De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bastion of burcht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bastion of burcht

Antwoord aan ir. J. van der Graaf

6 minuten leestijd

In De Waarheidsvriend van 27 november wordt mij door de redactiesecretaris de vraag gesteld: wat werd precies bedoeld, toen ik in mijn interventie op de gezamenlijke synodenvergadering tot hen, die 'een strikte interpretatie van de belijdenis voorstaan', (zo ongeveer) zei: 'U moet niet vanuit een bastion uw kanonnen leegschieten, want zo veroordeelt u zichzelf tot onvruchtbaarheid, u moet veeleer overgaan tot de infanterie en vechten in het open veld. Opdat wat u te zeggen hebt, vruchtbaar wordt voor het geheel'. Was hier, zo luidt de vraag van ir. Van der Graaf, met dit bastion nu een houding bedoeld (voor welke kritiek hij begrip heeft), of iets diepers, nl. de belijdenis zelf. De vraag is dan: kritiseerde u niet eigenlijk de vastheid van het geloof?

Nu, mijn uitspraak was inderdaad, op dat moment, een reactie op de ervaring van de eerste vergaderavond, toen een aantal sprekers de belijdenis in het veld brachten tegen Samen op Weg, zonder in te gaan op wat er inhoudelijk in Samen op Weg aan de orde en op wat daar op tafel gelegd is. Ik maakte dit nu reeds voor de vierde keer op een gezamenlijke synodenzitting mee en de achtergrond van mijn uitspraak was: zo moet men niet met de belijdenis omgaan, zo doet men ook zichzelf en dat wat men voorstaat te kort, zo zul je nooit een echte bijdrage kunnen geven aan het gesprek. Zo'n uitspraak wordt dus sterk gestempeld door het moment, het gaat dan inderdaad om een houding. Maar hij heeft natuurlijk diepere gronden. De vraag is dus: geldt het verwijt ook meer in het algemeen, gaat zij verder, betreft zij de zaak? Ik kan niet ontkennen, dat ik, als ik de uitspraak meer in algemeen verband plaats, inderdaad meer bedoel. Zo gemakkelijk zijn houding en de zaak, waaruit die voortkomt, niet te scheiden.

Ik bedoel daarbij niet een staan in het geloof, het toevlucht vinden in de grondervaring van het geloof en het beleven van zekerheid in het belijden ervan te bekritiseren: die ervaring is met de aanhaling in Psalm 46, met het beeld van de burcht, goed weergegeven. Met bastion is toch iets anders bedoeld, het woord heeft, zo gebruikt, de negatieve bijklank van het zich-verschansen, het van meet af niet toelaten wat men niet gewenst acht. Men moet met beelden voorzichtig zijn. De echte zekerheid des geloofs is geen bastion. Zie ik het verkeerd, als ik meen, dat deze zekerheid niet tot geslotenheid leidt, maar juist tot openheid, tot een vrije, de ander zoekende levenshouding, waarbij men ook zijn twijfels en onzekerheden rustig kan toegeven, omdat men in zichzelf de wijkplaats, de grond kent, waar alle onzekerheid wegsmelt? Zulk een zekerheid is pas echt soeverein. Wordt dan niet pas echt duidelijk, dat wij in God en niet in onszelf onze zekerheid vinden? Worden wij niet allen door zulk een valse zekerheid bedreigd? Is veel van onze verontrusting (ik ken die heus ook) tenslotte niet ongeloof? Dat de belijdenis een verwoording is van onze vaste grond, stel ik dus niet ter discussie. Maar ik vertrouw toch van menigeen het beroep daarop niet. Men houdt zich, in dat geval, een aantal vragen van het lijf, die men niet van het lijf houden kan. Het gaat daarbij om meer dan zin voor openheid voor het vreemde, of voor de cultuur, of voor theologische aberraties, zoals ir. Van der Graaf stelt; het gaat erom, dat wij de vragen echt op ons af laten komen, of ook eerlijk toegeven, dat zij allang op ons afgekomen zijn. Ik zie ook dikwijls, dat men met een beroep op de belijdenis de afkeer van een nieuw belijden voedt, waar toch dat nieuwe belijden van ons wordt gevraagd. Belijdenissen zijn steeds geloofsantwoorden op de machten van een bepaalde tijd: de reformatorische belijdenissen zijn anders dan de oudkerkelijke, de belijdenis van Barmen anders dan de reformatorische. De antwoorden blijven geldig, gezien in de context van de uitdaging, die doorgaans er een is van alle tijden. Toch laat de geschiedenis grondige verschuivingen zien, die om nieuwe geloofsdoordenking vragen. Dat zijn niet altijd evenwaardige belijdenissen. Maar het gaat mij erom, dat men al te gemakkelijk meent, dat met een beroep op de oude belijdenis dat antwoord al voldoende gegeven zou zijn en dat men zich van een nieuw, soms echt anders geaard geloofsantwoord ontslagen acht. Het 'niet terzake zijn' (ir. Van der Graaf vraagt mijn mening daarover) van de belijdenis zit niet in een aantal losse punten en natuurlijk al helemaal niet in de grondwaarheid van de reformatorische belijdenis (die ik zie in de door Jezus Christus geschonken rechtvaardiging van de goddeloze), maar in het feit, dat zij in een geheel andere maatschappelijke, psychologische en culturele context is uitgesproken. Ir. Van der Graaf weet dat allemaal ook wel en spreekt zich uit voor een geestelijk hanteren van de confessie als spreekregel van de kerk — een formulering waarin ik mij geheel kan vinden. Toch gaan wij kennelijk anders met de belijdenis om. Mijn vraag blijft: zijn wij zeker genoeg? Zij treft ons natuurlijk allen. Maar ik zou zo graag willen, dat de Gereformeerde Bond in het Samen-op-Weg-proces, met haar eigen erfgoed, een open en solidaire discussie aanging met de anderen. De open houding, die ik bepleit, zou inhouden, dat men zich vanuit de belijdenis, die wij volledig gemeenschappelijk hebben, ten volle voor de Gereformeerde Kerken mede verantwoordelijk voelt.

Ik meen, dat het onjuist is, zo over de Gereformeerden te oordelen, als men in feite, met behulp van een beroep op de belijdenis, doet. Ook meen ik, dat men een zware verantwoordelijkheid op zich laadt, door hen, die op zeer ernstige gronden menen deze eenwording te moeten zoeken, zo diepgaand te demotiveren, hun de wind zo sterk uit de zeilen te nemen. Mag men de vraag stellen, of niet toch velen de ernst, die er bij hen achter zit, onderschatten? Ziet men niet veel over het hoofd? Ik noem een voorbeeld: In de stukken van deze jaren werd een serieuze poging gedaan, het vraagstuk van de leertucht aan de orde te stellen, de patstelling daarin te doorbreken (zie: De zorg voor de prediking en de verantwoordelijkheid voor de gemeenschap, in: Samen kerk zijn in de nabije toekomst, deel 2, pag. 32-42). Nooit is op de synodezittingen daarop ingegaan; zo ziet men aan serieuze stappen in elkaars richting voorbij. En ik denk dat is een gevolg van de bedoelde gesloten houding. Ik besef heel wel, dat de problemen, als men aan het echte gesprek begint, niet zomaar op te lossen zijn. Maar wij zouden toch verder komen, als wij beter naar elkaar luisterden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bastion of burcht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's