De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Christelijk onderwijs vandaag

Christelijk onderwijs vandaag Onder de titel 'Wat moeten we met zo'n christelijke school?', gaat drs. G. P. Olbertijn uit Gouda in het Hervormd Weekblad 23 en 30 oktober in op de positie van het christelijk middelbaar onderwijs vandaag. Olbertijn begint met te herinneren aan discussies in de jaren '20 toen ook de doelstelling van het christelijk onderwijs bediscussieerd werd. Wij zijn niet de eersten, die met problemen worstelen, merkt hij nuchter op. Ik zou er aan toe willen voegen: daarom is de geschiedenis van het christelijk onderwijs ook naar deze zijde zinvol en leerzaam! Toch is er verandering. De christelijke school staat in een samenleving, die hoe langer hoe meer losraakt van geloof en kerk. Vele christelijke scholen kennen qua toelating een open beleid: ook ouders die soms zelf tot geen kerk behoren en te kennen geven de identiteit niet te delen, sturen hun kinderen in aantal gevallen naar een christelijke school, omdat ze om wat voor reden ook met de schooldoelstelling accoord gaan. Dat kan intern problemen geven, b.v. als leerlingen zelf de zin van de dagopening niet meer inzien. Dat roept soms de vraag op, of we niet beter doen de scholen meer 'gesloten' te houden. Olbertijn merkt op, dat in Het Reveil krachtig meesprak om met het christelijk onderwijs heel het volk te dienen. Ligt daar in onze tijd niet een geweldige uitdaging in om de identiteit van de school in het onderwijsgebeuren gestalte te geven, met name onderwijs te geven in een klimaat waarin het Evangelie van Jezus Christus onbelemmerd mag worden genoemd? In dit verband schrijft hij in het nummer van 30 oktober:

'Wat hebben we nodig in de school van vandaag? Telkens als ik probeer daarop een antwoord te vinden, kom ik tot het volgende:

1. In de eerste plaats docenten incl. schoolleiding die bereid zijn naar elkaar te luisteren, met elkaar te praten, elkaar te bemoedigen, als christenen. We hebben immers met dezelfde problemen te kampen, we behoren toch tot dezelfde werk- en leefgemeenschap. We zullen ons moeten oefenen met meer vrijmoedigheid te spreken over het geloof in Christus, naar Wie onze school is genoemd. We zullen alles moeten doen om elkaar vast te houden in geloof en vertrouwen. Als opvoeder aan een chr. school zullen we moeten weten van een persoonlijke geloofsrelatie. Ter bemoediging staat het bij ons op de muur te lezen net voordat je de docentenkamer binnengaat: "Heden moet Ik in uw huis vertoeven" (Lucas 19 : 5). Dan kun je als christendocent ook vandaag je werk doen. Maar als die overtuiging verloren gaat, betekent dat een persoonlijk verlies, een verzwakking van het hele docentencorps en daardoor een regelrechte verzwakking en uitholling van de chr. school. Natuurlijk hebben we te maken met een zekere pluriformiteit, iedere geloofsgemeenschap kent haar eigen sfeer en kleur. Het gaat er niet om dat we elkaar wegen en meten in godsdienstig opzicht. Het gaat erom dat we onszelf toetsen, ons buigen onder de autoriteit van het Woord van God, ons leven daarnaar willen inrichten en met elkaar een geloofsgemeenschap vormen. Dan ervaren leerlingen van allerlei achtergrond een éénheid in levensovertuiging, die al het andere beïnvloedt. Dan kan de chr. school blijven bestaan. En hiervoor dragen wij, samen met het bestuur, de verantwoordelijkheid.

2. Bereidheid om de inhoud van ons vak tekens weer te toetsen aan de schooldoelstelling. Dat is een zaak van aanhoudende zorg. Zoiets is niet voor tien jaar geregeld. Ieder voor zich, sectie voor sectie, het hele team zal dit, hoe moeilijk ook, op korte termijn aan de orde moeten stellen of weer moeten doen. Een voorstander van openbaar onderwijs schreef kortgeleden:

— "Als ouders denken dat het er niet toe doet of je je kinderen naar een openbare of bijzondere school doet, vergissen ze zich schromelijk". Waarin zag deze schrijver het verschil? Hij vervolgt dan: "Ik durf te beweren dat de keuze van onderwerpen en de benadering van de problemen op een bijzondere school wezenlijk anders zijn".

We mogen ons dat ook in 1986 voor gezegd houden!

3. Een bestuur voor wie de identiteitsvragen van het grootste belang zijn en dat daarvan blijk geeft in het stimuleren van activiteiten in de vorm van een identiteits-of schoolwerkplancommissie, in het beleggen van bezinnings(mid)dagen, in het spreken over allerlei facetten van het christelijke-school-zijn met docenten en andere medewerkers, met leerlingen, met ouders, op jaarvergaderingen en andere ontmoetingen.

4. Een visie op ons opvoeder-zijn. Docent-zijn is op alle uren van de dag opvoeder-zijn. Al lesgevende voeden wij op, hetzij in positieve, hetzij in negatieve zin. Al lesgevende zijn we bezig karakters te vormen of te misvormen.

"Het pedagogisch element doordringt en draagt het hele onderwijs, het geeft er pas de ware waarde aan. Hier klopt het hart van het christelijk onderwijs."

Dat geldt nog steeds, dat geldt opnieuw. Die pedagogiek heeft te maken met het Evangelie van Jezus Christus. Hij leert óns wat verzoening is en wat het betekent met elkaar opnieuw te kunnen beginnen.

5. Waardering voor wat we hebben. Als ik in een verslag lees: "Als we werkelijk gestalte willen geven aan het anders-zijn van chr. onderwijs, dan zullen we de traditionele gegevenheden zoals dagopeningen, vieringen, sfeer etc. moeten overstijgen", dan zeg ik: Pas op, dat we uit louter idealisme niet gaan minachten wat we hebben. Pas op dat we al "overstijgende" niet de grond onder de voeten kwijt raken en de "traditionele gegevenheden" uit het oog verliezen.

We mogen verder gaan, we móeten zelfs verder, ook in het leggen van verbanden tussen de vakken, opdat de scheiding van wat organisch bijéénbehoort doorbroken zal worden, opdat we met onze leerlingen de problemen van deze tijd, de problemen van het menselijk bestaan bij het licht van het Evangelie mogen bestuderen. Maar veracht de dag van de kleine dingen niet: ook die eenvoudige dagopening, waaraan zoveel worsteling voorafging, kan van levensbelang zijn, is van belang omdat we samen met leerlingen en collega's ons stellen onder het gezag van het Woord van God en dat is nog iets geweldigs in deze tijd.'

De schrijver weet van de moeilijkheden in de concrete praktijk. Maar zo vraagt hij: betekent dat, dat we dan maar moeten zeggen dat we er mee ophouden? Voor Olbertijn is dat geen vraag. Hij bepleit een voortdurende bezinning om in woord en lied de boodschap door te geven. Terecht merkt hij op, dat deze bezinning geen zaak is van onderwijsgevenden en bestuursleden of ouderraden alleen. Laten de kerken op dit punt ook hun roeping verstaan. Het is verdrietig te moeten constateren dat de kerk het soms laat afweten als het gaat om deze bezinning, soms omdat men bezig is met andere zaken, soms omdat het gemengde karakter van een school niet strookt met het beleid van een kerkeraad, soms omdat men zich niet openlijk wil uitspreken voor het christelijk onderwijs. Samenwerking tussen school en kerk is van beide kanten bezien een broodnodige zaak. Om de mogelijkheden en kansen die wij nog altijd hebben te grijpen!

***

Jongeren en kerk

Hoewel wel op enigszins ander vlak, we blijven toch in een verwant klimaat als we hier iets overnemen uit een gesprek van Herman van Wijngaarden met ds. C. G. Geluk, predikant-direkteur van de H.G.J.B., in Koers van 7 november. Ook ds. Geluk spreekt over het feit dat het geloof in God, alsmede de betrokkenheid op de christelijke gemeente tanen, en dat voorts het verdwijnen van de godsdienst het individualisme in de hand werkt : mensen worden op zichzelf gezet en alle kaarten worden gezet op de vrijheid van de enkele mens. Onder meer komt dan ter sprake de betekenis van de gemeenschap, de roeping van elk gemeentelid tegenover God en de naaste, maar ook de vraag naar de inhoud van de prediking. Wat geven we jongeren mee?

'U stelt ook het gereformeerde leer- en leefklimaat in het algemeen aan de orde. U stelt dat de bijbel in het leven van veel kerkleden nauwelijks een rol speelt en u ziet in de prediking eenzijdige accenten; de heiliging komt nauwelijks aan de orde. En u vraagt zich dan af of veel jongeren niet in hoge mate onthouden wordt wat ze nodig hebben en of we niet moeten spreken over "jongerenverlating door de kerk" in plaats van over "kerkverlating door jongeren".

Het is vanuit m'n eigen ervaring en omgang met jongeren dat ik zie dat veel jongeren emotioneel en geestelijk veel te kort komen. Mijns inziens heeft dat o.a. te maken met eenzijdige accenten in de prediking. Kijk, ik wil de vragen van de heiliging niet in mindering brengen op het belang van de vragen over de rechtvaardiging, dat wil ik benadrukken. Maar als het in de prediking alléén daarover gaat, dan wordt de gemeente ook niet verder geleid.

Het gaat om het punt van de geestelijke volwassenheid. In hoeverre speelt bij ons een rol dat het belangrijk is om als gelovige te groeien en te komen tot volwassenheid? Als je geestelijk niet volwassen bent, dan ben je kwetsbaar, dan ben je — om met Paulus te spreken — een kind dat met de melk gevoed wordt. Paulus legt in Efeze 4 het verband tussen "een kind zijn in het geloof" en het heen en weer bewogen worden door allerlei wind van leer. Dus als je geestelijk onvolwassen bent, wordt je gemakkelijk meegenomen door een dwaalleer, door mensen die zich gezaghebbend aan je opdringen. En ligt daarin niet ons zwak ten aanzien van de secularisatie? Dat de gemeente niet sterk genoeg is en niet weerbaar?

Als wij als ouders niet geestelijk volwassen zijn, hoe kunnen we dan onze jongeren leiden? Het heeft ook te maken met het gegeven dat wij vaak zo zwak zijn ten aanzien van het missionaire getuigenis.

Maar alleen het signaleren hiervan zal niet genoeg zijn. Hoe verander je dan zoiets dat toch in een hele lange traditie gevormd is?

Het heeft weer alles te maken met hoe je met de Schrift bezig bent. Professor Graafland heeft, naast de vraag van het Sola Scriptura, ook de vraag van het Tota Scriptura aan de orde gesteld. Laten wij ook héél de Schrift spreken? Dat zou ik eigenlijk ook als vraag willen stellen. Er zijn verrassingen voor je op te doen in de omgang met de Schrift, er zijn dingen die nieuw voor je kunnen zijn.

Wat wij moeten leren — en dat ligt in de gereformeerde traditie vaak andersom — is dat wij vanuit de Schrift naar het belijden toe denken. Als we vanuit het belijden naar de Schrift toedenken, betekent dat dat wij eerst een bril opzetten en dan de Schrift gaan lezen. Maar de belijdenisgeschriften zijn opgesteld door mensen. We moeten er erg in hebben dat ze daardoor ook beperkt zijn, dat er principieel de mogelijkheid is dat we méér belijden. Als wij vanuit een stukje menselijke beperktheid naar de Schrift toe denken, lopen we de kans om niet open te staan voor verrassingen die er in de omgang met de Schrift zijn op te doen. We moeten andersom leren denken, met handhaving van het gereformeerd belijden, maar dan vanuit de volheid van de Schrift.'

Uit heel het gesprek blijkt dat ds. Geluk uitziet naar een gemeente die om het te zeggen met de woorden van prof. dr. M. J. G. v. d. Velden op het symposium over Samen op weg een gemeentschap is, een kerk die belijdt deel te hebben aan de gemeenschap die Christus uit genade schenkt, een tegencultuur van geloof, hoop en liefde in een cultuur die steeds harder en meer angstoproepend zal zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's