De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samen op weg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samen op weg

17 minuten leestijd

Blauwdruk voor de toekomstige kerk

Tijdens de voorlaatste gemeenschappelijke vergadering van de Hervormde en de Gereformeerde Synode, welke op 5 en 6 november 1984 plaatsvond, is uitvoerig aandacht besteed aan de vraag hoe de kerk eruit zou moeten zien na de eventuele hereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken (hierna N.H.K. resp. G.K.). Er werd toen een nota behandeld, genaamd 'Voorlopige schets voor de toekomstige vormgeving van de herenigde kerk'. Nadat de nodige kritische opmerkingen waren gemaakt over deze 'Voorlopige schets' werd de opdracht gegeven om de bezinning met betrekking tot de toekomstige vormgeving van hereniging voort te zetten. Om dit te verwezenlijken heeft de Raad van Deputaten 'Samen-op-Weg' (het uitvoerend orgaan van de gezamenlijke synoden) een werkgroep ingesteld. Voorzitter van deze werkgroep was prof. G. D. J. Dingemans, terwijl ik er zelf ook deel van uitmaakte. De werkgroep heeft de voorlopige schets flink onder handen genomen, hetgeen uiteindelijk geresulteerd heeft in een nieuwe voorlopige schets, die naar het jaar van uitbrengen 'Schets 1986 voor de toekomstige vormgeving van de herenigde kerk' heet. Uit de toevoeging van het jaartal blijkt dat hiermee geen eindpunt is bereikt, maar slechts een tussenstadium in een voortgaande diskussie. Het kan best zijn dat nu gekozen uitgangspunten in de toekomst heel anders komen te liggen. Gaarna ga ik in op de uitnodiging van de redaktie om een korte samenvatting van dit voorlopige kerkmodel te geven. Het is nl. de bedoeling dat in de komende tijd hierover binnen kerkeraden en gemeenten en andere kerkelijke organen gediskussieerd wordt en dat op- en aanmerkingen worden ingebracht.

In een volgend artikel wil ik ingaan op hetgeen over de 'Schets 1986' is opgemerkt tijdens de behandeling op de gekombjneerde vergadering van 14 en 15 november jl., waaraan toegevoegd een eerste aanzet voor de diskussie in de vorm van enig kommentaar mijnerzijds. Natuurlijk bevat onderstaande samenvatting maar een heel klein gedeelte van de totale nota. Het verdient zeker aanbeveling deze te zijner tijd geheel door te nemen, indien deze in eigen kring besproken gaat worden.

De 'Schets 1986' bestaat uit drie onderdelen, nl. een 'Ten geleide', de 'Eigenlijke schets 1986' en een onderdeel met het veelzeggende opschrift 'Hoe nu verder'. Uiteraard is de schets opgesteld ervan uitgaande dat de gekombineerde synoden zullen besluiten verder met elkaar samen op weg te gaan en uiteindelijk te streven naar één verenigde kerk. De vraag of deze hereniging al dan niet wenselijk is, viel dan ook buiten het kader van de opdracht die aan de werkgroep is gegeven.

1. Inleiding

In de inleiding van de nota wordt in de eerste plaats aandacht geschonken aan de ontvangen opdracht. Over de inhoud daarvan is vrij uitvoerig gediskussieerd binnen de werkgroep. Vastgesteld werd dat de opdracht niet alleen gericht was op het uitwerken van een model van de inrichting van de verenigde kerk, maar ook op het proces dat tot de hereniging moet leiden. Uitgangspunt was dat dit proces via verschillende federatieve tussenvormen zou kunnen gaan leiden tot hereniging.

Uitdrukkelijk wordt overwogen dat het gaat om een organisatorische vormgeving van de kerk na de hereniging. Het is niet de opzet van de schets om vernieuwingen in te voeren in de vorm van een andere kijk op de ambten en een andere plaats van de kerk. Als ideaalbeeld, 'Visioen', staat voor ogen de kerk als de gemeente die het Lichaam van Christus is verenigd 'door Zijn geest en woord in de eenheid van het ware geloof' (H.C. Zondag 21).

Dan wordt een paragraafje gewijd aan de moeilijkheden die zich binnen beide kerken voordoen terwijl ze samen op weg gaan en uiteindelijk wellicht zelfs zullen verenigen. Gekonstateerd wordt dat binnen de kerken diepgaande verschillen in geloofsopvatting, -beleving en -keuzen blijken te zijn. Gevreesd wordt dat deze verschillen in de loop van het proces alleen maar groter zullen worden. Daarnaast doet zich het feit voor dat de afstand tussen kerk en staat en kerk en samenleving steeds groter wordt. Dit heeft gevolgen voor de taak en plaats die de kerk voor zich ziet. Tenslotte moet er rekening mee worden gehouden dat met de toepassing van de beoogde struktuur pas een wezenlijk begin wordt gemaakt na 1990 en dat deze voor een belangrijk deel pas in de volgende eeuw aan de orde komt.

De 'Schets 1986' gaat uit van het bestaan en funktioneren van de drie ambten: diaken, ouderling en predikant. Daarbinnen zijn uiteraard verschillende funkties te onderkennen, welke vervuld kunnen worden in samenwerking met andere gemeenteleden (bijv. evangelisatie ouderling met evangelisatiecommissie).

Over een naam van de kerk na de hereniging wordt terughoudend gesproken. Er wordt zelfs geen antwoord gegeven op de vraag of in de naam 'kerk' dan wel 'kerken' dient te staan. Gelet op de inhoud van de nota ligt het eerste voor de hand.

2. 'Schets 1986'

De eigenlijke schets bevat een inleiding, een onderdeel over de kerkordelijke uitgangspunten en een hoofdstuk waarin enkele organisatorische hoofdlijnen worden weergegeven. In de inleiding wordt rekenschap gegeven van de Bijbelse opdracht tot eenheid (Johannes 17 : 23 en art. 28 N.G.B.). Wèl wordt gekonstateerd dat op tal van plaatsen van toenadering weinig of geen sprake is. Verder wordt nog enige aandacht geschonken aan de tegenwerping, dat het toch weinig zin heeft om tot kerkvereniging over te gaan, indien er binnen de kerken onvoldoende principiële overeenstemming bestaat. Deze komen er op neer dat het proces van hereniging uit zou kunnen lopen op een nieuwe reveil, waar gehoorzaam naar Christus' opdracht in gemeenschap en dienst gehandeld wordt in een gezamenlijk beleden geloof in de Christus der Schriften.

Kerkordelijke uitgangspunten

a. algemeen

Aandacht wordt geschonken aan de confessionele grondslag van een verenigde kerk. Deze ligt, aldus de opstellers van de schets, in de belijdenisgeschriften van beide kerken, d.w.z. zowel die van de oude kerk als die van de reformatie. De kerk weert alles wat dit belijden weerspreekt. De predikanten zullen in de nieuwe kerk dan ook moeten verklaren dat zij belofte en gehoorzaamheid aan de Schrift als enige norm voor leer en leven betuigen, alsmede belofte en trouw aan de Gemeenschap van de Kerk in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht. Een en ander is niet vrijblijvend, maar een 'stringente belofte zich in het spoor van het belijden van dit voorgeslacht te willen bewegen'. Het moet daarbij om een oprechte intentie gaan om in de beweging van deze tijd tezamen het hart van de prediking te bewaren. Daarbij gaat het er niet om de belijdenis van het voorgeslacht alleen maar woordelijk te herhalen (het ging in die tijd niet om een getuigenis naast de Schrift, maar om een getuigenis uit de Schrift waarvoor zij wilden staan), maar ook om het geloof te belijden in de aktuele situatie van vandaag, aldus de Schets. Een streven naar relativering van de belijdenisgeschriften wordt uitdrukkelijk verworpen.

Dan volgt een belangrijke paragraaf over de vraag hoe wij nog samen kerk kunnen zijn bij de huidige grote verschillen binnen de kerken. Dit zal spanningen geven, indien er niet op voorhand vanuit wordt gegaan allerlei richtingen en groepen af te schrijven of uit te zuiveren. Deze spanning bevindt zich in de eerste plaats binnen de gemeente en behoort daar ook niet uit de weg gegaan te worden. Zoveel en zo lang mogelijk zal er ter plaatse samen luisterend gezocht moeten worden naar wegen 'om samen de waarheid te doen'. De 'meerdere vergaderingen' van de kerk kunnen daarbij belangrijke diensten bewijzen. In het bijzonder indien de diskussie de spankracht van de gemeente te boven gaat. Daarbij is aan de classes een belangrijke taak toegekend. Uitgangspunt is dus geen geforceerde eenheid, maar het bewaren van eigen identiteit, integriteit en geestkracht van de wat genoemd wordt verschillende groeperingen in de kerk.

b. hoofdlijnen

De 'Schets 1986' gaat uit van het reeds bestaande presbyteriaal-synodaalstelsel van kerkregering. Presbyteriaal betekent dat er een kerkeraad (presbyterium) is als ambtelijke vergadering van predikanten, ouderlingen en diakenen om 'door dit middel de ware religie te onderhouden' (art. 30 N.G.B.). Tevens wordt nog verwezen naar art. 31 N.G.B, dat elke heerschappijvoering van de ene ambtsdrager over de andere strijdig is met het dienen van Christus als het enige hoofd der kerk. Synodaal wil zeggen dat in de kerk als het Lichaam van Christus naar schriftuurlijk beginsel de eenheid vooraf gaat aan de delen. Plaatselijke gemeenten leven niet los naast elkaar en door elkaar. Daarom komen deze kerken door afvaardiging in bredere vergaderingen van classis en synode bijeen voor gezamenlijk overleg en besluitvorming over zaken van algemeen belang.

Presbyteriaal-synodaal houdt in dat het gezag van classis en synoden principieel van onder naar boven wordt opgebouwd. Het hart van de kerk ligt in de plaatselijke samenkomst rondom woord en sacrament.

Hoewel deze principes zowel van toepassing zijn op de N.H.K. als de G.K. is de uitwerking toch verschillend geweest. In de N.H.K. ligt de nadruk meer op het synodale karakter (de eenheid van de landelijke kerk) en in de G.K. op het presbyteriale karakter (de autonomie van de plaatselijke gemeente).

Naast dit verschil is er een verschil in visie op de funktie van de kerk tegenover de maatschappij. Wat in de schets wordt verwoord met: — voor de N.H.K. het kenmerk — 'verantwoordelijkheid voor het volk in zijn geheel' en — voor de G.K. — 'delegatie van het algemeen belang naar Christelijke organisaties'. Ook wordt de typering volkskerk (N.H.K.) naast belijdeniskerk (G.K.) gebruikt: de N.H.K., waartoe het hele Nederlandse volk in principe behoort, naast de G.K., waartoe men krachtens eigen belijdenis behoort.

Uiteraard gaat de schets ervan uit dat over deze verschillen heen gezien zou moeten worden in een luisteren naar de Schrift. Wel wordt erkend dat er naast de bestaande verschillen binnen beide kerken, in de herenigde kerk wellicht nog meer verschillen bijkomen. Er moet dan geen watervrees bestaan dat de verschillende groeperingen van gelijkgezinden elkaar gaan opzoeken, bemoedigen en versterken, als partijzucht maar uit blijft.

Vervolgens wordt overwogen dat de bestaande kerkorde van de N.H.K. het beste op bovenstaande aansluit. Er is sprake van een uitgesproken presbyteriale-synodale structuur, teruggrijpende op de Dordtse kerkorde. In de op basis daarvan te treffen regelingen kan ook het gereformeerde kerkordemateriaal worden ingebracht.

c. uitwerking

Ook dit hoofdstuk wordt weer begonnen met het aanduiden van het probleem van de verscheidenheid en de spanning tussen eenheid en pluraliteit. Hoe en in hoeverre moet dit opge­vangen worden. De verscheidenheid blijft een spanning die echter niet ten koste van de eenheid opgelost mag worden. Niettemin kunnen we in de werkelijkheid niet om de verscheidenheid heen. In het model van een kerkordening dient daar dus rekening mee gehouden te worden.

Aangezien het uitgangspunt de eenheid is, wordt de nadruk glegd op de ene geografisch begrensde gemeente. Daarbinnen dienen de gemeenteleden in eenheid, liefde en vertrouwen met elkaar om te gaan. Toch kunnen zich er situaties voordoen waarin deze doelstellingen niet bereikbaar blijken. Voor deze situaties dienen er oplossingen gezocht te worden in de zin van een andere groepering van de gemeenten dan de geografische groepering.

De ruggegraat van het model van de nieuwe kerk wordt gevomd door de drie ambtelijke vergaderingen (wijkkerkeraad), classis, generale synode. Daarnaast bestaan als ambtelijke vergaderingen de algemene kerkeraad (centrale kerkeraad) en de provinciale synode.

De plaatselijke gemeente

Uitgangspunt is dus de plaatselijke gemeente zoals die vergaderd wordt rondom Woord en Sacrament onder de ambtelijke leiding van een kerkeraad. Pas als de drie ambten funktioneren, kan er een gemeente zijn. Tot de gemeente wordt ieder lid gerekend dat woont binnen haar geografisch ressort. Een gemeente is dan de bestaande wijkgemeente of gemeenten niet verdeeld in wijkgemeenten. In steden en grotere plaatsen vormen twee of meer gemeenten samen een kerkgemeente onder leiding van een algemene kerkeraad.

Hiervoor is gezegd dat er oplossingen moeten worden aangereikt voor gevallen waarin de eenheid binnen de geografisch begrensde gemeente niet bereikbaar blijkt. Dit is gevonden in het volgende. Elk gemeentelid moet zich kunnen aansluiten bij een andere gemeente binnen de eigen classis als er aannemelijke en zwaarwegende redenen voor zijn. Verder kan een wijkgemeente buiten een kerkgemeente blijven, als er daarvoor aannemelijke en zwaarwegende redenen zijn.

Elke gemeente kan een predikant beroepen met instemming van de classis. Als de gemeente deel uitmaakt van een kerkgemeente, moet het voorstel aan de classis vergezeld gaan van een advies van de algemene kerkeraad. De classis staat garant voor de nakoming van de financiële verplichtingen door de gemeente.

Als er een kerngemeente is, is deze rechtspersoon en anders de gemeente zelf. Voor de behartiging van de stoffelijke zaken is er een college van beheer. De leiding door de kerkeraad betreft alle aangelegenheden van de gemeente. Het beheer over geld en goederen wordt gedelegeerd aan het college van beheer. Ook voor andere taken en bevoegdheden kunnen commissies en/of werkgroepen worden ingesteld, die onder verantwoording aan de kerkeraad bezig zijn. Daarbij kunnen gewone leden van de gemeente betrokken worden.

De classis

ledere gemeente is ambtelijk vertegenwoordigd in de classicale vergadering. Elk der ambten heeft een gelijk aantal vertegenwoordigers. Gedacht wordt aan in totaal 72 classes met gemiddeld 16.500 lidmaten per classis. Volgens de schets zal de classis meer dan tot nu toe een kerkelijk/bestuurlijk centrum moeten zijn en daartoe de middelen moeten hebben. Als taken van de classes zijn te noemen: het opzicht over de ambtsdragers en visitatie van de gemeenten, het aan de orde stellen van gezamenlijke vraagstukken en het stimuleren van de toerusting, alsmede het ondersteunen van de gemeente door advies, bijstand en toezicht. Ook onderlinge verdeling van financiële lasten kan één van de taken zijn. Voorts vaardigt elke classis twee ambtsdragers af naar de generale synode. De classis is rechtspersoon en kan een bureau hebben.

De provinciale synode (P.S.)

In elke provincie is er een provinciale synode, waarnaar de classes ambtsdragers afvaardigen en die tenminste eenmaal per jaar vergadert. De provinciale synoden zijn in de eerste plaats het samenwerkingsverband van de classes ter ondersteuning van het kerkelijk leven door hulp en bijstand en eventueel door het uitvoeren van werk dat beter provinciaal dan classicaal kan worden verricht. De P.S. is wel een ambtelijke vergadering, maar geen afzonderlijke bestuurslaag tussen de classes en de generale synode. Wel wordt het opzicht over de predikanten in haar resoort aan de P.S. opgedragen, evenals de beslechting van bezwaren en geschillen door middel van een onafhankelijk provinciaal college voor bezwaren en geschillen waarop beroep mogelijk is tegen besluiten van kerkeraden en classes. Ook de P.S. kan een bureau hebben waaraan deskundigen kunnen zijn verbonden. Ook een deel van het toezicht kan aan de P.S. worden opgedragen.

De generale synode

Deze beperkt zich tot de grote beleidszaken van belijdenis, ethiek, kerkorde, dienstboek, het spreken van de kerk naar buiten e.d., een en ander in bepaalde gevallen na raadpleging van de classes. Onder verantwoording aan de synode fungeert een breed moderamen als besturend orgaan. Dit breed moderamen is tevens bevoegd gezag voor de organen van de synode en het personeel van de landelijke kerk. Het breed moderamen telt 30 à 40 leden en wordt samengesteld uit en door de generale synode. Voorts kiest de generale synode een moderamen van 5 leden, onder welke een vrijgestelde voorzitter. Elke classis vaardigt 2 ambtsdragers af voor in beginsel 4 jaar. Ook in de synode hebben evenveel predikanten als ouderlingen als diakenen zitting.

Voor bepaalde werkzaamheden kunnen door de generale synode organen worden ingesteld. Dit kunnen zijn raden voor coördinerende taken, commissies voor uitvoering van studieopdrachten of staftaken en deputaatschappen voor het behartigen van uitvoerende werkzaamheden. De raden en commissies kunnen niet naar buiten optreden, de deputaatschappen binnen hun mandaat wel. Deze laatsten kunnen ook de rechtspersoon, de landelijke kerk, vertegenwoordigen. De synode kan te allen tijde zaken die gedelegeerd zijn aan deputaatschappen of breed moderamen 'terughalen'.

Tot zover een samenvatting van de 'Schets van de toekomstige kerk ordening'.

3. Hoe nu verder

Samen-op-Weg vindt plaats in het kader van een groeiproces. Er wordt niet een besluit genomen om al wat nu gescheiden is in een klap samen te brengen. De plaatselijke kerken en gemeenten hebben de gelegenheid om in hun eigen tempo en op hun eigen wijze naar elkaar toe te groeien. Vooreerst zal dit gebeuren in de een of andere vorm van federatieve samenwerking. Overigens kan deze samenwerking heel ver gaan. Geen enkele gemeente wordt gedwongen om zichzelf op te heffen of een of andere vorm van samenwerking aan te gaan. Aan de andere kant worden gemeenten die al lang in een proces van hereniging zijn niet belemmerd naar hun streven naar verdere samenwerking. Voorop staat het feit dat niet ingegrepen wordt in de identiteit van de bestaande plaatselijke gemeenten.

Dit kan anders liggen ten aanzien van de landelijke provinciale en classicale kaders. Ook hier zal het in beginsel gaan om groeien naar en in samenwerking. Als er overeenstemming wordt bereikt om op weg te gaan naar een verenigde kerk, zullen de contouren daarvan zich op classicaal, provinciaal en landelijk niveau echter steeds meer moeten gaan aftekenen overeenkomstig de 'Schets 1986' en de al dan niet gewijzigde opvolgers daarvan. Zo zullen de classes van de N.H.K. en de G.K. zoveel mogelijk dezelfde grenzen moeten krijgen. Voorlopig zullen ze de mogelijkheid hebben om afzonderlijk te blijven funktioneren dan wel uit te groeien tot een gefedereerde classis. In een bepaald stadium zullen ze toch echter alle tenminste een federatie moeten aangaan. Van lieverlede zullen de nieuw ingerichte classes de taken en verantwoordelijkheden krijgen, zoals aangeduid in de 'Schets'.

Hetzelfde geldt voor de provinciale kerkvergaderingen (N.H.K.) en de partikuliere synoden (G.K.). Deze zullen van lieverlede samengevoegd worden tot gefedereerde provinciale synoden.

Voorlopig houden de N.H.K. en de G.K. ieder hun eigen generale synode. Zodra de classes en de provincies gefedereerd zijn en in beide kerken hetzelfde systeem van afvaardiging geldt en de beide synoden hetzelfde aantal leden hebben, wordt er alleen nog maar gezamenlijk vergaderd.

Voorts wordt er een kerkordelijke route aangeduid. Voorlopig blijft de hervormde resp. gereformeerde kerkorde van kracht, voor samenwerkende en gefedereerde gemeenten en classes aangevuld met de zgn. Tussenorde, die echter kerkrechtelijk een onderdeel is van de hervormde kerkorde enerzijds en de gereformeerde kerkorde anderzijds.

Op een gegeven moment zal het echter nodig blijken om regels voor samenwerking en federatie te creëren, die gericht zijn op de gewenste kerkordelijke regelingen in de herenigde kerk. Het kan zelfs gewenst zijn dat deze regels vooruitlopend daarop in meerdere of mindere mate zullen afwijken van de bestaande kerkorden. Deze regels worden samengevoegd in een werkorde, die de basis is voor de kerkorde van de herenigde kerk. De regels van de Tussenorde zullen daarin tenslotte geheel opgaan. Zo is er na verloop van jaren een vrij komplete werkorde, die geheel of gedeeltelijk reeds van kracht is voor bestaande samenwerkingen en die het materiaal vormt voor het laatste koncept voor de nieuwe kerkorde. Pas dan kan het definitieve besluit worden genomen de beide kerkgemeenschappen te herenigen. Vanaf die datum is er één herenigde kerk met één synode, verenigde provincies, classes en gemeente. Ook dan blijven er echter uitvoerige voorzieningen die het mogelijk maken gemeenten die deze hereniging niet wensen hun eigen identiteit te laten behouden. Er is dan wel één kerk en één kerkorde, waarbinnen echter plaatselijk de oude hervormde gemeente en gereformeerde kerk zelfstandig kunnen bestaan, indien zij dit wensen.

De nota eindigt dan met het aangeven van de wijze waarop de werkgroep denkt dat het rapport behandeld kan worden en het doen van voorstellen aan de gezamenlijke synoden. Wat dit laatste betreft worden er maatregelen aanbevolen om bestaande verschillen van lieverlede weg te werken (bijv. dat predikanten volledig beroepbaar zijn in beide kerken) en om een begin te maken met het opstellen van de genoemde werkorde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Samen op weg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's