De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jeruzalem en Babylon

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jeruzalem en Babylon

8 minuten leestijd

Dit is de titel van het proefschrift, waarop drs. Johannes van Oort aan de rijksuniversiteit te Utrecht op 10 september 1986 gepromoveerd is tot doctor in de theologie. De redactie heeft mij verzocht enkele gedachten en overwegingen op schrift te stellen in de vorm van een artikel. Voor mij niet verdrietig en hopelijk voor de lezer nuttig, en omgekeerd.

De dissertatie behelst een onderzoek van Augustinus 'De Stad van God' en de bronnen van zijn leer der twee steden (rijken). Augustinus is wel de bekendste kerkvader. Zijn invloed op het theologisch denken is alleen te vergelijken met die van de apostel Paulus. Het boek over 'De Stad Gods', of liever de 22 boeken erover wordt als het hoofdwerk van A. gezien. Hij heeft er — naast veel ander werk — meer dan 14 jaar, van z'n 56ste tot z'n 73ste, aan gewerkt. Bekender onder ons zijn z'n 'Belijdenissen'. Je zou die beide boeken wel de twee brandpunten van de ellips kunnen noemen. Maar — om bij het beeld te blijven — : wie verwarmd wil worden door het vuur van liefde en verlangen naar de HEERE, die leze ook z'n preken, z'n Schriftverklaringen met name van de psalmen en van het Evangelie naar Johannes. De vele citaten, die dr. v. Oort geeft in de noten, smaken naar meer. De verklaringen van de psalmen zijn ook de beste commentaar op DSG.

Nu over de dissertatie. Dr. v. O. schrijft: 'Deze studie is niet slechts bedoeld voor specialisten in het Augustinus-onderzoek. Er is naar gestreefd een voor breder kring praktisch en duidelijk boek te schrijven'. Die specialisten uit binnen en buitenland waren er — zo bleek op de promotie — erg verrukt over: 'wie in de toekomst iets zeggen wil over Augustinus en met name over DSG, kan niet buiten dit boek om'. Mede daarom kreeg de jonge doctor ook het predicaat cum laude (met lof) voor z'n werk. De breder kring, daar reken ik dan de predikanten (inclusief mezelf) en belangstellende gemeenteleden onder. Voor ons is het een duidelijk boek. Ik zou zeggen: Kruip er doorheen als een slak (niet er doorheen springen als een sprinkhaan) ook door de noten, 'controleer' ze, voornamelijk, die betrekking hebben op Augustinus zelf. Praktisch: Het boek stimuleert om Augustinus te gebruiken en te genieten voor onze preken (zelf mocht ik het doen voor een serie preken over Johannes, naast de indringende preken van Luther over dit Evangelie).

Wat is de bedoeling van dit boek? Het klinkt aanvankelijk wat teleurstellend (liever gezegd: zo klonk het voor mij) als v. O. schrijft: 'Het gaat ons speciaal om de mogelijke herkomst van Augustinus' idee, niet direkt om de inhoudelijke aspecten van die leer zelf, we willen een historisch-genetisch onderzoek geven'. Hij wil dus de bronnen nagaan waaruit Augustinus geput heeft. Is het het Manicheïsme, het Platonisme, de Stoa, Philo, of — wat door velen beweerd werd — de Donatist Tychonius? Het is boeiend hem te volgen op deze speurtocht, behoedzaam afwegend, en hem dan te zien uitkomen bij de christelijke, joodse en in het bijzonder de archaïsche joodschristelijke tradities. Die leefden in het Africa, waar Augustinus werkte. Daar heeft hij z'n kijk op de geschiedenis vandaan, daar heeft hij gezien hoe de gemeente als vreemdeling op aarde leeft, daar heeft hij geleerd hoe de hele wereldgeschiedenis beheerst wordt door de tegenstelling tussen de stad van God en die van de duivel. Ik ben niet competent om dit alles te beoordelen, maar het lijkt me wel overtuigend en... het helpt me over m'n teleurstelling heen.

Zo ging ik dan het onderzoek lezen: Een aanleiding, waarom Augustinus DSG ging schrijven was de val van Rome in 410. Men schreef dit toe aan de afval van het volk van de heidense goden. En dat was veroorzaakt door de komst van het christendom. In de eerste 10 boeken gaat Augustinus hier tegenin. Die goden kunnen niets geven noch voor het tijdelijke noch voor het toekomende leven. In de volgende 12 boeken zet hij uiteen, wat de twee steden zijn en behandelt hun oorsprong, hun geschiedenis en hun stemming. Deze geschiedschrijving komt helemaal uit de Schrift op, met name uit het Oude Testament, dat hij als de in Christus vervulde Schrift leest.

Het is de bedoeling van v. O. om aan te tonen dat DSG een gemeentelijk boek is, een catechisatieboek. Het gaat om twee steden, twee gemeenschappen, om tweeërlei liefde, engelen en duivelen tegen elkaar, Abel en Kaïn, schapen en wolven, kinderen van het licht en kinderen van de duisternis, Christenen en huichelaars, rechtvaardigen en goddelozen. Daarom ook zoveel vertelstof over de op aarde pelgrimerende Godsstad, wat haar overkomt, maar bovenal wat ze verwacht. Wie ze verwacht. Ik zie ook een verband tussen de bedoeling die v. O. heeft met z'n dissertatie (nl. aan te tonen, dat het een catechese is) en stelling 18, die luidt: De zgn. kinderbijbel is een van de meest invloedrijke bijbelverklaringen. Een bredere en meer zorgvuldige belangstelling vanuit kerk en theologie voor dit instrument van geloofsoverdracht is daarom dringend gewenst.

Dit is ook de bedoeling van Augustinus zelf, namelijk om alle lezers op te wekken de stad van God binnen te gaan of volhardend te bewonen. De auteur toont dit duidelijk aan door uitvoerig in te gaan op de twee brieven aan een zekere Firmus, bekend geworden pas in 1939 en 1981. Daarin vertelt Augustinus, dat het z'n opzet is in de 22 boeken de ijdelheden der goddelozen te weerleggen (de eerste 10) en onze religie uiteen te zetten en te verdedigen (boek 11-22) 'De Stad van God' moet de twijfelende Firmus overhalen tot de definitieve overgang naar het Christendom. Hij moet de stad van God zonder dralen binnen gaan door wedergeboorte. Als het boek dat niet bewerkt, wat bewerkt het dan? Kennis alleen is niet genoeg, de geheimenissen der wedergeboorte gaan hier ver bovenuit. Tot het ontvangen van die wedergeboorte door de doop wordt Firmus bij herhaling aangespoord.

Op die overgang komt het aan: uit de duisternis in het licht, uit de stad van de satan in de stad van God.

Hoe leeft nu de mens die een burger van de stad Gods geworden is? In God verblijd, omringd door tegenspoed, in de brandende gramschap van de vijand, need'rig knielend, temidden van de ijd'le waan en eigenwaan der trotse zielen. Als vreemdeling en pelgrim, de aarde en z'n goederen gebruikt hij en de komst van Christus verwacht hij. De kinderen van het licht zien het aardse bestaan als middel tot vreugde in de HEE­RE, terwijl de kinderen van de duisternis hun goden zien als middel tot vreugde in de wereld.

Het eigenlijke gebeuren is de strijd tussen de stad van God en die van de satan. God heeft Zichzelf begeven om de mens te zoeken en heeft hem beloofd zijn Zoon te geven, die worden zou uit een vrouw, om de kop der slang te vermorzelen, en hem gelukzalig te maken. Dit is het beslissende gebeuren. Wat wij nu geschiedenis noemen is een interim, een 'poosje' tussen Gen. 3 en de jongste dag. Dat is een tijd van opgaan, blinken en verzinken van staten, rijken en culturen (ook van Babylon en Rome). Daarin regeert de HEERE. Hij gebruikt ze met hun regeerders en overheden om tijden van oorlog en vrede (aardse vrede!) te geven. Hiervoor stelt Hij soms goede (b.v. Constantijn) aan om te regeren, dan weer kwade. Maar wezenlijk is dat niet.

De ware vrede is te vinden in de stad van God, en die vrede betekent een voortdurende oorlog met de zonde, met de 'god van beneden'. Dr. v. O. toont duidelijk aan, dat het bij Augustinus gaat om de tegenstelling tussen de beide steden. Heel anders dan bij de filosofieën, maar wel zoals in de christelijke, joodse en joods-christelijke traditie. En nogmaals: het is boeiend om hem op de tocht langs o.a. de Didache, de Herder van Hermas, de pseudo-Clementinen te volgen. In die traditie gaat het ook om de twee wegen, alias de twee steden. Die wegen liggen niet in elkaars verlengde, het is óf — óf: want de HEERE kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen zal vergaan (ps. 1:6).

Na deze overwegingen zij het mij vergund enkele praktische opmerkingen te maken: Wie zich met Augustinus wil bezighouden beginne met de Belijdenissen b.v. in de vertaling van G. Wijdeveld. Daarna Het eerste geloofsonderricht (dezelfde vertaler) en De Stad van God (idem). Hierbij leze men: Jeruzalem en Babylon, O. Noordmans Augustinus, W. Aalders Plato en het christendom. Daar tussendoor en erbij: F. van der Meer Augustinus De Zielzorger en Twintig preken van Aurelius Augustinus (G. Wijdeveld). Theologen gaan zelf wel verder en Augustinus' kenners veel verder dan ik.

Tenslotte: Luther zegt, als hij Augustinus verklaring van Psalm 87 leest: Et hec valde pulchra est expositio (wat is deze verklaring bijzonder mooi). Ik denk en hoop dat velen het hem na zullen zeggen, als we, Augustinus lezen, zeer schoon, wat de inhoud, maar zeker ook wat taal en stijl betreft. En ten aanzien van de dissertatie zeg ik tot de Jonge doctor: Et haec pulchra est expositio tua (het 'valde' bewaren we dan maar voor Augustinus!)

N.a.v. dr. J. van Oort, Jeruzalem en Babylon, uitgave Boekencentrum, 's Gravenhage, 366 pag, , ƒ 55, —.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jeruzalem en Babylon

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's