Kerst en onthechtend leven
Wie oren en ogen open heeft en bewust leeft in deze wereld vindt weinig aanleiding tot 'optimisme', laat staan tot feesten.
Oorlogen en geruchten van oorlogen allerwegen.
Overheden, die hun eigen onderdanen naar het leven staan.
Terreurgroepen, die dood en verderf zaaien. .
Over de hele wereld discriminatie om ras of geloof.
Nieuwe ziekten, die zich wereldwijd openbaren en snel om zich heengrijpen. Het AIDS virus heeft, als we de berichten van de laatste weken mogen geloven, al miljoenen besmet. En over enkele jaren — zo luidde een bericht — zal het aantal slachtoffers ongeveer honderd miljoen bedragen. Zoals in de middeleeuwen de pest rondwaarde, zo schijnt deze nieuwe ziekte — een nieuwe 'pest' — epidemisch om zich heen te slaan.
Wat is het uitzicht voor de mens van vandaag? Het opinieblad Koers had dezer dagen een onthutsende bijdrage over jongeren. Per jaar zouden ongeveer 5000 jongeren in ons land een poging ondernemen tot zelfmoord; en depressiviteit is onder jongeren een wijd verbreid verschijnsel (1 op de 10 jongeren is van tijd tot tijd ernstig depressief).
Nee, we leven niet in een wereld die tot feesten nodigt. En waar feest gevierd wordt, wordt vaak de neerslachtigheid, het verdriet, het pessimisme even weggelachen, waarna de dingen weer in dezelfde of verhevigde mate terugkeren.
Wat moeten we dan met een kerstfeest? Met de wereldse viering van het kerstfeest kunnen we snel klaar zijn. Maar hoe functioneert kerst als féést dan op de rechte wijze in de gemeente, in de kerk?
Voor Gods Aangezicht
Wanneer de Schrift ons spreekt over feest vieren dan gaat het altijd om feest vieren voor Gods Aangezicht. We behoeven het woord feest niet te vermijden, als we maar bedenken dat elk christelijk feest zich Coram Deo voltrekt en daar ook de rechte inhoud krijgt. Het is als met de opwekking tot de jongeren: verblijd u, o jongeling in uw jeugd en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap; maar weet dat God u om al deze dingen zal doen komen voor het gericht!
Als het gaat om christelijk feestvieren kunnen we te rade gaan bij Deuteronomium 16, waarin over Israels 'hoge feesten' wordt gesproken. Het gaat daar met name om het feest van de 'ongehevelde broden' — het Pascha, feest van de uittocht — het feest der weken en het loofhuttenfeest. Heel uitdrukkelijk wordt gezegd: 'Gij zult vrolijk zijn ...' (vers 11 en vers 14) maar er staat bij 'voor het aangezicht des Heeren', of 'de Heere uw God feest houden'. Calvijn merkt dan op dat de dienst aan God blijdschap verschaft. Geloof zonder blijdschap is geen geloof, mist een wezenlijk kenmerk.
Calvijn zegt erbij: 'goddeloze mensen verheugen zich weliswaar ook, ja zelfs laten zij zich in hun vreugde remloos gaan'. Die vreugde is echter niet alleen puur oppervlakkig, maar het lachen zal ook omslaan in tranen en knersing der tanden.
Bij de christelijke feesten is het zo — zo vervolgt hij — dat een vader als het ware zijn kinderen uitnodigt om de vreugde voor Gods Aangezicht samen te genieten. 'Door deze uitwendige oefening worden de gelovigen vermaand dat er geen enkele blijdschap bestendig of wenselijk is als zij geen betrekking op God heeft. En zeker, hoewel de goddelozen uitgelaten zijn in hun genietingen en zich in hun wellusten storten, genieten zij in de vreugde waarin zij zich begeren onder te dompelen niet, omdat hun de gewetensrust ontbreekt, die elkeen echt vrolijk maakt.'
Men ziet, Calvijn vermijdt de woorden feest, vrolijkheid, genieting, vreugde, blijdschap niet. En dat daaraan ook uiterlijkheid , 'uitwendige oefening' zit, laat hij ook dui delijk uitkomen. Maar het krijgt de echte vulling voor Gods Aangezicht.
Als Israël vergat dat het zijn feesten voor Gods Aangezicht moest vieren en dus met het hart gericht op God, dan ondervond het de kritiek van de Allerhoogste door de mond van de profeten. 'Ik haat, Ik versmaad uw feesten en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken' (Amos 5 : 21). De profeet Maleachi spreekt zelfs over 'de drek uwer feesten' (Mal. 2 : 3). Een feest voor Gods Aangezicht mag niet in uiterlijkheden opgaan.
Brood der ellende
We hebben goed te bedenken dat Israels feesten in feite alle terug te voeren zijn op 'de uittocht'. En wat is dan treffender dan dat bij het feest van het Pascha — de herdenking van de uittocht — de viering plaats vindt met 'ongehevelde broden', het ongezuurde, ongegiste brood, dat bij de uittocht uit Egypte in haast gebakken en meegenomen was? Is er mooier beschrijving van de diepe realiteit hierachter dan wat we in Deuteronomium 16:4 lezen? : Gij zult niets gedesemds op hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde broden op hetzelve eten, een brood der ellende (want in haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen); opdat gij gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland al de dagen uws levens.'
'Brood der ellende'! Treffend beeld van de slavernij in Egypte. En wanneer Israël feest vierde moest dat in de gedachten zijn; dat er verlossing was geweest uit het diensthuis, uit de slavernij. Het brood der ellende moest ter herinnering aan het slavenhuis voortdurend gegeten worden.
Me dunkt dat hier een richtingwijzer gegeven is voor al onze christelijke feesten vandaag. Misschien heb ik hierboven net iets te vanzelfsprekend gesteld dat we over een 'wereldse' viering van het kerstfeest kort kunnen zijn. Want hoeveel wereldse elementen zijn er niet in onze feesten geslopen.
O nee, ik wil bepaald niet afdingen op de uiterlijkheid. Ik herinner nog eens aan Calvijn, die de uiterlijkheid, de uitwendige viering ook noemt om uitdrukking te geven aan de vreugde voor Gods Aangezicht. We kunnen ook zó afdingen op alle uiterlijkheid dat er niets meer van het feest in de viering van de gemeente of binnen de gezinnen overblijft. Maar de vraag is wél of nog de viering voor Gods. Aangezicht centraal staat. Of nog centraal staat de gedachte van de uittocht. Want daar gaat het ten diepte ook nu toch om. Onze christelijke feesten — met nieuwtestamentische duiding en vulling — hebben toch ook alle het centrale element van de bevrijding, de verlossing uit het diensthuis der zonde, uit de slavernij van de wereld aan zich!
Dat is immers ook het centrale van het Kerstgebeuren. God had eeuwige gedachten van vrede voor een ellendig, arm zondaarsvolk.
Daarom werd God mens, daalde Hij in in de schamelheid van ons naakte, menselijke bestaan.
Daarom had Christus gedaante noch heerlijkheid.
Daarom had hij geen plaats om het hoofd op neer te leggen.
Daarom werd Hij door God en mensen verlaten toen de weg, die bij de kribbe begon, omhoog of liever werd doorgetrokken naar het vloekhout der schande.
En verder moest van Hem worden gezegd: gekomen tot het Zijne maar de Zijnen hebben hem niet aangenomen. Geen uitbundige ontvangst toen Hij indaalde in het duister van de wereld. Niet vele rijken, niet vele edelen waren het die hun opwachting maakten bij de geboorte. In ieder geval geen uiterlijk vertoon van pracht en praal.
Wanneer we vandaag dan ook de uiterlijke uitbundigheid zien rondom het kerstgebeuren dan zouden we haast denken dat het vandaag wel anders zou zijn wanneer Christus vandaag in deze wereld zou verschijnen. Hoe zal Ik u ontvangen? Met fraaie koren, rijk en duur uitgedost, met rijk overladen samenkomsten geven we klank en kleur en smaak aan kerst. Maar vergeten we niet al te vaak dat het bij het vieren van onze feesten gaat om het brood der ellende? Waar is de feestvierende menigte, ook de feestvierende gemeente later in de feesten, met Hemelvaart en Pinksteren? Komt dan de realiteit niet openbaar? Naarmate de christelijke feesten vorderen taant de belangstelling. Nee, het is niet anders dan in de dagen van Chritus' komst. De Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Toen Jezus het wonder van de broden deed was de schare er. Maar toen Jezus ging vertellen waarom Hij gekomen was ging men weg. En Jezus zei tot zijn discipelen: wilt gijlieden ook niet weggaan? Alleen zijn echte volgelingen bleven. Die hadden verstaan, al was het vóór kruis en opstanding nog slechts een vermoeden in hun beleving, dat Hij woorden van eeuwig leven had. En zo zal het ook vandaag zijn. De massa viert feest met uiterlijk vertoon. Het echte geloof weet van het feestvieren voor Gods Aangezicht en eet het 'brood der ellende'.
Onthechting
Hoe zullen wij overigens in onze welvaartssamenleving, in onze wegwerp-plastic maatschappij nog op de rechte wijze kerst vieren! Wij verstaan de ontlediging, in de letterlijke afhankelijkheid niet meer. Maar vreugde in God, vreugde voor Gods Aangezicht heeft toch als het goed is iets van onthechting in zich. We hechten van huis uit zeer aan het aardse, aan de dingen van de wereld, die uiteindelijk — naar het woord der Schriften — aan de mot en de roest zijn en worden prijsgegeven. Ze kunnen ons hart overigens niet vervullen. In plaats van hechten zal er in het christenleven iets van ont-hechting moeten, zijn. Dat betekent geen verachting van het aardse leven, in die zin dat we zouden vergeten dat we in de wereld een taak en roeping hebben. Maar het betekent wél, dat een christen leert te bezitten aIs niet bezittende.
Het betekent wél: steeds meer loskomen van hechting aan het aardse.
Het betekent óók heimwee naar de volkomenheid van de viering der verlossing.
Feest vieren voor Gods Aangezicht, niet alleen op de feestdagen, heeft iets in zich van het 'verheugd in God naar waarde nooit te danken'; maar daar behoort de relativering van het aardse (bezit) toch wel bij. Een christen, die niet leert afsterven van bindingen aan de tijd, de wereld, zijn bezit en zijn bezigheden, mist een wezenlijke dimensie in het koninkrijk Gods.
Onze kerstvieringen zijn verre van die onthechting. Ze zijn gestempeld door gehechtheid aan het aardse, met het gevaar dat het hemels perspectief verdwijnt. En toch is het leven een stervend leven en daarom ook voor de christen een af-stervend leven. Onthechting wordt evenwel geleerd op de school van de Heilige Geest. Onthechting wordt geleerd waar we beseffen dat ook in onze feesten het 'brood der ellende' als herinnering meegaat. Zo krijgt pas de verlossing volle glans, diepe klank, is ze bron van echte vreugde. Want als er sprake is van uittocht is er ook uitzicht.
Mensen kunnen bij het ouder worden melancholiek worden. Zulk een melancholie kan puur aards gericht zijn. Dan wordt getreurd om al wat in het leven voorbijgaat. Melancholie is dan letterlijk zwartgalligheid. Deze kan omslaan in verbitterdheid, omdat het leven — zo heet het dan — geen pretje, geen feest is. Sterke gehechtheid aan het aardse en wat men daarvan is kwijtgeraakt kan verkeerd gerichte melancholie opleveren.
Er kan echter ook sprake zijn van inkeer, stille inkeer, gekenmerkt door onthechting en gerichtheid naar de toekomst, naar de eeuwige jeugd. Als God alles in allen is en de vreugde compleet zal zijn.
Kerstfeest en onthechtend leven horen toch helemaal bij elkaar. Zo niet dan is er dunkt me iets mis met onze kerstvieringen. Christus zélf is ons daarin, in zijn schamele geboorte en met een voorloper, die in de woestijn rondliep met een kameelharen mantel, voorgegaan.
Moeten we — want we doen ons niet mooier voor dan we zijn — niet eerlijk bekennen dat een kerk in welvaart en rust alle kans loopt om ook hier het spoor bijster te raken? Daarom, terug naar Deuteronomium 16, naar wat de Schrift ons ten aanzien van de hoge feesten leert. Opdat onze vieringen ook in de uiterlijkheid iets doorstralen van ont-hechting.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's