Boekbespreking
Charles Baudelaire, Les fleurs du mal; een bloemlezing, ƒ 29, —, 102 p., uitg. Ambo, Baarn 1986.
Deze uitgave bevat een twintigtal gedichten, zowel in het Frans als in Nederlandse vertaling, uit de beroemde én beruchte dichtbundel Les fleurs du mal van Charles Baudelaire (1821-1867).
Waarom berucht? Reeds na de eerste editie in 1857 bepaalde de rechter dat er van de gedichten zes geschrapt moesten worden bij een volgende druk. De dichter heeft in de bundel uiting gegeven aan ontoereikendheid en onbehagen, dit alles samengebald in het begrip 'spleen' of 'ennui', vaak vertaald — maar te zwak — met 'verveling'; daartegenover plaatste hij het ideaal: ontsnapping uit die spleen, uit de ondraaglijke werkelijkheid, waarin onder meer verdovende middelen een plaats (kunnen) krijgen.
B. plaatst de christen-lezer voor grote problemen. Enerzijds getuigen zijn verzen van grote taalbeheersing, van een knap stilistisch en verstechnisch vermogen. Anderzijds zijn er in zijn verzen vele passages die lijnrecht indruisen tegen de grondbeginselen en waarden van het christendom. Dit laatste laat reeds de titel van de bundel zien — 'De bloemen van het kwaad' — die een omkering van alle waarden aangeeft, een keuze van de dichter voor het kwaad: het kwade wordt tot het goede, het lelijke tot het mooie. Satan tot God. Voor een christen een inacceptabele omkering.
Samenvattend: Les fleurs du mal — en dus ook de hier aangekondigde bloemlezing — confronteert de lezer met een begaafd dichterschap, een triest leven, een geschonden mens en een verwerpelijke levens- en wereldbeschouwing. De uitgave, die goed verzorgd is, bevat nauwgezette vertalingen van Petrus Hoosemans. Voorafgaat een informatieve inleiding en na de gedichten volgt voor elk ervan een helder commentaar.
J. d. G.
Dr. A. W. Tozer, Het kennen van de Allerhoogste (uit het engels vertaald), uitg. Pieters, Groede, 124 biz., ƒ 9, 40.
De titel van het boek zegt al veel over de inhoud. De schrijver Wil ons helpen i.p.v. 'mensgericht' (de kwaal van onze tijd) 'Godgericht' te gaan denken en de zegen en realiteit daarvan te ervaren. Hij zegt: er is hoegenaamd geen dwaling of fout in de christelijke leer die niet terug is te voeren tot onvolledige kennis van God. Het huidige godsbeeld is zo door verval aangetast, dat het ver beneden de waardigheid van de Allerhoogste is. Wat de christelijke kerk van vandaag het meest nodig heeft, is haar godsbegrip te reinigen en te veredelen. Dit moet in al haar gebeden en inspanning de eerste plaats innemen. We komen o.a. de hoofdstukken tegen: de eeuwigheid van God, Zijn onveranderlijkheid, alwetendheid, wijsheid, almacht, alomtegenwoordigheid, barmhartigheid, genade, liefde, heiligheid. Over de Drieëenheid zegt de schrijver: nadenken over de drie Personen van de Godheid is in gedachten door de hof van Eden lopen en heilige grond betreden. Over Gods almacht: er is vandaag de dag een mentaliteit die alles verwereldlijkt; waar de heilige schrijvers God zagen, zien wij natuurwetten, waardoor we steeds verder verwijderd raken van Gods aanwezigheid. Er staan nog meer mooie dingen in dit niet zo gemakkelijk leesbaar boekje.
H. Veldhuizen
J. A. Baaijens, Verleidende machten, uitg. De Banier, 224 bIz., ƒ 22, 50.
Dit boek wil vooral de jongeren van de gemeente aanspreken. Maar ook ouderen kunnen er hun winst mee doen. De schrijver noemt als ver leidende machten vooral de massa-media (t.v.), de popmuziek en de sport. Wie denkt, dat hij alleen maar negatief over deze zaken oordeelt, komt bedrogen uit. Wel laat de schrijver zien welk een enorme verleidingen van deze wereld uitgaan en wat een leeg leven het opgaan in deze wereld teweeg brengt. Van alle 10.000 Nederlanders boven de 15 jaar deden 74 een poging tot zelfmoord (1982). Het vandalisme kostte iedere Nederlander meer dan 40 gulden per jaar (1984). Het lijkt wel of de duivel het krachtgebied van het medium t.v. het beste kent en bij voorrang probeert dit gebied geheel in handen te krijgen (aanhaling van E.O.-directeur L. F. Dorenbos). Het gemiddelde amerikaanse gezin kijkt 49, 5 uur t.v. per week, dat is meer dan een gemiddelde (40-urige) werkweek. Over de popmuziek zegt de schrijver: zowel de inhoud van de songs als de soort van muziek hebben steeds meer profaner, progressiever en goddelozer vormen aangenomen. Hij toont dat ook door allerlei voorbeelden (Beatles, Rolling Stones) aan. Over de gospelmuziek merkt hij op: mag christelijke muziek wel op een populaire wijze gebracht worden? Zijn antwoord is: ieder geval moet apart bekeken worden; we moeten allereerst letten op de inhoud van de teksten, daarnaast op de muziekstijlen, waarvan er een aantal te verwerpen zijn vanwege hun ruig en werelds karakter. Ook over de sport heeft de schrijver een genuanceerd oordeel. Hij waarschuwt tegen uitwassen (die vele zijn), maar zegt ook: het sportief en ontspannend bezig zijn in groepsspel kan de nodige toerusting geven om daarna weer verfrist aan het werk te gaan. Een paar cijfers: Feijenoord trok gemiddeld per competitiewedstrijd 47.248 bezoekers, winst in 1969 was 1, 25 miljoen gulden. Het britse renpaard Bid werd verkocht voor 22 miljoen dollar. Schrijver staat negatief tegenover de Olympische Spelen. Misschien had hij hier ook wat genuanceerder kunnen spreken, wat eveneens geldt voor het vandalisme rond de sportwedstrijden (voetbal). Mag het vandalisme alleen de sport aangerekend worden? Schrijver trekt lijnen van de eerste christentijd naar onze tijd. Hij haalt verschillende uitspraken van Tertullianus aan, die in zijn tijd vele waarschuwingen deed horen. Ook toen was er zedeloosheid, brood en spelen. Terecht zegt de schrijver: een goede opvoeding, een fijn gezin, goede positieve vrienden, zijn uitstekende middelen om te bewaren tegen criminahteit en zondige zaken.
Een paar vragen: de schrijver geeft veel informatie zonder direkte bronvermelding; zou het boek niet veel sterker en waardevoller zijn geworden met goede bronvermeldingen (en dan de wérkelijke bron)? In de 2e plaats: er wordt steeds met de vinger naar 'de wereld' gewezen. Zijn er ook geen ontdekkende vragen te stellen naar onszelf en naar de kerk toe: heeft de kerk wel genoeg aandacht voor de jongeren in prediking en pastoraat? Spreken we onze jongeren op de juiste wijze aan? Gaat er zoveel van ons uit, dat we de jongeren 'jaloers' maken? Is er niet een vorm van wereldsgezindheid die ook zijn duizenden verslaat: nicotine, achterklap, dure kleding etc? De schrijver waarschuwt tegen massamedia en popmuziek, maar wat stellen we daar tegenover? Zou niet elke christen onverwijld lid van een christelijke omroep moeten worden, al was het alleen al om meer vuil op de beeldbuis tegen te gaan? Het boek is nu wel wat in het negatieve blijven steken. Ik zou best een tweede deel willen zien waarin de schrijver ingaat op wat een goed gezin is, wat goede muziek, wat onze taak is t.a.v. de media, hoe we jongeren, die ontspoord zijn, kunnen bereiken, enz. Maar nu vraag ik misschien teveel. Wie is de schrijver trouwens? Het boek had best een voorwoord mogen hebben, waarin we van de schrijver een verantwoording voor zijn schrijven konden vinden. Het boek heeft vele foto's en illustraties. En dat voor een betrekkelijk (zeer!) lage prijs.
H. Veldhuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's