Hoe ver reikt het heil (3)
In de nummers van 4 en 11 oktober 1986 gaven we enkele stukken weer van de FEET-conferentie, die van 11-15 augustus 1986 gehouden werd in Altenkirchen over het thema 'Modern universalisme en de universaliteit van het Evangelie'. Aan het slot van het tweede artikel zegde ik toe op enkele bijdragen nader in te gaan. Door tijdsgebrek is een en ander blijven liggen. Eerst nu ben ik in de gelegenheid mijn belofte in te lossen.
Ik beperk me tot de bijbels-theologische referaten. Evangelicals hebben met name in de angelsaksische wereld, een grote inbreng in de Bijbelwetenschap. Daar ligt m.i. ook hun kracht. Maar ook gelet op het thema is de bijbels-theologische bezinning van eminente betekenis. Reformatorische theologie is ten principale een theologie die de Schrift wil laten spreken en die daarbij de Schrift haar eigen uitlegster wil laten zijn. De uitdaging van het modern universalisme, dat zijn duizenden verslaat is groot. De franse theoloog Henri Blocher vergeleek de situatie met het beeld van een oorlogscommuniqué. De legers van de universalistische strijdmacht kunnen melden: vooruitgang aan alle fronten; slechts hier en daar is er nog een beetje verzet. We zullen deze uitdaging alleen maar kunnen weerstaan door zo volledig en grondig mogelijk de Schrift te laten spreken en niet te vervallen in ijdele speculaties en bespiegelingen en evenmin toe te geven aan de trend om de Schriftgegevens te laten gaan door de filter van de eigentijdse ervaring.
De wereldgodsdiensten
Een van de argumenten die van de kant van universalistische theologen wordt ingebracht is dat de liefde van God voor al zijn schepselen zonder onderscheid impliceert, dat Hij op de een of andere wijze zichzelf beschikbaar stelt aan allen door adequate openbaring. De waarheid is groter en rijker dan de waarheid van het christelijk geloof. Ook niet-christelijke religies hebben een authentieke openbaring, zegt men, van God en van Zijn eeuwig plan. Ook deze religies worden geacht wegen tot het heil te zijn. De in Amerika docerende engelse theoloog John Hick is dan ook van mening, dat we geen recht hebben andere godsdiensten te veroordelen omdat ze anders zijn dan de onze. De verschillende godsdienstige tradities komen tegemoet aan de behoeften van mensen in hun verschillende culturele situaties. We moeten, zegt Hick, niet streven naar één wereldreligie, want dan doen we tekort aan die verschillende behoefen en aan het rijke palet van antwoorden in heilige boeken, heilige personen, liturgieën en vormen van spirituaUteit. Wel moeten we streven naar één wereldtheologie waarin alle religies, maar ook bewegingen als het Marxisme en het Maoïsme gezien worden als uitdrukkingen van de religieuze ervaringen van mensen en als wegen tot God.
De schotse geleerde Nigel M. Cameron noemde Hick's theorieën — en m.i. niet ten onrechte — syncretistisch, ondersteund als zij worden door een zeer selectief en kritisch gebruik van de Bijbel.
John Hick staat niet alleen in zijn beweringen, al gaat niet ieder even ver. Ook iemand als Edward Schillebeeckx heeft in zijn Kuyper-lezingen, gehouden aan de VU in mei 1986, de stelling geuit dat Jezus Christus wel voor de christenen het centrum van de geschiedenis is, maar dat we niet moeten menen dat de historische openbaring van heil van Godswege in Jezus Christus de Godsvraag uitput. Hoe uniek Jezus ook is. Hij sluit volgens de nijmeegse geleerde, andere wegen naar God niet af. Er kan van een christelijk imperialisme en exclusivisme z.i. geen sprake zijn. 'Het gevolg van het feit dat Gods schepping tevens het begin van de geschiedenis van heil en onheil is, sluit in wezen in, dat God zich niet uitsluitend in Jezus Christus heeft geopenbaard en dus dat als het om spreken over God gaat, elk mens recht van inspraak heeft' (Als politiek niet alles is... Jezus in de westerse cultuur, Baarn 1986, blz. 10-11). Terecht sprak dr. J. v. Lin in Trouw van een verstrekkende stellingname, fundamenteel anders dan de positie die b.v. door Verkuyl wordt ingenomen.
Openbaring
Nu is de problematiek niet nieuw. Jaren geleden al publiceerde de bekende zendingstheoloog J. H. Bavinck zijn mooie en m.i. nog altijd betekenisvolle boek over religieus besef en christelijk geloof, waarin hij enerzijds van uit de Schrift recht wilde doen aan het godsdienstig tasten en zoeken in de volkerenwereld — en Bavinck was daarbij wars van elk christelijk triomfalisme — maar anderzijds de diepe kloof liet zien tussen dit godsdienstig besef en het Evangelie van Jezus Christus. Zendingsarbeid, aldus Bavinck, is een uitdrukkelijk en overtuigd neen-zeggen tegen de religieuze beseffen der mensheid, maar ook tegen de religieuze beseffen die er leven in het hart van de gezondene.
Op de FEET-conferentie bracht dr. Chrys C. Caragounis uit Uppsala de bijbelse aspecten van het begrip 'openbaring' ter sprake. In zijn betoog ging hij uiteraard in op de klassieke teksten die in dit kader altijd weer aan de orde komen, nl. de Areopagusrede (HandeHngen 17 : 22-31) en Romeinen 1 en 2.
Caragounis wees er op dat Paulus in Handelingen 17 geen steun geeft aan een natuurlijke theologie of aan de gedachte dat alle volken ontvangers zijn van authentieke goddelijke openbaring. Paulus spreekt in vs. 30 over tijden van onwetendheid. Met de komst van het Evangelie van Christus heeft een nieuwe tijd zijn intrede gedaan, een tijd waarin alom en aan ieder verkondigd wordt dat bekering nodig is. Het zou, zegt Caragounis, moeilijk zijn een nadrukkelijker uitspraak te vinden, waarin de absolute universaliteit van het Evangelie wordt uitgezegd dan deze woorden van Paulus.
Romeinen 1 en 2
In zijn uitleg van Romeinen 1 : 18-23 beklemtoonde deze zweedse geleerde het gegeven van de scheppingsopenbaring aan de mens in het paradijs die door de mens beantwoord werd met opstand en rebellie. Het zou in de verzen 22-23 niet gaan om individuele mensen uit de tijd van de apostel en van alle tijden, maar de apostel zou in de lijn van Romeinen 5 spreken over het historisch gebeuren van de zondeval, al voegt Caragounis er dan wel aan toe, dat dit historisch gebeuren zich herhaalt in elk mens, die volhardend in afgoderij ook de kant kiest van het verzet tegen de levende God. Al vraag ik me af of men op deze wijze recht doet aan de woorden uit Romeinen 1, duidelijk is in elk geval dat Romeinen 1 geen steun biedt voor de gedachte van een heilsbrengende openbaring in de wereld van de religies, Gods manifestatie in de werken van Zijn handen maakt dat mensen des te minder te verontschuldigen zijn vanwege hun ongeloof en afgodendienst. Deze manifestatie van God leidt niet tot kennis van Zijn Persoon, Zijn wil en Zijn heil, zoals ook 1 Korinthiërs 1 : 21 vv laat zien.
Opmerkelijk vond ik Caragounis' uitleg van de bekende passage uit Romeinen 2 over heidenen en de wet. Biedt deze tekst geen steun aan de gedachte dat er buiten Christus heil is voor heidenen, die van nature doen wat de wet gebiedt? Caragounis wees er op dat deze verzen gelezen moeten worden in het grote requisitoir van de apostel in Romeinen 11-3 waarin de hele mensheid, Jood en heiden, schuldig verklaard wordt voor God zonder enige uitzondering. Hij verzet zich tegen de gedachte als zou uit Romeinen 2 : 7-10 op te maken zijn dat sommige Joden en heidenen op grond van hun goede daden gered worden. Dit is, zo zegt hij in aansluiting aan de bekende engelse nieuwtestamenticus Cranfield in flagrante strijd met Paulus' zendingsprediking. In vs. 12 wordt gesproken over Joden en heidenen buiten Christus, in vers 14 zou volgens Caragounis de apostel spreken over heidenchristenen. Terwijl de meeste vertalingen en ook de meeste commentaren het 'van nature' verbinden met 'doen wat de wet gebiedt', en vertalen: 'Wanneer toch heidenen die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet', verbindt Caragounis het 'van nature' met de eerste woorden en vertaalt hij: 'Heidenen die van nature, d.w.z. krachtens hun afkomst, de wet niet hebben, doen wat de wet gebiedt'. Paulus laat de Joden horen dat hun bezit van de wet zonder de volbrenging van de geboden voor God zonder waarde is en dan wijst hij op heidenen die tonen dat het werk der wet in hun harten geschreven staat; hetgeen, aldus Caragounis, een zinspeling is op Jeremia 31 : 33, een heilsbelofte inzake het nieuwe verbond die in het Nieuwe Testament op meerdere plaatsen terugkeert en die door de schrijvers van het Nieuwe Testament betrokken wordt op de vervulling door Christus en in de Geest in het leven van de gelovigen uit Israël en de volken. Nu is in de geschiedenis van de Bijbeluitleg vaker gepoogd om de uitlegkundige moeilijkheden rondom Romeinen 2 : 12-16 op te lossen door de heidenen van vs. 14 tot heidenchristenen te maken. We vinden dit reeds bij Augustinus en in onze tijd bij Barth.
Ik moet u zeggen, dat ik ondanks de grondige argumentatie van Caragounis toch niet overtuigd ben van de juistheid van deze uitleg. Vooreerst is de verklaring van heidenen = heidenchristenen in het geheel van het betoog van Romeinen 1-3 weinig aannemelijk. In de tweede plaats is het de vraag of we uit het voorkomen van Jeremia 31 in 2 Korintiërs 3 en Hebreeën 10 conclusies mogen trekken voor de uitleg van Romeinen 2. In de derde plaats is met Lekkerkerker in zijn commentaar te zeggen dat Paulus in Romeinen 2 niet zegt dat de wet in hun hart geschreven staat, maar het werk der wet. En voorts gaat het er de apostel niet om een optimistische beschouwing over de heidenwereld te geven waaruit dan verstrekkende conclusies getrokken zouden kunnen worden inzake een heilsopenbaring buiten Christus, maar wel om Jood en heiden beiden in staat van beschuldiging te stellen.
De interessante exegese van Caragounis moge aanvechtbaar zijn, de strekking van zijn betoog dat we uit Romeinen 1 en 2 niet mogen afleiden dat er buiten Christus een heilsopenbaring is voor de mens en dat religies wegen tot God en Zijn heil zijn, is m.i. iuist.
Op indringende wijze liet deze zweedse geleerde in het vervolg van zijn betoog zien hoe God zich openbaart in Israël en in Jezus Christus, en hoe er tussen Oud en Nieuw Testament op dit punt een diepgaande continuïteit is. In Jezus Christus geschiedt vervulling van dat wat door God bekend gemaakt is in Israël. Ook de zgn. kosmische uitspraken uit Efeze 1 en Colossenzen 1 bieden geen steun voor de gedachte dat we de betekenis van Christus in Gods heilsplan zouden kunnen relativeren ten gunste van andere 'heilanden'. Er is geen andere Naam tot redding gegeven dan de Naam van Jezus Christus.
Oud en Nieuw Testament getuigen van een unieke openbaring, die volstrekt anders is dan de wijze waarop de andere religies zich aandienen. Christenen zullen, aldus Caragounis, ook in onze tijd niet kunnen afzien van de gedachte van de uniciteit en de exclusiviteit van het christelijk geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's