Uit de pers
Het laatste der dagen
Als u dit nummer ontvangt, is er al weer een nieuw kerkelijk jaar begonnen en bevinden we ons weer in de adventstijd, op weg naar Kerstfeest. Het heeft me altijd zeer aangesproken hoe dr. J. Koopman in zijn beschouwing over de prediking in de adventstijd de eerste komst van Christus in het vlees en Zijn komst in heerlijkheid op de wolken des hemels op elkaar betrekt. De komst des Heeren in Bethlehem is geen eindpunt, maar een doorbraak. Vensters worden opengestoten naar de toekomst. Ik citeer uit het Handboek der Prediking (I, blz. 34): 'De belofte gaat voort met haar en daarom verwacht de kerk, 'als met opgestoken hoofde', haar toekomst, de wederkomst. Het ene perspectief is niet zonder het andere; vanwege haar oorsprong heeft de kerk haar toekomst en om de blik op haar toekomst te behouden, heeft zij dien op haar oorsprong nodig'. En Koopmans wijst er op hoe de kerk een adventsprediking nodig heeft die vanuit de verkondiging van het komen van God door Israël heen tot in Jezus Christus het perspectief op die tweede komst openhoudt en de gemeente oproept haar geloof in de toekomst des Heeren te bewaren. Daarom is het een goede zaak in de adventsprediking ook aandacht te schenken aan Schriftgedeelten die het uitzicht ontvouwen op de laatste dingen. Nu is de prediking over deze gedeelten stellig niet eenvoudig. We moeten ons ter dege rekenschap geven van wat we bedoelen met de uitdrukking 'de laatste dagen'. In het Hervormd Weekblad van 13 november schrijft prof. dr. A. v. d. Beek dat het Nieuwe Testament weet van het aangebroken zijn van de laatste dagen met de komst van Christus, m.n. Zijn opstanding uit de doden en de uitstorting van de Heilige Geest (vgl. Hand. 2 : 16-21, 32-33). De gemeente leeft sinds de Pinksterdag in de eindtijd. Nu is de laatste beslissende fase van de geschiedenis aangebroken. Wat betekent dat voor de gemeente nu. Ik citeer uit dit artikel:
'Als we de nieuwtestamentische gegevens over het laatste der dagen lezen, staat voorop dat de beslissende tijd van Gods ingrijpen aangebroken is. In die fase van de geschiedenis leven wij nu. In deze fase worden de tekenen waar.
Deze tekenen zijn er vanaf Zijn komst tot op heden. Er is de afval van het geloof. Er zijn oorlogen en geruchten van oorlogen en epidemieën. Het zijn de rampen die de aarde voortdurend treffen, niet specifiek in de twintigste eeuw. Voortdurend wordt de gemeente op haar weg door de geschiedenis herinnerd aan de tijd waarin zij leeft: het laatste der dagen. Veel tekenen der tijden waren er trouwens reeds voor de komst van Jezus. Maar nu brengen ze ons Zijn woorden in herinnering. De eigenlijke tekenen zijn Zijn Geest en Zijn opstanding. Het eigenlijke bewijs is Hijzelf.
Als we beseffen dat de hele geschiedenis van de kerk de tijd van het einde is, betekent dat voor ons verschillende dingen.
a. we moeten niet krampachtig gaan zoeken naar nieuwe verschijnselen of historische gebeurtenissen die ons kunnen verklaren in welk moment van de geschiedenis we zijn. Het is duidelijk in welke fase we verkeren.
b. we moeten ons leven richten naar de nieuwe tijd die is aangebroken. Het heeft weinig zin om al puzzelend te ontdekken dat de eindtijd in 1914 begon als we dat voor kennisgeving aannemen. Als we sinds de eerste eeuw van onze jaartelling in het laatste der dagen leven, worden we geroepen tot een nieuw leven. Oorlogen en geruchten van oorlogen, hongersnoden en ziekten roepen ons tot de navolging ven Christus. Een bericht van lijden en rampen moet ons niet aan het puzzelen zetten, maar tot dienen brengen, dienst aan de verlorenen.
c. de rampen en de aanvechting van de gemeente moeten ons niet verschrikken. Zij duiden er juist op dat het einde nabij is. Gods beslissende tijd is gekomen. Dat is de voortdurende troost die de nieuwtestamentische schrijvers aan de gemeente meegeven. We kunnen sidderen voor de rampen. Je kunt je er ook over verheugen. Denk aan de vijgeboom: als de bast week wordt is de zomer nabij. En het uitbotten van de bloesem van de grote zomer wordt aangekondigd door het lijden van deze tegenwoordige tijd; door de evangelisten verwoord met de rampen die in die tijd hun samenleving troffen (Mattheüs 24; Markus 13; Lukas 21). Bij de woorden over de val van Jeruzalem in het jaar 70 voegen wij de geschiedenis van Auschwitz, van Vietnam, van Afrika. Het zijn tekenen. Maar ze zijn het zacht worden van de bast van de olijfboom. In Habakuk 3 staat een prachtig lied over het komende ingrijpen van God. Aan het slot staat: Al zou de vijgeboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de Heere, jubelen in de God van mijn heil.
Als we het verband van het lied zien, waar het gaat over het ingrijpen van God, moeten we waarschijnlijk niet vertalen met "al zou..." en "nochtans...", maar met "wanneer..." en "dan...", of zelfs: "omdat..." en "daarom...". Wanneer de rampen losbreken over de aarde, dan breekt het gericht van God aan. Dan is de grote dag nabij. En als de dag des Heeren nabij is, is er reden om de Heere te loven. Omdat de velden geen vruchten meer geven, loof ik de Heere: Zijn dag blijkt te komen. Als wij horen van de ellende in de wereld en de geschiedenis, dan kunnen we verbijsterd verstommen of wanhopig worden, maar Jezus zegt ons te letten op deze tekenen en ze te zien als tekenen dat het voorjaar wordt en dat de grote zomer komt.
In de tekenen zien we het aanlichten van de grote dag van God. Want het laatste der dagen waarin wij verkeren is niet zelf het einde: het is de laatste fase naar de definitieve beslissing, naar de laatste, grote dag van God. De tekenen drijven ons ertoe om daarnaar te verlangen. Niet in de puzzel, maar in de hoop geven wij aan de tekenen gehoor. Wij zien reikhalzend uit naar de verlossing. "Kom, Heere Jezus. Kom haastig." Wij verlangen naar de bevrijding uit het lijden van deze tegenwoordige tijd (Romeinen 8:18). Als het laatste der dagen is aangebroken weten we dat het nabij is. We weten ook dat het nog niet gekomen is. Vandaar dat er de spanning blijft: Wanneer komt het?" Tegen die achtergrond kan de gemeente, levend in de eindtijd, toch weer gaan spreken over het einde, in de laatste dagen gaan denken aan de nog latere dagen, de laatste dagen van de vreugde, de jongste dag van de vervulling niet meer in deze geschiedenis, maar voorbij deze geschiedenis. Zo spreekt Petrus in hetzelfde hoofdstuk waarin hij zegt dat de komst van Christus het einde der tijden is (1 Petrus 1 : 20), dat er een erfenis wacht, die ons in de laatste dagen geopenbaard zal worden (vers 5). Maar deze laatste dagen moeten we dan niet meer zoeken in gebeurtenissen die we nu in de wereld waarnemen, maar in de heerlijkheid zelf. Als het gaat om de tekenen dan leven we reeds in de eindtijd, ais het gaat om de te verwachten laatste dagen, dan gaan zij alles wat wij zien of vermoeden te boven. Ieder teken dat we zien in onze geschiedenis spoort ons aan de nieuwe situatie door de komst van Christus en de Geest ons geschonken onder ogen te zien, eruit te leven en met spanning de dag te verwachten waarheen de tekenen verwijzen.'
Hierboven schreef ik dat de prediking over de zogenoemde apocalyptische bijbelgedeelten, ook wel eschatologische prediking genoemd, niet eenvoudig is. Hoe gaan we om met de beelden en voorstellingen die de Schrift gebruikt? Hoe leggen we verantwoord de teksten uit? Het is bekend hoe allerlei sectarische bewegingen zich van die teksten vaak meester gemaakt hebben om, als bij een rekensom, de toekomst te berekenen. Maar dat is juist tot schade van de geloofsverwachting. Met name de uitleg van het laatste Bijbelboek zal m.i. aan diepte en rijkdom winnen als we bedenken dat het in dit boek gaat om Christusverkondiging aan een gemeente in de sinds Pinksteren begonnen eindtijd op weg naar de laatste ure. Letten op de tekenen der tijden is voor alles in geloof en liefde volharden bij de beloften.
***
Gevaarlijk selectiecriterium
Wordt huidskleur selectiecriterium in de Nederlandse samenleving? Die vraag staat boven een artikel van dr. W. Albeda in Centraal Weekblad van 14 november. Albeda vraagt daarin aandacht voor de positie van de etnische minderheden in onze samenleving. Een belangrijk vraagstuk dat onlangs ook in een themanummer van Wapenveld aandacht kreeg. Gegevens wijzen er op dat de toekomst een toenejmende migratie van mensen uit de derde Wereld naar de rijke landen te zien zal gaan geven. Deze landen hebben op de arme landen een magnetische aantrekkingskracht. Ieder rijk land zal in de toekomst een multi-etnische samenleving hebben.
De economische situatie waarin verschillende rijke westerse landen verkeren brengt problemen met zich mee. Minderheden zoeken een plaatsje op de arbeidsmarkt en dreigen vanwege hun anders-zijn uitgeselecteerd te worden. Velen koesteren het geloof dat migranten banen innemen die anders door werkloze Westeuropeanen zouden worden ingenomen. Dat schept spanningen. Dat roept bovendien allerlei achterstandssituaties op (minderheidsgroepen geconcentreerd in bedrijfstakken die een onprettig werkklimaat hebben en weinig vooruitzichten bieden). Albeda wijst op gevaren van discriminatie op de arbeidsmarkt.
'Welnu, op de arbeidsmarkt zien we duidelijk wat mensen doen.
In zijn interessante rapport "Een eerlijke kans" stelt Bovenkerk het volgende vast:
— Minderheden hebben een aanzienlijke achterstand op de arbeidsmarkt. Het percentage werklozen onder hen is hoger. Ze zijn ondervertegenwoordigd in middelbare en hogere functies. De werkloosheid onder Nederlanders ligt op ongeveer twaalf procent. Voor Surinamers is het gemiddelde ongeveer dertig procent. Voor Surinaamse jongeren is het vijftig procent. Hierbij zij nog opgemerkt dat wij onvoldoende gegevens hebben over de positie van Surinamers. Ze werden in de arbeidskrachtentelling van het CBS niet afzonderlijk vermeld.
— Bij de Molukkers zien we dat de achterstand zich in de tweede generatie voortplant. Dat kan ook voor andere groeperingen gaan gelden.
— De achterstand is niet te herleiden tot de omstandigheden, dat deze mensen nu eenmaal tot de sociaal zwakkeren in het algemeen behoren. Zij hebben gegeven hun achtergrond een specifiek ongunstiger uitgangspositie. Zij hebben te maken met discriminatie.
Men kan uit zulke constateringen de conclusie trekken dat de Nederlandse overheid, niet "kleurenblind" mag opereren op de arbeidsmarkt, dat het CBS niet mag nalaten de cijfers ook afzonderlijk per etnische groep te geven. Dit is een wat vervelende conclusie. In wezen gaat het bij afzonderlijke registratie om een wat "discriminerende" stap. Het gaat immers om de feitelijke vaststelling van het anders worden behandeld op de arbeidsmarkt. Zo'n stap moet alleen worden genomen wanneer daar concrete aanleiding voor is. Ik ga er vanuit dat die leiding aanwezig is.
Ik stelde dat de arbeidsmarkt de plaats is waar het duidelijkst discriminerend gedrag te herkennen is. Bovendien de plaats waar inkomen, status en positie van mensen worden bepaald. Uiteraard is daarmede niet het gehele verhaal verteld. Daarnaast moet gewezen worden op de rol van het onderwijs en de huisvesting.
Kinderen uit etnische minderheidsgroepen hebben doorgaans wat lagere cijfers, ze worden ook (zelfs bij dezelfde schoolprestaties) minder vaak naar atheneum en HAVO verwezen. Ten aanzien van de huisvesting geldt dat de mensen uit de minderheidsgroepen gemiddeld in kleinere woningen terecht komen. Hoewel Surinamers de weg naar de betrokken instanties wel weten te vinden, geldt dat andere minderheidsgroepen daar problemen mee hebben. Het is kennelijk niet genoeg dat de verschillende diensten toegankelijk zijn. De betrokkenen moeten dat ook weten en hebben begeleiding nodig.
Uit de theorie van de zogenaamde geslaagde arbeidsmarkt komt naar voren dat de arbeidsmarkt vaak twee lagen kent. In de eerste plaats is er de arbeidsmarkt met de goede, vaste, goed beloonde banen met carrière-mogelijkheden. In de tweede plaats is er de arbeidsmarkt met niet zo aantrekkelijk werk, lage lonen en gebrek aan vastigheid, zonder kans op carrière. Voor de eerste laag van de arbeidsmarkt wordt gerecruteerd uit mensen die in de "goede" buurten wonen en met de goede opleiding. Deugt de buurt niet én de opleiding evenmin (en dat geldt voor velen uit de minderheidsgroepen) dan komt men gemakkelijk in de tweede laag van de arbeidsmarkt terecht. Natuurlijk gaat het niet om een zwart-wit beeld, maar een dergelijke tendens werkt er wel.'
Albeda merkt op dat we in de huidige situatie van een multi-etnische samenleving moeten voorkomen dat we zonder dat we dat ons beseffen in een samenleving terecht komen waar huidskleur, afkomst, accent en godsdienst selectiecriteria gaan vormen. Overheid, vakbeweging, werkgevers- en werknemersorganisaties hebben daarin elk hun eigen verantwoordelijkheid. Van de kerken mag gevraagd worden dat zij, wetend van de eis tot gerechtigheid, van de roeping tot zorg jegens de vreemdeling, ook in dit opzicht Gods geboden en beloften laten klinken in verkondiging en onderricht, toerusting en pastoraat. Bestrijding van discriminatie is niet alleen een zaak van beleid, maar ook van mentaliteitsverandering, van meta-moia, d.w.z. bekering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's