Het nieuwe leven
'Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid; het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.' Corinthe 15 : 42-44a
Indrukwekkend was het beeld waarmee Paulus de opstanding der doden vergeleek. 't Is ermee als met een zaadkorrel, zo zagen we vorige keer. Zoals het graan in de verse vore geworpen wordt, zo wordt het lichaam van Gods kind toevertrouwd aan de schoot der aarde, waar het zal rusten tot op de jongste dag.
En dan? Als de nieuwe morgen is aangebroken en de opstanding heeft plaatsgevonden, hoe zal het dan zijn? Daarover probeert Paulus iets te zeggen in vers 42-44a van dit hoofdstuk. Iets, want de apostel komt niet verder, dan het oplichten van een tipje van de sluier. Hoe kan het ook anders? Welk mensenkind is bij machte de heerlijkheid van het opstandingsleven uit te tekenen? Wie is in staat te beschrijven 'wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen? ' (1 Cor. 2:9). Het zal heel anders blijken te zijn, dan Wij ons konden voorstellen. Het zal onze stoutste verwachtingen overtreffen.
Een paar dingen mag Paulus er toch wel over kwijt. En let er dan op, dat hij het beeld van het zaaien nog altijd vasthoudt. De apostel licht het nader toe. Hij werkt het wat breder uit door de tegenstelling tussen nu en straks te laten zien. Luister:
Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Gezaaid in, opgewekt in... Niet minder dan vier woordparen zet Paulus voor ons neer. Vier tegenstellingen die het verschil tussen het hiernamaals in het volle licht zetten.
Laten we de woorden één voor één onder de loupe nemen. Een verderfelijk lichaam wordt er gezaaid. Wie zou dat durven ontkennen? Op het kerkhof heerst inderdaad het verderf. Daar gaat het lichaam tot ontbinding over. Verderfelijk, vergankelijk is ons lichamelijk bestaan. Daarom wordt in een rouwdienst ook zo vaak Psalm 103 gezongen: Gelijk het gras is ons kortstondig leven. Om die reden wordt bij een open graf zo dikwijls gelezen uit Jesaja 40: Alle vlees is als gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast.
Hoe broos en vergankelijk ons bestaan is, zien we elke dag om ons heen. Soms ervaren we het ineens smartelijk in ons eigen leven: wanneer de zeis van de dood vlak langs ons heen maait. Of als een ongeneeslijke kwaal onze gezondheid aantast en onze levenskrachten sloopt. Verderfelijk! Maar het lichaam dat straks ontvangen zal worden, is onverderfelijk. Dat zal nooit meer te gronde gaan. Het opstandingslichaam wordt, zoals Paulus in de Filippensenbrief zegt, gelijkvormig gemaakt aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Filippensen 3 : 21). Geen ziekte zal het lichaam meer bedreigen. Geen zonde zal het meer verwoesten. Geen ouderdom zal het meer aantasten. Er wordt gezaaid in oneer. Men spreekt weleens van een eervolle begrafenis, wanneer er veel mensen waren en er mooie toespraken gehouden werden. Begraven is echter nooit eervol en mooi. Begraven is ten diepste oneer, schande, verachting. Dat kunnen alle bloemen en grafkransen niet verhullen en toedekken. Het graf vertelt mij dat ik niet beantwoord heb aan het doel dat God aan mijn leven meegaf. Het graf wijst mij op het woord van de Bijbel, dat ik gezondigd heb en daarom de heerlijkheid van God mis (Romeinen 3 : 23). Gezaaid in oneer. Maar de opwekking zal zijn in heerlijkheid. Dan zal mijn lichaam zich baden in de lichtglans van God. De profeet Daniël wist dat al: 'Zij zullen blinken als de glans des uitspansels, en als de sterren, altoos en eeuwig' (Daniël 12 : 3). Het verheerlijkte lichaam zal het beeld van het hemelse dragen (1 Corinthe 15 : 49). Nooit meer zal het dienstbaar zijn aan de zonde, maar altijd dienstbaar aan Hem Die op de troon zit en het Lam.
Er wordt gezaaid in zwakheid. De dood is het onomstotelijke bewijs van de zwakheid van ons bestaan. Er is geen verweer tegen het verderf. Pascal, de bekende Franse natuurkundige en filosoof, noemde de mens een denkend riet. De mens weet veel. Hij kan ook veel. Zijn prestaties grenzen zo nu en dan aan het ongelofelijke. Maar ten diepste is hij toch zo zwak als een rietstengel! Ons lichaam is een vernederd lichaam (Filippensen 3 : 21). Het is het lichaam der zonde (Romeinen 6:6). Onderworpen aan onze verkeerde hartstochten en verlangens en daarom zwak, krachteloos! Zwak, ook in het geloof. Zwak in het gebed. Zwak in de toewijding aan God. Nu nog moet Gods kracht in onze zwakheid volbracht worden. (2 Corinthe 12 : 9). Nu nog moet de Geest onze zwakheid te hulp komen (Romeinen 8 : 26). Maar straks wordt het lichaam opgewekt in kracht. Sterk zal het verheerlijkte lichaam zijn. Van geen ingezonkenheid zal het meer weet hebben. Door geen matheid zal het meer gehinderd worden. Iemand zei het zo: we zullen ogen hebben die scherp blijven zien, oren die nooit een gehoorapparaat nodig hebben, knieën die nooit zwak zullen worden, handen die nooit zullen beven, we zullen lopen en niet moe worden. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Dat is de laatste tegenstelling die Paulus maakt. Hier moeten wij dubbel goed lezen. Er kunnen namelijk gemakkelijk misverstanden ontstaan. Het mag ons niet ontgaan dat Paulus geen tegenstelling maakt tussen stoffelijk en geestelijk, maar tussen natuurlijk en geestelijk. De apostel wil dus niet beweren, dat de gezaligden straks alleen maar geest zullen zijn. Om eerlijk te zijn, heb ik dat vroeger als kind weleens gedacht. Als ik het leven in het hiernamaals me probeerde in te denken, dan zag ik geesten voor me, of soms ook wel engelen. Maar dat wordt hier niet bedoeld. Nee, eigenlijk staat er: Een psychisch lichaam wordt er gezaaid. Het natuurlijke lichaam is ons lichaam, zoals het beheerst wordt door onze psyche, onze ziel, ons eigen ik en dat daarom altijd weer dwars tegen God in wil. Het keert zich telkens weer van God af en wil eigen wegen gaan. Maar het nieuwe, het geestelijke lichaam zal daar geen last meer van hebben. Dat wordt niet langer geleid door ons eigen ik, maar door de Heilige Geest, zodat het van harte bereid is om God te loven en te verheerlijken.
Is er herkenning?
Geen verderfelijkheid, maar onverderfelijkheid; geen oneer, maar heerlijkheid; geen zwakheid, maar kracht; geen natuurlijk, maar een geestelijk lichaam. Dat is het, wat Paulus over het opstandingsleven kan meedelen. Och eigenlijk is het niet meer dan stotteren en stamelen, wat hij hier doet. Paulus heeft niet meer te geven, dan die andere apostel die over de toekomst spreekt. Johannes, de oude ziener op Patmos, weet over de nieuwe schepping alleen maar te zeggen, hoe het niet meer zijn zal. Geen tranen, geen dood, geen gekrijt, geen moeite meer, want de eerste dingen zijn weggegaan (Openbaring 21 : 4). Veel, o zo veel vragen blijven onbeantwoord. Talloze problemen blijven onopgelost. Zullen we elkaar straks herkennen? Is er een weerzien? We lezen het nergens. Maria Magdalena kende de Opgestane niet en hield Hem voor de hovenier (Johannes 20 : 15). Aan de Emmaüsgangers verscheen Jezus in een andere gedaante (Lukas 24 : 13 v.v.). We weten het niet. De Heilige Geest heeft het niet nodig geacht ons over alle dingen opheldering te verschaffen. Misschien met opzet. De bedoeling zal wel zijn, dat we ons niet verliezen in bespiegelingen over hoe het straks zal zijn, en ondertussen het hier en nu vergeten. Treffend is in dit verband de opmerking, die ik las bij dr. Noordmans: Het is niet zo belangrijk te weten of we elkaar straks zullen kennen. We kunnen ons beter druk maken over de vraag of we elkaar nu wel kennen. Kennen in de diepe en bijbelse zin van het woord: echt met elkaar verbonden zijn, samen kunnen spreken, samen kunnen bidden, samen kunnen zingen.
Verandering maar ook continuïteit
Ontzaglijk veel blijft onduidelijk en onbegrijpelijk. Wie kan zich indenken, dat het huwelijk er niet meer zijn zal straks? Toch heeft Jezus Zelf dat met zoveel woorden gezegd: n de opstanding nemen zij niet ten huwelijk noch worden ten huwelijk gegeven (Mattheus 22 : 30). Eén van de allermooiste gaven die uit het paradijs zijn overgebleven, zal dus verdwenen zijn. Geen huwelijksleven meer. Dat wijst wel op het totaal nieuwe, het radikaal andere van het opstandingsleven. Hoewel er toch ook een zekere continuïteit zal zijn. Er lopen dwarsverbindingen tussen nu en straks. Want wat er aan mijn lichaam moge veranderen, dat neemt niet weg dat het mijn lichaam is, dat wordt opgewekt. Geen ander lichaam! Zoals uit de roggekorrel een roggehalm en uit een tarwekorrel een tarwestengel opschiet, zo ontvangt straks ieder zijn eigen lichaam uit het oude. God gaf aan alle levende wezens hun eigen lichamelijke gestalte, aan de vissen een andere dan aan de vogels; God schonk aan ieder hemellichaam zijn eigen luister, aan de maan anders dan aan de sterren (vers. 39-41). Zo gaf Hij ook aan de mens zijn eigen hoedanigheid en iets van die eigenheid zal er ook weer zijn op de nieuwe aarde. Professor Van Ruler, één van onze hoogleraren in Utrecht, wist de dingen soms zo treffend uit te drukken. Nadat hij pas een hartoperatie had ondergaan, gaf hij een college over de opstanding der doden.
Dat zal geweldig zijn, zei hij, want dan zal Arnold van Ruler mogen opstaan. Geen ander dan jullie hier voor je ziet. Alleen zal die lastige hartklep het weer prima doen. Zo zal het zijn: alle dingen nieuw, de hemel en de aarde. Maar tegelijk is er samenhang tussen ons leven hier en daar. Zoveel continuïteit zal er zelfs zijn, dat al wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus, zijn waarde houdt en zal blijven bestaan. Dat lezen we duidelijk in het laatste Bijbelboek: 'Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen na' (Openbaring 14 : 13). Iets uit dit aardse bestaan gaat, zij het gelouterd en gereinigd, mee naar de overkant. Daarom kan ik hier en nu maar niet raak leven. Daarom mag ik met mijn lichaam niet doen, wat ik wil. Daarom hebben wij zuinig te zijn op de schepping, die ons is toevertrouwd om te bewaren en te bewaken. Luther zei het zo: Juist omdat wij een nieuw huis verwachten, zullen we alles doen om het oude huis bewoonbaar te houden voor elkaar.
Tweeërlei opstanding
Het woord verwachten viel. Ging er iets meetrillen van binnen? Resoneerde het? Uitzien naar de jongste dag kan alleen als Christus geen vreemde voor ons is. Wie leeft zonder God en zonder Christus, leeft ook zonder hoop. Voor wie Christus niet kent, betekent de opstanding der doden geen vertroosting maar verschrikking. Er is immers niet alleen een zalige opstanding, maar ook een rampzalige opstanding. De Bijbel spreekt ook van een opstanding tot eeuwig verderf (Johannes 5 : 29). Vreselijke eeuwigheid. De beslissing valt echter niet straks, maar reeds nu. Alles staat en valt met de vraag wie Christus voor ons is. Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, de toorn van God blijft op hem. Het gesprek met onze kinderen mag daar dan ook op uitlopen. Laten wij hen wijzen op Christus en op de noodzaak van het geloof in Hem. Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding is de enige troost in leven en sterven. Zijn eigendom te zijn, dat alleen geeft verwachting voor nu en straks. Dan weten we misschien niet precies hoe en wat het zal zijn. We weten wel dat. Dat de doden worden opgewekt en dat allen die de verschijning van Christus hebben liefgekregen altijd bij de Heere zullen zijn. Altijd en helemaal. Met ziel én lichaam. Met lichaam én ziel. Aan die zekerheid heb ik genoeg. Want met Christus te zijn, dat is zeer verre het beste.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's