De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Ter gelegenheid van het vijftigjarig huwelijksjubileum van H. K. H. prinses Juliana en Z. K. H. prins Bernhard verscheen een boek, getiteld '50-gouden huwelijksjaren ' met bijdragen van vijftig bekende Nederlanders (Uitgave la Riviére en Voorhoeve, Kampen). Onder het bonte gezelschap, dat dit boek mocht samenstellen, vinden we een stijlvolle en markante bijdrage van ds. H. G. Abma, v.h. fractieleider van de SGP in de Tweede Kamer, later in de Eerste Kamer. Hier volgt een deel van wat hij schreef.

'Strikt genomen beperk ik me niet tot hulde enkel ten gunste van Hare Koninklijke Hoogheid en Zijne Koninklijke Hoogheid. Het zal tevens interesseren waar het goud van dit huwelijksfeest werd gedolven. En hoe.

Van persoonlijke herinneringen gesproken is het niet aan mij daar veel belangwekkende van te maken. De mijne stammen uit een periode waarin gold dat dit soort contacten schuil moest gaan onder de bij voorkeur met haar Latijnse naam genoemde roos. Mijn voorganger overkwam dat hij niet had mogen prijs geven dat de Vorstin eigenhandig hem een kopje thee had ingeschonken. De grote openbaarheid inmiddels zal stellig van oordeel zijn dat onze Prinses — toen Hare Majesteit — mij heel voorkomend de vraag stelde hoe ik het allerliefst werd aangesproken. Als mijnheer? Of als dominee? Hiervoor was er wat mij betreft een heel smalle parallel met wat het Geuzenliedboek 1940-1945 zingt. Op 13 mei 1940 voor het eerst. "Neen, 't was geen vlucht, die mij deed gaan maar volgen, waar God riep." Trouwens communistische vrienden in het parlement wisten mij ermee te vinden. Dominee dus, dat kwam me het beste uit.

Hoe een paradoxale betiteling eigenlijk. Immers je bent het voor de Ene van die naam. Je bent het in volledige dienst aan alle anderen.

Bij een volgende gelegenheid werd doorgegaan op wat was overeengekomen. Het gesprek die keer was uitgeschreven tegen maandag. Zodoende was de vraag niet vreemd waar ik gepreekt had de vorige dag. Ik vond het best fijn dat daarvoor deze belangstelling bestond. Alleen hoe moest ik antwoorden? "Op Urk" ligt velen gemakkelijker op de tong dan — wat het intussen wel moest zijn — in Urk. Urk overigens vanouds een eiland van diep Oranje temidden van eens onze middelandse zee. Hadden ze daar mij al niet eens verteld van die stoere visser. Plots stond de Koningin voor hem, terwijl hij gebogen zat over zijn bezigheid. Wijlen Hare Majesteit Koningin Wilhelmina. Hij barstte uit in een psalmlied. Ik dacht wel uit de achtenzestigste: "Gij, Koninkrijken, zingt Gods lof"? Met het geweld van een stem geoefend om de golven te trotseren. Onze voorgeslachten, vele, hebben gedacht, gebeden, gesproken, ja geleefd in psalmen. Urk niet in de achterhoede.

Eigenlijk — als gezegd of liever bereids aangekondigd — wilde ik het gouden tijdvak lichtelijk te buiten gaan. Mag dit? Mij welkom genoeg, omdat de kansen iets toenemen dat het — woordvoerders zo hinderlijke — gras voor de neuzen van de schoenen wordt weggemaaid. Naar voren iets over de streep. Dan mag ik aan het eind aan de andere kant ook royaal de grens overschrijden. Niet alleen Urkers gingen vorstenhuis en vaderland uitnemend ter harte. Ik voeg toe: vaak heel zorgelijk aan het hart. Terwijl die dertiger jaren in materiële en immateriële zin al meer dan moeilijk waren. Vrees leefde dat de verbondenheid van Oranje en Nederland de langste tijd had geduurd. Met zoveel woorden kwam het naar voren. Angstig klein werd het doorluchte Huis. Vrij kort na elkaar twee sterfgevallen. Twee vrouwen slechts bleven ons over. Hoe broos ons bezit, zei men. Moeder en Dochter Ik herinner mij nog levendig een foto uit die dagen. Zo levendig, omdat die zo ontroerde. Een gezin kan niet kleiner zijn. Twee eenzamen Vrouwen. Zo hoog en zo eenzaam. Maar niet alleen. Dat zou weldra blijken. Meelevenden vroegen zich af of het Huis van Oranje tot niet was gekomen bijkans. Had dit met oordeel te maken? Gods bedoelingen en Zijn wijsheid zijn dikwijls moeilijk af te lezen uit de gang van zaken. Kon het zijn dat God een twist had met Nederland? Het is een woord van Oranje zelf. Ik herinner mij de vraag nog heel goed. En toen? Toen kwam de luid bejubelde Verloving.

Kwam het Huwelijk, dat nu straalt van het goud. Na verloop waren er Prinsessen in ons land. Toen de oorlog — die bange droom — voorbij was waren zij er allemaal. Een meervoud in lang niet gekend. Weer later, heel wat later, maar binnen het tijdsbestek van de vijftig jaren, vooral Prinsen. Koninklijk Huis is een staatsrechtelijke formule. Koninklijke Familie een veel spontaner begrip. Zoveel ruimer en door genegenheid bepaald.

Nu ik deze balans opmaak, denk ik terug aan de dagen van de bezorgde vraag of het Huis van Oranje zou blijven. Toen men dacht aan oordeel. Mag ik het vraagteken van toen vervangen door een dito van uitroep? Mag je wel het eerste vragen en niet het tegengestelde maar wel in dezelfde geest dankbaar uitspreken? Met andere woorden zullen wij terugdenken aan de eenzaamheid van die dertiger jaren als de visser van Urk uitbarsten in een psalmvers? Zo waar nog dezelfde psalm. "Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin". Een andere voegt toe: "een blijde moeder van kinderen". Zeker vergeet ik niet dat wij als het over huwelijk en huwelijkszegen gaat niet uitsluitend denken in termen van voorspoed. Echter nu komt het erop aan de weldaden niet te vergeten. "Die eenzamen zet in een huisgezin. " Dat hebben wij gezien en beleefd deze vijftig jaar. Natuurlijk ben ik een eigenwijze dominee en dat nog wel in een tijd dat de kerken leeglopen. Maar ik vind dat ik met mijn psalmregel het meest wezenlijke getroffen heb van wat dit gouden huwelijksfeest karakteriseert. (...)'

***

In 1923 hield dr. J. G.Woelderink een referaat op de diakonale conferentie te Lunteren onder de titel 'Het kerkelijk karakter der diaconieën vooral ten plattelande'. Uit deze brochure, waarin de tekst is opgenomen, het volgende:

'Op Diaconaal terrein is de liefde en ontferming om Christus' wil de levensstroom, die alles vruchtbaar maakt en doet groeien en bloeien. Zonder deze liefde kan de arbeid der Diaconie niet bestaan maar is noodzakelijk gedoemd om te verschrompelen en te verdrogen.

Toch dient zich evenzeer aan deze liefde levendig kerkelijk besef en gemeenschapsleven te paren. Immers de Diaconie is niet een orgaan der Christenheid als onbestemde grootheid, maar ze openbaart zich in de zichtbare kerk en bedoelt zich allereerst tot de leden dier zichtbare kerkelijke gemeenschap uit te strekken. Ik vrees zeer, dat we hier aan een punt raken, dat de hervorming van den Diaconalen arbeid ten zeerste belemmert. Er is in onze dagen, vooral in de groote Hervormde Kerk zoo weinig kerkelijk besef en het kerkelijk gemeenschapsleven verschrompelt meer en meer. De leden van een en dezelfde kerk staan vaak geheel vreemd tegenover elkander; niet omdat zij elkander niet kennen — dat is op zichzelf niet noodzakelijk — maar omdat ze zich niet één weten in geloof, vaak elkander bestrijden. Bovendien heeft elke gemeente, ook op het platteland, een aantal lidmaten, wier namen in het lidmatenboek staan, maar die zich aan de werkelijke kerkelijke gemeenschap geheel hebben onttrokken. Tot deze laatste groep behooren veelal zij, die het eerst de diaconale ondersteuning inroepen.

Dit is één van de oorzaken — we hebben reeds andere genoemd — waarom de band tusschen Diaconie en Gemeente zoo weinig levendig is; laat ik het anders uitdrukken: waarom de band tusschen de Gemeente en de armen der Gemeente zoo los, zoo weinig teer is. De Diaconie is in tal van gevallen voor het bewustzijn der Gemeente veel meer het orgaan, waardoor ze arme en hulpbehoevende medemenschen te hulp komt dan het orgaan, waardoor het gemeenschapsleven der geloovigen zich openbaart in onderlinge liefde en ontferming. Bij het ontbreken van dit laatste kan het niet anders of zelfs bij de beste organisatie vervalt de Diaconie tot de methode der burgerlijke armenzorg en wordt de geestelijke vrucht gemist, die toch met haar arbeid bedoeld wordt.

Het zal u duidelijk zijn wat wij bedoelen. De Diaconie kan niet los gemaakt worden van de Gemeente des Heeren. Wanneer nu de Gemeente des Heeren niet is wat ze behoort te zijn, wanneer het leven des geloofs en der liefde niet krachtig in haar klopt, wanneer de gemeenschap der heiligen een woord is geworden en weinig meer, kan ook de Diaconie niet zijn wat ze behoort te wezen. Als de boom kwijnt, kunnen de vruchten niet gaaf zijn.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's