Ervaring of openbaring
Overwegingen bij het Kerstfeest
Wie wel eens een bezoek gebracht heeft aan de geboortekerk in Bethlehem, staat op een gegeven moment voor een nis, waarheen een trap die afdaalt, toegang verleent. Op de plaats waar Jezus eenmaal geboren zou zijn is een ster op de grond aangebracht. Een zilverachtige ster, die in het halfdonker wat armoedig glanst, geflankeerd door enkele wierookvaten die op dezelfde wijze wat glans verlenen aan de sombere plaats.
Wie denkt dat je hier tot geloof komt, wordt teleurgesteld. De ster en prullaria verhullen een leegte. Wie hier het heil van het heilsfeit zoekt, vindt het niet. Geen blinkende Morgenster, maar een namaak-ster. De plaat is gepoetst.
Is hier het snijpunt van hemel en aarde? Is hier de bron van heil? Nee, hier is slechts leegte. De santekraam van twinkelende lichtjes is een maskerade van de leegte.
De nis in Bethlehem is een beeld voor het kerstfeest zoals veel mensen in 1986 dat beleven. Het is kort gezegd een verhulde leegte. Zij ervaren het heil van de Heiland niet. Hun religie is vorm zonder inhoud. Een naglans die spoedig uitdooft. Met sfeer en kunst of aktie wordt de leegte van hun leven en hun wereld toegedekt en daarmee blootgelegd. Het is leeg in hun hart, in hun gezin, in hun wereld.
Laten we eens proberen in te gaan op de vraag hoe het komt dat het kerstfeest voor de moderne mens zo verworden is.
We gaan ervan uit dat ieder mens heil zoekt. Al weet hij niet wat hij onder heil verstaan moet. Hij zoekt heil als heling van zijn leven. Het leven is stuk, diep in de kern van zijn bestaan.
De mens zoekt daarom heil. Maar de vraag is: waar zoekt hij zijn heil? En op welke manier zoekt hij dat heil? En wat voor heil is dat dan? Het heil dat mensen zoeken, zoeken zij van nature in de aardse werkelijkheid. In het hier en nu. In het meetbare, tastbare, zichtbare. In menselijke denkkaders, in vatbare structuren. In de ervaringswerkelijkheid van de mens. De mens zoekt als een gouddelver koortsachtig naar het heil dat hij kan beheersen. Het heilsfeit moet een empirisch feit zijn. Het heil moet in de nis in Bethlehem te vinden zijn. Maar hier is het heil niet. En zó is het heil niet. Het is onheil. Het is leegte. En waar leegte is sluipt de duivel van de twijfel binnen.
De twijfel wil zichzelf verstoppen. Achter schijn-zekerheden. Daar is bijvoorbeeld de roes als schijnzekerheid. Eten en drinken en vrolijk zijn. Op deze wijze voelt een mens zich tenminste een beetje op zijn gemak. Daar is bijvoorbeeld de mystiek. De vlucht van buiten naar binnen. Mystiek is een geestelijke roes, waarbij wel het gevoel wordt gestreeld, maar niet het hart wordt geheeld. Daar is bijvoorbeeld de aktie. De roep om orde op zaken te stellen in deze wereld. Desnoods met de vuist op tafel. Maar het zijn schijnzekerheden; zij verraden de twijfel. Een volgende generatie schiet er doorheen, als door een muur van papier. Dit eigengezochte en eigengemaakte heil is geen heil. Het is pseudo-heil, schijnheil(igheid).
Het blijft leeg. Het wordt steeds leger. Hier blijkt het echec van de mens die het heil wil vinden in zijn ervaring. Deze mens wordt op den duur óf brutaal óf verbitterd. Brutaal als hij vindt dat God nu maar eens moet tonen wat heil is. Of verbitterd in de klacht dat er nooit vrede zal komen op aarde. Beide leiden tot de wanhoop. De nis in Bethlehem faalt. De nis is een put.
Nee, het heil is niet te vinden in onze ervaring. Het is te vinden in Gods openbaring. Dat wisten we al, zeggen we dan direkt, maar het is niet waar. Er is wat voor nodig om ons tot het inzicht te brengen dat Gods openbaring haaks staat op onze ervaring. Gods heil komt niet binnen ons bereikt door wat wij doen. Gods heilshandelen volgt een andere route. Gods heil bereikt ons langs de weg van het oor dat zich te luisteren legt aan de Openbaring. God bewijst zijn heil niet, maar Hij proklameert zijn heil. En hij doet dat in Zijn Woord. Het heil is er in de gestalte van het Woord. Gods Woord is Zijn spreken en Zijn spreken is het heilscheppend spreken. Daarvoor hoeven we niet naar de nis in Bethlehem, maar naar de kansel in de kerk. Daar komt niet de mens naar God toe, maar daar komt God naar de mens toe. Daar creëert niet de mens het heil, maar schept God het in de proklamatie van Zijn beloften. Het vleesgeworden Woord ligt verklaard in het Schriftgeworden Woord. Daar is het heil hier en nu te vinden. Maar wat voor heil is dat dan? Het is geen streling van ons vlees, maar heling van ons hart. Een heling waarbij de schuldvraag aan de orde komt. Een heling waarbij we ons moeten 'uitkleden', als in de spreekkamer van de dokter. Ons naakte bestaan moet aan het licht gebracht. Daar staat een mens voor God. Existentieel, uniek, strikt persoonlijk, inktzwart door het kwaad, waarmee zijn hoofd, hart en hand is aangetast. Een schuldig, on-heilig zondaar voor zijn God. Maar zo komt het tot heil, tot heling, tot genezing. Ons eigengebouwde huis, wordt afgebroken vanwege de gifgrond waarop het is gebouwd. Al onze deugden, waanwijsheden, menselijke denkbeelden worden gesloopt. En in dat proces van afbraak bouwt God aan Zijn heil. Er wordt een naam zichtbaar in die afbraak. De naam Jezus. Hij zal Zijn volk zaligmaken. Hij legt een nieuw fundament in ons leven. Het fundament van het heilsfeit van Kerst en Kruis. Op dat Kribbe- en Kruis-fundament bouwt God het nieuwe leven. Dat is Zijn heil. Het heil van schuldvergeving, van vrijspraak, van vernieuwing door Woord en Geest.
Wanneer we de vraag stellen hoe mensen in dit heil gaan delen, dan luidt het antwoord: sola fide, door het geloof, dat de Geest van God in de harten werkt. Het geloof is niet de hand die krampachtig zelf het heil wil bewerken, maar de lege, ontledigde hand die het heil ontvangt omdat het geschonken wordt. In het arme, leeghandige geloof klampen we ons vast aan Gods Woord, Gods openbaring, God zelf. Zo eigenen we ons het heil toe. Het heil dat God ons geeft met Zijn hand van de belofte. Geloven in onze tijd, het eind van de twintigste eeuw, is leven in een paradox. Niet zien, soms zelfs niet ervaren, en toch bezitten. Op de wijze van 1 Petrus 1:8: 'Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt'.
Door de trechter van dit paradox-geloof stroomt ons lege leven vol met Gods nabijheid. Immanuel!
Zolang het Vleesgeworden Woord in het Schriftgeworden Woord verkondigd wordt, zo lang is het heil present. En door de toepassing van de Geest wordt het ook nog eens een keer ervaren, als waar bevonden, omdat het zo gevonden wordt waar God mij vindt in Zijn Woord.
Zo ontstaat de hoop. De eigengemaakte ster van Bethlehem wijkt voor de blinkende Morgenster. De morgenster is het signaal van de nieuwe dag. Inderdaad... de dag komt, dat God de duivel schaakmat zet en de 'koning' valt.
Kerstfeest vieren is staan in de spanning tussen Gods eerste zet (Christus' eerste komst) en Gods laatste zet (Christus' wederkomst) op het schaakbord van Zijn geschiedenis. En wij... wij zijn 'lopers', die bewogen worden door Gods hand in de richting van Zijn overwinning.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1986
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's