De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

10 minuten leestijd

Dr. G. H. Cohen Stuart, theologisch adviseur van de Nederlandse Hervormde Kerk in Jeruzalem legt in zijn laatste rondzendbrief uit hoe in Israël het sabbatsjaar in elkaar steekt. Hier volgt een deel van zijn brief.

'We proberen iets te leren begrijpen van het boeiende, maar ook gecompliceerde en economisch zware sabbatsjaar. De rabbijnse traditie benadrukt dat het gaat om het braakliggen van het land. Dus spreekt men van shmittah. Het wordt genoemd in Ex. 23:10, 11. Uit het feit dat in vers 13 direct wordt aangesloten bij het shabbatsgebod blijkt, dat het om een vergelijkbare bepaling gaat. Elke week is er shabbat voor de mens, eens in de zeven jaar heeft het land een vergelijkbare rust. Die met name geldt voor het bouwland en de wijnstok en de olijfboom. In Lev. 25:1-7 wordt weer over dit bizondere jaar gesproken. Het is een shabbat voor de Heere.

Zoals altijd in het jodendom, wordt niet gauw afgedwaald naar de theologische of ethische grondslagen van het gebod. De nadruk ligt op de vraag, hoe doe je het. Wat is de bedoeling van de bepalingen? Tijdens de lessen die we erover volgden viel ons op, hoe zorgvuldig de deelnemers aan de cursus zich wilden voorbereiden. Voor de meesten was het net als voor ons een nieuwe materie. Zij hadden nog niet eerder een shmittah-jaar meegemaakt. Het gebod geldt alleen in het land Israël. Ook de rabbijn die de cursus gaf, zat nog vol vragen, want het is ook zijn eerste shabbatsjaar in Israël. Toen we aan de cursus begonnen, was de van het opperrabbinaat ook nog niet klaar. In de loop van september verscheen er ook een handleiding in het Engels. Vrijwel meteen kwam een van de deelneemsters met de vraag "tot wanneer mogen bollen worden geplant?". Voordat het shabbatsjaar begint, moet namelijk een zaad of plant uitgelopen zijn. De rabbijn zat met zijn handen in het haar. Hoewel hij weet dat we geen Joden zijn, zei hij "kunnen jullie nederlanders daar niet achter komen?'' Gelukkig kon de oud-opperrabbijn van Amsterdam, A. Schuster, me aan het goede antwoord helpen.

Zelf vroegen we ons af, hoe het zou aflopen met de jaarlijkse bloembollenaktie van het Israel Comité nederland. Uit protest tegen de overplaatsing van de Nederlandse Ambassade van Jeruzalem naar Tel Aviv in 1980 wordt Nederland ieder voorjaar in Jeruzalem vertegenwoordigd met een 100.000 bloeiende bollen. Jeruzalem is dan een klein keukenhofje. Tot onze vreugde lazen we in de Jerusalem Post, dat ook deze bollen op tijd voor het begin van het shabbatsjaar geplant konden zijn.

Evenals bij de voorbereiding van de shabbat wordt de mens ook door het shabbatsjaar gesteld voor de keuze of hij wil leven in afhankelijkheid, genade van God. Wie zonder de intentie van het een of het ander te onderzoeken zou gaan debatteren over wanneer wat wel of niet mag, zou de schouders kunnen ophalen en de manier waarop joden proberen Gods tijden in acht te nemen afdoen met wetticisme. Zodra je echter de eerbied erin begint te proeven, vraag je je naar je eigen omgaan met tijd en eeuwigheid. Is economische noodzaak terecht het laatste woord in veel van onze overwegingen? "Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?" Leidt de door het christendom hoog in het vaandel geschreven "vrijheid van de wet" niet nog vaker tot het eten van de verboden vrucht in het paradijs? Als je vrij bent van de wet, dan is ook dat immers geoorloofd?

De gesprekken die we bijwoonden over de praktijk van het shmittah-jaar bevestigden nogmaals de ervaring van de bewuste wil van orthodox levende joden om, de door God aan de tijd gestelde grenzen volledig ernstig te nemen, ook in situaties waarmee je dat niet alleen bij voerbaar economische winst zal opleveren. Dienst aan God betekent niet alleen een bijdrage in de kollekte, maar soms ook extra kosten bereid zijn te maken voor je dagelijks leven. Zou de apostel Paulus zoiets bedoeld kunnen hebben toen hij ons opriep God met ons lichaam te verheerlijken, waardoor ons leven tot een tempeldienst zou worden? Het begin van het shmittah-jaar heeft niet de wereldpers gehaald. Het is geen nieuws blijkbaar, zoals beroving, terreur, moord, fraude of vernietiging van de schepping. Waarom eigenlijk? Omdat de media geen belangstelling hebben voor wat echt nieuw zou kunnen zijn en zou kunnen helpen om tot echte vernieuwing van de wereld te komen.'

***

De Hervormde Commissie voor het beroepingswerk heeft een verslag van werkzaamheden over 1984 en 1985 opgesteld. Daarin komt een paragraaf voor over 'toekomstige behoefte aan predikanten'. Gegeven het 'candidatenoverschot' een actueel punt. Daarom laten we het hier geheel volgen.

'In onze vorige prognose hadden wij de behoefte aan hervormde predikanten voor de jaren 1982 en. 1983 geschat op 75, voor de jaren 1984 en 1985 op 80. Onderstaand overzicht laat zien hoeveel candidaten (en predikanten volgens overgangsbepaling 277e) in deze jaren bevestigd zijn voor gewone dan wel voor buitengewone of bijzondere werkzaamheden. Het aantal bevestigde vrouwelijke candidaten wordt afzonderlijk vermeld.

Het blijkt dat onze prognose over de jaren 1982 en 1983 vrijwel geheel met de werkelijkheid overeen kwam, maar dat in de twee volgende jaren 18 candidaten meer het ambt konden aanvaarden dan wij hadden verwacht. Dit is enerzijds te verklaren door het "VUT-effect" — daarmee hadden wij onvoldoende gerekend — anderzijds doordat het totaal van de beschikbare plaatsen minder snel afnam dan wij hadden voorzien. De snellere bezetting van de vacatures zal ook een rol hebben gespeeld.

b Volgens door de Raad voorde Predikantstraktemen­ verstrekte gegevens, nam het totaal van het aantal predikantsplaatsen af van 1754 in 1984 tot 1747 in 1985 en tot 1743 in 1986, telkens per 1 januari. De cijfers betreffen het totale bestand, predikanten met een bepaalde opdracht en die met een beperkte werktijd inbegrepen. Het bestand liep dus in deze beide jaren resp. met 7 en 4 terug. Wij hadden een afname van 20 per jaar verondersteld. De vacatures liepen terug van 318 op 1 januari 1984 tot 304 op 1 januari 1986. Dat de jaren 1984 en 1985 aan de candidaten iets meer mogelijkheden boden dan verwacht werd, is echter uitsluitend te danken aan de toename van het aantal plaatsen met een part-time bezetting (zie het overzicht in hoofdstuk 7). Zet deze ontwikkeling zich door, dan kan de afname van het aantal beschikbare plaatsen op 6 worden geschat. Wat de vacatures betreft, gaan wij uit van 304, het cijfer van 1 januari 1986. Hiervan zijn 109 onvervulbaar, omdat de betreffende gemeente een quasi pastoraal verband heeft aangegaan met een andere gemeente en 15 omdat in Samen-op-Weg-verband het dienstwerk door een predikant van de Gereformeerde Kerken wordt verricht. Er blijven dus 304 - 124 = 180 vacatures over Stellen wij dat in verband met de mutaties 100 vacatures normaal zijn, dan resteren nog 80 vacatures in gemeenten waar het beroepingswerk om welke reden dan ook minder vlot gaat dan gewenst wordt. Hieruit resulteren in een periode van 4 jaar 20 vervulbare plaatsen per jaar Ten aanzien van de overige komende vacatures baseren wij ons , op de te verwachten emeritaten wegens volbrachte diensttijd en vervroegde uittreding. Om daarop zicht te krijgen, stelden wij een overzicht samen van predikanten, geboren in de jaren 1923 t/m 1926.

[Staatje: Zie origineel]

Op grond van deze gegevens zijn gemiddeld 55 emeriteringen per jaar te verwachten. Stellen wij daar­naast het "VUT-effect" voor deze eerste jaren na de invoering van deze nieuwe mogelijkheid nog op 6, dan kan de toekomstige behoefte aan hervormde predikanten over de jaren 1986 t/m 1989 als volgt worden geschat:

[Staatje: Zie origineel]

Wij geven deze cijfers onder voorbehoud, omdat zich onverwachte ontwikkelingen kunnen voordoen. Vermoedelijk zullen in de eerste jaren van deze periode meer predikanten nodig zijn dan dit gemiddelde aangeeft, in de laatste jaren minder. Men houde in het oog, dat in het totaal ook de part-time predikanten begrepen zijn.

Werkgelegenheid voor candidaten

In hoofdstuk 6 hebben wij voor de komende periode de behoefte aan hervormde predikanten geschat op 75 per jaar. Het laat zich aanzien, dat de trend die wij reeds vroeger hebben aangegeven — meer aanbod van candidaten dan vraag — zich doorzet. Een eerste aanwijzing vormt het aantal seminaristen, dat in 1985 sterk toenam. Men vergelijke de volgende cijfers:

aantal seminaristen 1982:60 1983:75 1984:68 1985:106

Verreweg de meeste semiriaristen stellen zich direct na het colloquium of later beroepbaar. Daarnaast moet gewezen worden op de candidaten, die wegens leeftijd en/of ervaring vrijstelling van het seminarie hebben verkregen. In Utrecht groeit en bloeit de zaterdagopleiding, waardoor bijna evenveel studenten staan ingeschreven als voor de dagopleiding aldaar. Weliswaar begeren lang niet alle extraneï predikant te worden, toch zijn ook onder hen late roepingen te vinden. Voeg daarbij degenen, die langs de weg van overgangsbepaling 277r tot de Evangeliebediening worden toegelaten of degenen die volgens ovb 277s predikant worden en op den duur in een andere gemeente mogen worden beroepen, dan zal het duidelijk zijn, dat voorlopig nog een zeker overschot aan beroepbare candidaten verwacht kan worden. In het laatste jaar waren er 60 of meer candidaten in afwachting van een beroep. Wel moet worden opgemerkt, dat de invoering van de z.g. tweefasen-structuur leidt tot verlenging van de theologische studie, zodat bij de doorwerking daarvan tijdelijk een verminderd aanbod van candidaten kan worden verwacht. Op langere termijn zullen wij de ontwikkelingen moeten afwachten. Wellicht zal zich als in het verleden weer een golfbeweging tussen vraag en aanbod voordoen. Op korte termijn vraagt de situatie om maatregelen. De betrokken kerkelijke organen dienen o.i. alles in het werk te stellen om predikantsplaatsen te behouden dan wel nieuwe te stichten. In de grote of grotere steden ligt dit uitermate moeilijk. Adequate maatregelen, die aan de nood van met name de grote steden het hoofd konden bieden, bleven tot dusverre uit. Er zijn echter ook meelevende en offervaardige gemeenten in onze Kerk, waar het aantal predikantsplaatsen kan worden uitgebreid, mits men de gemeente weet te overtuigen van de noodzaak ervan.

Daarnaast zou gedacht kunnen worden aan verdere verlaging van de VUT-leeftijd. Sinds 1 juli 1984 bestaat de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden vervroegd met emeritaat te gaan. Aanvankelijk werd de leeftijd voor de vrijwillige vervroegde uittreding gesteld op 63 jaar, vanaf 1 april 1986 op 62 jaar. Het zal duidelijk zijn, dat deze bepaling een gunstige uitwerking heeft op de plaatsingsmogelijkheid voor candidaten. Om een voorbeeld te geven: stel dat de leeftijd gesteld zou zijn op 61 jaar en dat een 61-jarige predikant, die 40 dienstjaren had kunnen halen, met emeritaat gaat, dan levert hij 10% van zijn totale arbeidstijd in. Zouden 1000 predikanten op den duur dezelfde beslissing nemen, dan zou dit in 36 jaar 100 arbeidsplaatsen opleveren. Bij minder dienstjaren kan men een vergelijkbare rekensom maken. Het zal duidelijk zijn, dat de vervroegde uittreding het probleem wel verlicht, maar niet oplost.

In elk geval is het van belang, dat candidaten tot de Heilige Dienst meer ervaring opdoen in de gemeente. Gedacht kan worden aan het benoemen van vicarissen in kort of lang verband. Het zou niet meer moeten voorkomen, dat theologische studenten worden benoemd als pastoraal werker in een gemeente waarvoor een passende afgestudeerde theoloog beschikbaar is. Tenslotte kan gewezen worden op een voorstel van de studentenadviescommissie van de Commissie voor Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs om te komen tot een 'uitzendbureau' voor candidaten. Dit leidde tot een breder overleg, waarbij de Raad voor de Herderlijke Zorg, de Bond van Nederlandse Predikanten, T.W.O., onze commissie benevens enige studenten betrokken zijn. Gedacht wordt aan een tijdelijke voorziening, bijv. bij langdurige ziekte van de predikant of ontstentenis om een andere reden. Naar wij hopen zal dit initiatief in de loop van 1986 tot concrete resultaten leiden. Bij het probleem van de werkgelegenheid hebben wij zo uitvoerig stilgestaan, omdat wij een noodsituatie hebben gesignaleerd, die voorlopg eerder zal toenemen dan afnemen. Enige mogelijkheden hebben wij aangegeven. Wij hopen op een bredere bezinning door de generale synode en door alle daarvoor in aanmerking komende kerkelijke organen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's