De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jacob Revius: ‘Vrede zonder vede’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jacob Revius: ‘Vrede zonder vede’

9 minuten leestijd

Vrede

Kerst is het feest van de vrede. Christenen en niet-christenen zullen zich in deze korte kernachtige omschrijving kunnen vinden. Overal op de wereld, ook daar waar het oorlogsgeweld de aarde doet dreunen, streeft men tijdens het Kerstfeest naar een wapenstilstand, een kerstvrede. Maar wat houdt die vrede in bijbelse zin in? Revius zet zijn berijming van de engelenzang zó in:

Lof zij den Heere
Konink aller ere,
En hier benede'
Vrede zonder vede.
Aan die na Hem vragen
T'eeuwigen dagen.

De dichter spreekt van 'vrede zonder vede', dit is vrede zonder vijandschap, zonder twist (vergelijk ons woord vete). Bij die vijandschap dacht hij ongetwijfeld aan de strijd tussen volken en mensen: toen hij dit vers schreef, zaten we nog midden in de 80-jarige oorlog. Maar Revius wist ook dat er sprake is van een andere vijandschap: de mens heeft de wapens opgenomen tegen God. De zonde die de hele mensheid doortrekt is, aldus de dichter, een 'heimelijk venijn', een verborgen vergift. Daarom heeft de vrede van Revius hier een dieper aspect: het heeft alles te maken met Gods welbehagen voor degenen 'die naar Hem vragen'.

Lof Jesu Christi

In het paasnummer ben ik ingegaan op enige gedichten van Revius die gewijd zijn aan het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus Christus. Hier wil ik dat doen met enige verzen die hij schreef naar aanleiding van Christus' geboorte.

Immers, het is een Reviusjaar. Vierhonderd jaar geleden — november 1586 — werd deze grote calvinistische dichter in Deventer geboren, waar hij vervolgens meer dan een kwart eeuw predikant is geweest. De huidige gemeente komt alle lof toe voor de wijze waarop in de eerste week van november de Deventenaar Revius is herdacht, met onder meer een expositie in de Athenaeumbibliotheek, een kerkdienst in de Grote of Lebuïnuskerk, een concert, dit alles afgesloten met een prachtig symposium. Alle hulde ook voor het organisatiecomité dat dit alles heeft opgezet.

Het valt mij steeds weer op dat Revius' kunstenaarschap en zijn gedrevenheid als dichter ook worden erkend door degenen die niet zijn geestelijke overtuiging delen. Een reden temeer voor zijn geestelijke nazaten om zijn poëzie te lezen en te proeven.

Zoals bekend is Revius' poëzie verzameld in de bundel Over-ijsselsche Sangen en Dichten, die in 1630 voor het eerst verscheen. Het eerste deel daarvan bevat zijn christelijke gedichten, gewijd aan bijbelse onderwerpen van de schepping tot het laatste oordeel. Dit deel is weer verdeeld in twee boeken: het eerste boek bevat verzen geïnspireerd door het O.T., het tweede gedichten met stof uit het N.T. Zet het eerste boek in met 'Lof Gods', de drieënige God die hemel en aarde schiep, het tweede gedicht begint met drie gedichten die de lof van Jezus Christus bezingen. Het derde gedicht daarvan laat ik hier in zijn geheel vol­gen. De titel ''t Zelve' (d.i. Hetzelfde) verwijst naar die van het eerste gedicht 'Lof Jesu Christi', een titel die ik er hier ook boven zet.

LOF JESU CHRISTI

I

Zo lang als ik op aarden leven zal
Mijn Konink groot ik ere geven zal
Met woord, met daad, met juichen en gezank.
Hij heeft mij uitgetogen van den val.
Geschreven in Zijn uitverkoren tal.
Dies mijne ziel Hem spelet lof en dank.
Zijn bitter lijden
Doet mij verblijden.
Zijn hert is mijn.
Het mijn is Zijn.
Treurigheid wijke
Vrolijkheid blijke,
Want Jezus wil mijn Heiland zijn.

2

Als mijn gemoed Hem biddet met aandacht.
Als mijne tong' Hem prijzet dag en nacht
Als ik Hem dien als Zijn gehoorzaam kind,
De wereld boos mij spottet en belacht,
Maar wederom' 'ik harer niet en acht'
Al haren trots die schrijf ik in de wind.
hoe Hij het voeget
Mij wel genoeget.
Hij maket al
Na Zijn geval.
Hij is de beste,
D'eerst' en de leste
Die ik bemin en minnen zal.

Direct al in de eerste strofe komen we fundamenteel calvinistische gedachten tegen: de mens op aarde behoort te leven tot Gods eer — 'Mijn Konink groot ik ere geven zal' en de mens wordt alleen behouden en gered door wat God doet: Hij trekt ons uit de val, Hij schrijft 'in Zijn uitverkoren tal'. In Revius' belijden neemt de onmacht van de mens om zich te bekeren een fundamentele plaats in. Daaraan koppelt hij de leer der verkiezing. Die verkiezing is geen duister noodlot, geen daad van een naar willekeur handelende God. God verkiest in Christus. Dat geeft reden tot grote blijdschap. Dat biedt ruimte: 'Jezus wil mijn Heiland zijn'. God is, in Christus, de eerste; Hij is ook de laatste, die Zijn werk voltooit: Hij maakt het al naar Zijn welgevallen (strofe 2).

De Spruit van David

Het bekende bijbelse beeld van de stam van David die uitbot en vruchten draagt, ligt aan de basis van het gedicht 'Spruite Davids'. Men denke aan Jesaja 11 : 1 of aan Jeremia 23 : 5, waar we lezen: 'Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David een rechtmatige SPRUIT zal verwekken'. Op knappe wijze maakt Revius van dit beeld gebruik. In alle strofen komen we het tegen: de Spruit (strofe 1), twijgen en bloemen (strofe 2), vruchten en bladeren (strofe 3) en de wortel (strofe 4). De vijfde strofe geeft de toepassing: en gebed, zoals de dichter zo vaak doet, gericht tot de Vader van de Spruit. Werkelijke vreugde is alleen mogelijk als 'wij' — de dichter betreft zichzelf er ook bij, hij blijft niet moraliserend op een afstand staan — dat 'gewas' proeven. Ongetwijfeld heeft de dichter bij het noemen van dit 'gewas' gedacht aan dat andere 'gewas' in Genesis 3...

SPRUITE DAVIDIS

1

Een spruitjen heeft de Heer geplant
Te Bethlehem in 't; Joodse land
Uit Davids stam gesproten
Vol Koninklijke loten.

2

Zijn twijgen staan wijd uitgebreid
Met bloemen sierlijk overspreid
Als met een peerlen krone.
Geen schoonheid is zo schone.

3

In 's Heeren lusthof zal hij staan
Vol vruchten die de ziel verzaân.
Zijn loof geneest de kranken
Wijd boven alle dranken.

Gods waarheid zal zijn wortel zijn,
Gods hete liefd' zijn zonneschijn,
Den groten Geest een reine
En levende fonteine.

O Vader goed, geeft dat wij ras
Dit over-kostelijk gewas
Met hertenvreugd' genieten;
Geen kruis zal ons verdrieten.

Het Kind waar de dood voor trilt

In Revius' poëzie valt steeds weer op hoe ernstig hij de zonde neemt, hoe diep verloren de mens is die leeft buiten Christus. Maar tegelijkertijd legt hij een even zwaar accent op Gods liefde in Jezus Christus. Revius is veel te veel afgeschilderd als de steile calvinist, hard en koud. Wie zijn verzen goed leest, raakt onder de indruk van zijn bewogenheid. De dichter is verwonderd over wat God voor ons mensen deed en doet. Dit blijkt ook overduidelijk uit zijn 'Harder-lied'. Het dichterlijk 'ik' kruipt hier in de huid van een herder die de zang der engelen hoort. Deze herder spreekt in verwondering over het Kind dat mensen komt verlossen: Als Gij mij haatte, zou Gij dat niet doen! (slotregel van strofe 4).

God wijst de zonde af, maar niet de zondaar. Dat is Revius' diepste overtuiging, die hij ook uitspreekt in het 'Harder-lied'.

HARDER-LIED

1

Windeken uit het paradijs
Op mijn pijpken blaast den prijs
Van Gods Zone, Dat ik tone
Door de bossen, voor het wild
't Kindeken daar de dood voor trilt.

2

Christe, wie had van U vermoed
Dat Gij, edel Koninks bloed,
Zoudt verschijnen
Vol van pijnen
In het koudste van den stal
Proevende al ons ongeval?

3

Vreesdy niet dat Herodes daar
U eens worden zal gewaar,
En bestellen Zijn gezellen
Die met een zo grammen moed
Dorsten na Uw onnozel bloet?

Om te verlossen die voorheen
Door der slangen gladde ree'n
Mosten vluchten
Komdy zuchten
Op het hooi en onder 't riet:
Haatte gij mij, gij dee't het niet.

5

Want doe ik gisteravond laat
Zag een daagsen dageraad
Mij omvangen.
De gezangen
Van des Hemels blijden rei
Gaven mij tot U het gelei.

6

Kondigen hoord' ik op dat pas
Dat de Heer geboren was.
En wanneer ik
Zag zo deerlijk
Liggen Uwe lee'kens teer
Keerdy Uw oogjens tot mij weer.

7

Alle die door afkeerlijkheid
Wijkt van Godes heerlijkheid
Komt hier binne'
Zoekt Zijn minne,
Die dees zalig uur versmaadt
Treurt er wel om als 't is te laat.

Komt hier binnen

Dit herderlied is mede zo interessant omdat het overduidelijk laat zien dat Revius midden in zijn tijd stond. Hij stond niet buiten de cultuur van zijn dagen. Revius was renaissancedichter en hij kende en las de grote dichters uit de klassieke oudheid en de renaissancedichters uit Italië (Petrarca), Frankrijk (Ronsard) en Engeland (Owen). Zijn werk zit vol met verwijzingen naar en ontleningen aan die poëzie, ook al was die niet christelijk. Maar hij nam de wereldlijke poëzie niet zomaar over. Hij christianiseert. Het 'Harder-lied' is daar een prachtig voorbeeld van. Revius was diep onder de indruk van de schoonheid en het hoge niveau van de poëzie van Hooft. En Hooft had in zijn Granida een herderslied opgenomen, dat handelt over de liefde tussen een herder en een herderinnetje en dat zo begint:

Windeken daar het bos af drilt,
Weest mijn brak', doet op het wild
Dat ik jage.
Spreidt de hagen,
En de telgen van elkaar,
Mogelijk schuilt mijn Nimfe daar.

Wie dit couplet en de overige legt naast Revius' gedicht ziet legio overeenkomsten. Revius heeft van Hoofts lied en 'aemulatio' in christelijke zin gegeven: een christelijk lied dat qua artistiek niveau het wereldlijke opzij streeft, naar de kroon steekt. We zouden ook van een 'contrafact' kunnen spreken: allerlei woorden en beelden, de bouw van regels en strofen worden getransformeerd en opgenomen in een gedicht met een heel andere boodschap. Revius volgt het vers van Hooft, dat hij wat taal en versbouw betreft bewondert, van het begin tot het eind, maar het is toch een geheel nieuw vers geworden. In plaats van de 'minne' tussen de herder en een herderin schrijft Revius over de 'minne' van Christus.

Het slot van zijn gedicht is een royale, onbekrompen uitnodiging tot allen die geneigd zijn zich van het Kind en Gods heerlijkheid af te keren:

Komt hier binne'
Zoekt Zijn minne.

Wél wil de dichter niet eindigen zonder te waarschuwen: -

Die dees zalig uur versmaadt Treurt er wel om als 't is te laat.

Gods Hefde is groot, Zijn genade is indrukwekkend. Maar men kan ook aan die liefde, die gestalte krijgt inJezus Christus, voorbijgaan...

Kerstfeest is het feest van de verlossing. De diepste vrede is de vrede met God. In Revius' woorden: 'vrede zonder vede'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Jacob Revius: ‘Vrede zonder vede’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's