'Ik heb Jezus aangenomen' (3)
Met het oog op de Jongeren
Onze houding
Ik wil nu iets zeggen over onze houding inzake verschillen die er in dit verband zijn. Dat wil ik doen aan de hand van de volgende punten:
1. Gave des onderscheids
Dan wil ik beginnen met te zeggen: laten we erg voorzichtig omgaan met deze verschillen. Over het algemeen staan wij nogal gauw met een oordeel klaar. Maar als wij een oordeel hebben, hoe zijn we dan aan dat oordeel gekomen? Heeft er een weloverwogen oordeelsvorming plaats gevonden? Welke argumenten en feiten hebben hierin een rol gespeeld? Hebben wij voldoende informatie ingewonnen? Is ons oordeel onderbouwd en gefundeerd? Weten we wat we zeggen, als we iemand 'arminiaans' noemen? Of zéggen we zomaar wat? En gaan we alleen maar af op klanken en vage gevoelens?
Met andere woorden: zijn wij wel in staat om verschillen op een goede wijze te onderscheiden? Hebben wij de 'gave des onderscheids'?
Wie deze gave heeft, zal in de eerste plaats bescheiden en zeer op z'n hoede zijn voor de val van de eigengerechtigheid en zich realiseren, dat oordelen/kritiek leveren een hachelijke zaak is, en daarom eerst kritisch naar zichzelf toe zijn. Die zal er voor oppassen om een ander zomaar in een bepaalde hoek te zetten, maar eerst zorgvuldig onderzoeken of wat hij meent waar te nemen ook inderdaad waar is, om de zaak van Gods Koninkrijk geen schade aan te doen. Wie deze gave heeft, heeft een bepaalde mate van geestelijke volwassenheid bereikt (veel kritiek hangt samen met geestelijke onvolwassenheid). Die heeft zichzelf enigszins leren kennen in het aangezicht van Jezus Christus en zal niet zo makkelijk een meetlat meer hanteren om anderen geestelijk gezien de maat te nemen. Die zal naast een helder en evenwichtig oordeel ook mildheid tonen in het omgaan met hen die op bepaalde punten anders denken of zich anders uiten. Zo iemand zal in ieder geval ook weten te onderscheiden tussen taal en theologie.
Wat dit laatste betreft kan in een gesprek al gauw duidelijk worden of iemand die 'arminiaanse' woorden gebruikt ook inderdaad een arminiaan is. Wie de moeite neemt om in een gesprek ook deze dingen te onderzoeken (velen nemen helaas deze 'moeite' niet) om het goede niet weg te werpen maar te behouden, zal merken dat vele vermeende arminianen geen echte arminianen zijn, maar een bepaalde taal gebruiken die zij in hun omgeving horen en die zij zonder meer overnemen (doen wij dat ook niet?).
Zo ken ik — om een voorbeeld te geven — een jong echtpaar dat een totaal onverschillig leven leefde buiten de kerk — zoals velen overigens binnen de kerk — en dat in een door de pinksterman Ben Hoekendijk geor organiseerde tentsamenkomst terecht kwam en daarin geconfronteerd werd met het appèl om Jezus aan te nemen. En dat deden zij... althans... Zij hoorden de oproep om Jezus aan te nemen. Op het moment dat zij deze oproep hoorden, legde de Heilige Geest beslag op hen — zo hebben zij dat heel duidelijk ervaren. De Geest gebruikte daarvoor deze oproep. Zij zagen opeens, dat zij de Heere Jezus nodig hadden. En zij namen Hem aan — door de genade die zij ontvingen, door het geloof dat hun geschonken werd.
'Wij hebben Jezus aangenomen', zeiden ze met spontane vrijmoedigheid, toen ik hen ontmoette. Zij gebruikten de woorden waardoor — naar hun ervaring — het Woord des levens hun 'dode' leven werd binnengedragen. Zij namen, hetgeen te begrijpen is, die woorden over.
Er was geen misverstand over mogelijk: een radicale verandering had zich in hun leven voltrokken. In de ontmoetingen die hierop volgden, werd duidelijk dat zij deze verandering in de verste verte niet in verband brachten met de 'vrije wil', met een of andere inbreng van hun kant. Integendeel, zij wisten gewoon niet wat hen overkwam. Zij werden overweldigd. De Heilige Geest kwam onweerstaanbaar hun leven binnen. Door het onderwijs vanuit de Schrift ontdekten zij: dit is Goddelijke verkiezing, dit is Zijn verkiezing in Christus. Dit leerden zij ook belijden. Dit brengt mij bij de
2. Erkenning van het werk van de Heilige Geest
Als jongeren (of ouderen) zo door de Geest geraakt zijn en daar in hun prille geloof en in hun eerste spontaniteit blijk van geven in woorden die wij zo niet zouden gebruiken, dan moeten we daar doorheen kunnen kijken. Wij moeten er voor oppassen, dat wij de Heilige Geest het vrije gebruik van een enigszins andere taal niet ontzeggen. Want tasten wij daarmee Zijn soevereiniteit niet aan?
Als wij bij anderen andere accenten of verkeerde accenten constateren, dan mogen wij er ons nooit toe laten verleiden om alles — woorden, theologieën en mensen — op één hoop te gooien... om daar Geest-elijke conclusies aan te verbinden door te zeggen, dat het bij die anderen 'niks' kan zijn. Dan vergissen wij ons schromelijk. En dan bedroeven wij de Heilige Geest. Als wij tegenover Hem onze plaats niet weten en geen oog hebben voor Zijn werk in het leven van anderen, dan zou daarin weleens een geweldige belemmering kunnen liggen voor Zijn werk in ons eigen leven.
Bij alle verschillen die wij signaleren, moeten wij er erg in hebben, dat we het werk van de Geest niet ontkennen. De Geest wil dat wij Zijn werk erkennen, dat wij daar oog voor hebben. Daar verheugt Hij Zich over. Ontkenning van Zijn werk houdt in: Hem in Zijn werk tegenstaan. Maar in de erkenning van Zijn werk zoekt Hij Zich ook verder een weg. Dat doet Hij ook wel op een corrigerende wijze wanneer het inderdaad gaat om verkeerde accenten. Daarom is het gesprek met elkaar ook zo belangrijk. Het afstandelijk uitspreken van een oordeel sticht niet. Het elkaar aanspreken op het Woord en het elkaar bij de hand nemen (waar mogelijk) wél.
De Heilige Geest gebruikt vaak krom taalgebruik. Hij gebruikt ook arminiaans getint taalgebruik. Hij gebruikt zelfs arminiaanse prediking. We moeten dat — hoezeer wij deze theologie als zodanig ook afwijzen — kunnen zeggen. Juist ook vanuit de erkenning van Zijn soevereiniteit! Ter illustratie noem ik uit de Engelse kerkgeschiedenis de namen van John Wesley en George Whitefield. Beide mannen zijn op een machtige wijze door God gebruikt. Maar op het punt van de verkiezing stonden zij lijnrecht tegenover elkaar. Wesley beleed een arminiaan te zijn. Zij hebben er samen veel over gesproken, zij hebben er over geschreven en gepreekt. Maar op dit punt zijn ze nooit naar elkaar, toegegroeid. Toch heeft de Heere ook door de prediking van Wesley zeer velen de reddende hand gereikt en gezegend in hun leven. Hij is zelfs Whitefield tot zegen geweest. Dat weten we uit een brief van Whitefield zelf: 'Ik heb u lief en ik eer u om Christus' wil. Als ik voor Gods rechterstoel verschijn, dan zal ik u voor mensen en engelen bedanken voor wat u, door Gods genade, gedaan hebt voor mijn ziel'. Whitefield heeft Wesley altijd als zijn broeder in het geloof gezien. Hij was er vast van overtuigd, dat hij Wesley in de hemel zou ontmoeten. Daarover was bij hem geen zweem van twijfel.
Wat een christelijke geest, wat een liefdevolle houding, ondanks het constateren van zo'n belangrijk verschil in het verstaan van, de Schrift! Natuurlijk, er zijn grenzen aan de herkenning en aan de overeenstemming ten aanzien van het belijden. Maar als wij anderen een appèl horen formuleren of een getuigenis horen uitspreken waarachter wij een arminiaanse visie vermoeden (een vermoeden dat wellicht geheel onterecht is!) — laten we dan niet direct met een oordeel klaar staan. Al was het alleen maar uit vrees de grote vergissing te begaan om mensen af te schrijven, die in het boek des levens zijn geschreven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's