk niet anders het hele boek door aantonen dat ze wel op dat spoor zitten.

Insinueren. Ook daarvan een voorbeeld. Hij valt ds. Den Boer aan op een uitspraak van hem in 'Koers' waar deze een verschil maakt tussen joods en grieks denken en zegt zich aangetrokken te weten tot het zgn. joodse denken. Daar hangt ds. De Vries dan weer een heel betoog aan op. Velen in onze tijd, stelt hij, gebruiken dit onderscheid om te verdedigen dat het Bijbels onverantwoord is om te spreken over God in Zichzelf. Om het statische denken te verruilen voor het dynamische denken. Maar daar heeft ds. Den Boer het in het bewuste gesprek in 'Koers' helemaal niet over. Ik vind zoiets insinuerend, niet zorgvuldig, dat doet sterk denken aan ketterjacht.

Nog een voorbeeld. Op pag. 20 sluit hij het eerste hoofdstuk af met de woorden 'Een van Gods Woord afwijkende visie staat vrijwel nooit op zichzelf. Het doet ons vrezen dat hier mogelijk meer aan de hand is'. Weer zo'n insinuering: doet ons vrezen... mogelijk.

Nog een voorbeeld. Ds. De Vries stelt: in de studie zelf is de invloed van de emancipatie van de vrouw enigszins merkbaar (pag. 25). Enigszins... maar hij zet er dan niet bij hoe grondig in deze studie de discussie met het feminisme wordt gevoerd. Het één wel suggereren: er wordt toegegeven aan de moderne emancipatiegedachte, maar verzwijgen hoe fundamenteel het feminisme wordt afgewezen. Is dat eerlijk?

De ernstigste vorm van insinuatie trof ik aan op pag. 38. Ik moet nu eerst een fragment citeren uit het geschrift van ds. De Vries. Hij stelt dat daar waar niet duidelijk wordt gesproken over de onfeilbaarheid van de Bijbel en de inhoud van de Bijbel op fundamentele punten wordt rnisverstaan, dat daar ook alle verhoudingen op het gebied van huwelijk en gezin hun vastigheid verliezen. En dan komt het: 'Zijn de eerste tekenen daarvan niet reeds merkbaar in de hervormd-gereformeerde richting? Ik ben er niet zo zeker van dat elke hervormdgereformeerde zich nog vinden kan in wat wijlen ds. G. Boer over gezinsvorming schreef in zijn boek 'Ik ben de Alpha'. Zie ik het mis als ik verschuivingen constateer in de houding t.o.v. de kerkelijke bevestiging van een huwelijk van mensen die niet schuldloos gescheiden zijn... Voor sommigen is het zelfs een open vraag of samenwonenden uitdrukkelijk van het Heilig Avondmaal geweerd moeten worden'.

Ook in dit citaat weer die aarzelende, intussen toch opgeworpen kritiek: 'zijn de eerste tekenen niet al merkbaar', 'ik ben er niet zo zeker van', 'zie ik het mis als', 'voor sommigen is het zelfs een open vraag'. Zonder harde bewijzen wordt dit zomaar geponeerd.

Er zouden nog meer voorbeelden te noemen zijn van deze volgens mij kwalijke methode, maar we stoppen ermee.

Tenslotte

Ds. De Vries schrijft fundamentele kritiek te hebben op de studie Man en Vrouw. Maar hij grijpt de gelegenheid aan om op vele zaken te wijzen op het hervormd-gereformeerde erf waar hij gevaren ziet dreigen. Beseft hij echter niet dat hij zo door heel dit boek heen suggereert alsof ds. Den Boer c.s. en het hoofdbestuur aan al deze ontwikkelingen direct schuld hebben. Alsof het hoofdbestuur er zelfs aan meewerkt, er achter staat, achter alles wat vanuit hervormdgereformeerde kring wordt gepubliceerd. Alsof wij het recht hebben al dan niet licentie te verlenen voor een publicatie en daarom op alles wat zich binnen onze kring aandient aanspreekbaar zijn. Dat kan toch nimmer zo zijn? Bovendien, heeft het hoofdbestuur dan nooit eens gevaren gesignaleerd die onze beweging bedreigen? Op jaarver­gaderingen, via het wekelijks orgaan, in een beleidsnota? Is het niet polariseren als je altijd de Gereformeerde Bond maar van alles de schuld geeft. Zijn we dan niet samen en niet allen afgeweken?

Zeker, we zouden als Gereformeerde Bond misschien soms nog krachtiger stelling moeten nemen tegen bepaalde ontwikkelingen. Maar we zijn geen Vaticaan dat beschikt over een Index en we hebben geen macht om publicaties te verbieden. We zijn slechts een bestuur dat poogt leiding te geven aan een deel van de Gereformeerden in de Hervormde Kerk. Wij hebben geen bevoegdheid om te zeggen of te eisen: zó moet u preken en spreken, zó moet u theologiseren. We staan wel voor onze grondslag: Schrift en Belijdenis. En onze leden hebben we daaraan te houden en de leden ons als bestuur. Ds. De Vries kunnen we als bestuur daar niet eens aan houden, want hij is geen lid. Zo weinig invloed hebben we uiteindelijk slechts.

Door een boek als dit te schrijven, dienen we, hoe goed bedoeld, de kerk absoluut niet. Het is wel jammer. Op allerlei punten theologiseert ds. De Vries best helder, ziet hij de dingen scherp, verdient hij dat er inhoudelijk op punten naar hem geluisterd wordt, deel ik zelfs verschillende van zijn fundamentele bezwaren binnen onze eigen beweging. Maar zo komt het absoluut niet over. Zo kan het niet. Zo mag het niet! Jammer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Moet dat nu zo?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's