De scheppingsorde en de Schrift
Man en vrouw in bijbels perspectief (5)
Bij onze beschouwingen over de reacties in de kerkelijke pers op het boek 'Man en vrouw in bijbels perspectief' is één reactie tot nu toe onbesproken gebleven. Ik doel op de reactie van ds. P. de Vries (Zwartebroek). In een vroeg stadium reeds heeft hij in een uitvoerig schrijven aan het hoofdbestuur zijn bezwaren tegen genoemd boek kenbaar gemaakt. Vervolgens uitte hij die bezwaren ook onder zijn gemeentenieuws in de Veluwse kerkbode. Én tenslotte verwoordde hij alles — te zamen met vele andere bezwaren tegen de koers van de Gereformeerde Bond — nog eens in een boek. Intussen zijn er twee gesprekken geweest, waarin ds. De Vries op het uitdrukkelijke verzoek van de Gereformeerde Bond, zijn bezwaren nog eens mondeling kon toelichten en waarin hij met enkele hoofdbestuursleden van gedachten kon wisselen. Gesprekken die naar het inzicht van ondergetekende naar beide zijden verhelderend hebben gewerkt.
Antwoord aan ds. P. de Vries
Een aantal dingen die ds. De Vries in zijn publikaties aanroerde, vraagt inmiddels wel om een antwoord. En ik denk, dat ds. De Vries ook graag wil, dat dat publiek gebeurt, gelet op het feit, dat hij zijn bezwaren én vóór en na het voeren van de twee gesprekken meende te moeten publiceren. Hij en anderen die kennisgenomen hebben van wat ik schreef, hebben recht op dat antwoord. Een paar dingen echter wil ik eerst opmerken. In de eerste plaats, dat ik in deze persbeschouwing slechts wil intreden in de dingen die het boek 'Man en vrouw...' raken. Andere, in het boek van ds. De Vries geopperde bezwaren tegen de koers van de Gereformeerde Bond, kwamen eerder bij de bespreking van het boek van zijn hand in ons orgaan (door ds. J. Maasland) ter sprake. Een tweede ding is, dat ik wil proberen me te ontdoen van een polariserende gezindheid. Deze wordt gemakkelijk opgeroepen door de wijze waarop ds. De Vries werkt en waarop hij zich uitdrukt. Ik wil proberen een rustige toon te vinden, waarin van open luisteren en eerlijk antwoorden sprake kan zijn. Overigens zal mijn antwoord steeds in punten zijn samengevat.
Wat zijn scheppingsordeningen?
Om binnen het bestek van een mij toegemeten ruimte in de Waarheidsvriend te blijven, zal ik mij moeten beperken tot hoofdzaken. Welnu, het eerste punt dat echt wel tot de hoofdzaken gerekend kan worden, is het bezwaar van ds. De Vries dat in het boek 'Man en vrouw...' niet de scheppingsordening als beslissend uitgangspunt is genomen. Als dat gebeurd was, zou er ten aanzien van de vrouw een veel sterker accent op het moederschap zijn komen te vallen (1 Tim. 2 : 15). Nu dat niet geschied is, krijgt de vrouw (o.a. ook in de gemeente) taken toegedacht, die zij naar het inzicht van ds. De Vries volgens de orde waarin de Schepper haar stelde, niet kan en mag vervullen. Mijn antwoord valt uiteen in enkele opmerkingen en vragen.
a. Ds. De Vries en ik zullen het er wel over eens zijn, dat wij op moeten passen om scheppingsordeningen te willen aflezen uit de natuur en/of de geschiedenis. Als we dat doen, maken we historische ontwikkelingen en gegroeide rolpatronen van man en vrouw in ons onderhavige geval vrij spoedig tot iets canonieks. We zitten dan evenwel één twee drie in een stuk natuurlijke theologie met alle kwalijke gevolgen van dien. Dus moeten wij scheppingsordeningen aflezen uit het Woord van God, de Bijbel.
b. In het boek 'Man en vrouw...' gebeurt ' dat. Er wordt mee begonnen (zie hoofdstuk II). En het speelt door heel het boek heen een beslissende rol. Vooral als bij de uitleg van teksten in Paulus' brieven over de man-vrouw verhouding gewezen wordt op het feit, dat de apostel nooit buiten de orde van Gods schepping gaat. De gedachte, dat in het boek 'Man en vrouw...' niet door alles heen blijvend gerekend is met de orde die God in de schepping van man en vrouw creëerde, is dus een vergissing van ds. De Vries.
c. Blijkbaar richten zijn bezwaren zich derhalve tegen iets anders. En dat moet zijn de interpretatie (uitleg) van wat we in Gen. 1-2 lezen over de schepping van de mens naar het beeld van God. In de studie 'Man en vrouw...' is uitvoerig betuigd, op welke exegetische gronden dat geschapen zijn naar het beeld van God van man en vrouw een eenheid in verscheidenheid moet heten. Ik sta voor deze uitleg en voor deze korte omschrijving. Ds. De Vries heeft zijn visie op het beeld Gods niet kenbaar gemaakt. Maar het zou wel eens kunnen zijn, dat hij de wijze waarop de vrouw via de man participeert in het beeld Gods (dus op een haar eigen manier en plaats) geheel anders invult dan wij dat doen in het boek. De vraag is echter, op welke basis die invulling geschiedt. En daar hebben we dan gelukkig de hele Bijbel voor en niet slechts enkele teksten die ons aanspreken.
d. Wat betreft het moederschap van de vrouw waarop in de studie weinig of geen nadruk zou vallen: ik verwijs naar blz. 42: 'Het is haar specifieke en unieke geschapenheid als vrouw die ook een specifiek en uniek functioneren als zodanig met zich meebrengt'. Verder blz. 90: 'Ook staat het huwelijk van man en vrouw in de Bijbel model voor de eigen plaats van man en vrouw in kerk en samenleving, een gedachte die vanuit het geheel van de Schrift kan worden onderbouwd, Schrift met Schrift vergelijkende... De fundamentele gegevens worden dan ook ontleend aan de scheppings- en de huwelijksorde'. Citaten die — dunkt mij — voor zich spreken. Ds. De Vries had dat sterker benadrukt willen zien. Maar waarom zegt hij dan niet ook, dat als het gaat over de man — het vaderschap van de man wel sterker benadrukt had mogen worden? M.a.w. het moeder-zijn van de vrouw is een unieke wijze waarop zij beeld Gods mag zijn. Maar we zullen toch niet kunnen zeggen, dat het beeld Gods-zijn daarin opgaat? Je komt dan immers wel erg moeilijk te zitten met de ongehuwde en met de kinderloze vrouw.
De eenheid van de Schrift
Een tweede punt dat ik wil aanroeren is dat van de omgang met de Schrift. Het is het punt waarmee het boek 'Man en vrouw...' begint. Omdat wie hier geen duidelijkheid heeft, spoedig vervalt tot een volstrekt willekeurig Schriftgebruik. Ik stip van dit tamelijk brede en ingrijpende onderwerp slechts twee punten aan, nl. dat van de eenheid van de Schrift en dat van het historisch karakter van de Schrift. Ds. De Vries maakt de schrijvers van het boek 'Man en vrouw...' telkens het verwijt, dat zij teksten overaccentueren en weer andere teksten onderwaarderen. Gal. 3 is overgeaccentueerd. 1 Tim. 2 ondergewaardeerd. Ik zou daar het volgende over willen opmerken.
a. Ieder mens mag bevreesd zijn voor selectief bijbelgebruik. Wij halen vaak uit wat wij lezen en zelfs ook uit wat wij in de Bijbel lezen datgene naar voren wat ons aanstaat oftewel aanspreekt. We hebben daarom wel gedurig het gebed om Gods Geest nodig. De Geest Die wederbaart en brengt tot de bereidheid om onszelf, ook in ons vermeende verstaan van de waarheid, aan het gezaghebbend Woord van de levende God te onderwerpen. En dat laatste is altijd een pijnlijk gebeuren.
b. In de gesprekken die de Beraadsgroep heeft gevoerd vóór de verschijning van het boek 'Man en vrouw...' hebben wij elkaar voortdurend eraan herinnerd, dat heel de Schrift en dat heel de Schrift in haar doorlopend getuigenis aan de orde moest komen. Dat hebben wij dan ook zoveel in ons was gedaan. We hebben de Mozaïsche wetten (waarvan ds. De Vries maar even tussen de bedrijven door zegt, dat zij voor ons niet meer gelden) als intrinsieke delen van de Schrift laten staan en besproken. We hebben vele tekstgegevens waarin vrouwen ter sprake komen in het Nieuwe Testament gepoogd te wegen en naar de bedoeling des Geestes te verstaan. Ds. De Vries rept over deze tekstgegevens met geen woord. Gal. 3 : 27 v., zijnde een woord dat zichzelf aandient als een kernwoord, hebben wij uitvoerig besproken. Maar evenzeer 1 Tim. 2 en 1 Kor. 14 : 34. En dat alles in de contexten waarin het staat en in de context van heel het Schriftgetuigenis. Dat alles is immers de gulden regel van een gereformeerde hermeneutiek (manier van omgaan met de Bijbel). Het spijt mij, dat ik genoodzaakt ben het boek 'Man en vrouw...' op dit punt te moeten verdedigen. Ik meen, dat iedere lezer die weet, dat er in de Bijbel meer dan twee teksten staan over wat een vrouw mag en moet in het midden der gemeente op dit punt een kritiek als die van ds. De Vries, op ons boek niet dient te hebben.
Het historisch karakter van de Godsopenbaring
Het andere punt — dat van het historisch karakter van Gods openbaring — is een uitermate moeilijk punt. Het gaat hier o.a. over de vraag, of en hoe de Heere zich in zijn openbaring gericht heeft op historische (culturele) situaties. Als wij in ons boek daarvan zijn uitgegaan, zijn wij — dunkt mij — gebleven in de lijn van wat Calvijn noemde de 'accomodatie'. Het punt waarover ds. De Vries vooral valt in dit opzicht, is een zinsnede op blz. 24 van het boek, waarin gezegd wordt, dat Paulus vooral de in zijn dagen geldende vormen opneemt (waarin het spreken en zwijgen van de vrouwen, haar uitdrukkelijke opdracht van het moederschap en ook de manier van haardracht en hoofdbedekking hun plaats hebben). Het is niet moeilijk om deze zinsnede mis te verstaan. Men maakt er dan van, dat Paulus dus een aantal tijdgebonden uitspraken doet, als hij het over deze dingen heeft. Men leze echter de blz. 111 v.v. om aan de weet te komen, dat deze zinsnede (van blz. 24) zo niet dient te worden verstaan. Gezegd is hier, dat de uitspraken van Paulus concretiseringen zijn van het gebod Gods binnen het raam van toen geldende vormen (is niet gelijk: normen). Dat valt moeilijk te ontkennen, gelet op het feit, dat het karakter van Gods openbaring altijd een historisch karakter is geweest. Hoe wij de concretiseringen van het gebod Gods door Paulus dan weer naar onze tijd overbrengen kan ds. De Vries b.v. vinden in excurs IV van hoofdstuk IV (over 'een macht op het hoofd').
In volgende artikelen wil ik nog enkele punten ter sprake brengen. Ik besluit dit artikel met een conclusie die reeds nu getrokken kan worden. Als ds. De Vries de moeite had genomen om de beginselen van de gereformeerde hermeneutiek en de exegeses op basis daarvan (die de onderlaag van het boek 'Man en vrouw...' vormen) werkelijk op hun merites te beoordelen, dan zou hij minder snel tot bepaalde uitspraken zijn gekomen die naar mijn inzicht blijk geven van een ontoereikende doordenking van de dingen.
Het hoort in elk geval bij een gereformeerde instelling om alles in het werk te willen stellen om de Schriften in hun volle draagwijdte te verstaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's