Grond en grens van het geweten (2)
Zondaar
Om tot ons doel te komen, maken we eerst een omtrekkende beweging: alvorens naar Calvijn's visie op het geweten te vragen, luisteren we eerst naar zijn mening over de mens. Calvijn was geen misanthroop, geen pessimistische mensenhater, zoals hem wel verweten wordt. Het tegendeel is waar: Zijn honderden brieven vormen een monument van zijn bewogenheid met mensen. Maar hij hield zóveel van zijn mensen, dat hij het nooit over zijn hart kon verkrijgen om hen met halve waarheden te vleien. Hij is realist, in een realisme aan de Schrift ontleend. En vanuit deze eerlijke werkelijkheidszin verzwijgt hij de werkelijke stand van zaken der mensen niet. En wie is het anders dan God Zelf die over deze werkelijkheid een Boek opendeed? Dit onthullende Boek, de Heilige Schrift, wil Calvijn dienen en vertolken. Al wat hij óver de mens heeft te zeggen is daarom boodschap tot de mens. Oproep tot zelfkennis, te beoefenen in het dal van de ootmoed! Een zelfkennis die geen theorie, beschouwing, hersenkennis is, maar hartekennis, belijdenis, geloofservaring, als keerzijde van de Gódskennis! En is het, gezien déze intentie, dan liefde of niet, wanneer hij de mens niet spaart en paait, maar eerlijk in al diens ontluistering en ontworteling dagvaardt voor God? Zijn behoud is toch in het geding! In dit diep evangelischbewogen kader staat Calvijn's 'mensbeeld', beter: boeteprediking.
De woorden die hij dan voortdurend hanteert om de toestand van de mens in diens reële, concrete bestaan-na-de-zondeval tot uitdrukking te brengen zijn: perversitas (boosheid), depravatio (verkeerdheid), corruptio (verdorvenheid).
Daarmee bedoelt hij niet, dat de substantie van de mens een slechte zou zijn, alsof de zonde in de geschapen stoffelijkheid en lichamelijkheid als zodanig zou gelegen zijn, maar hij bedoelt (zoals de gebruikte woorden trouwens al laten zien) dat de mens-der-zonde zijn goede scheppingsgaven heeft geperverteerd en geruïneerd. Wij zijn door de misdaad van Adam zo van God vervreemd, dat al onze krachten verdorven en verdraaid zijn. Verstand en rede, wil en oordeelsvermogen, zij zijn volledig verminkt en verbasterd. Waardoor? Door 's mensen afwending en vervreemding van God! God is immers de bron van alle goeds, ja ons leven. Wat rest er dan aan 'leven' en aan 'goeds' wanneer wij God hebben afgeschreven? 'Wij zijn in deze wereld als wandelaars op glad ijs, zonder een vast steunpunt waaraan wij ons rechtop kunnen houden.' Niet slechts onbezonnen, maar zonder verstand, meent Calvijn in gemoede.
Ontdekking
Zelfs m.b.t. de meest verlichte denkers wordt het evident, 'dat er niets uit ons verstand komt wat zeker, vast en klaar is, wanneer wij slechts onze natuurlijke kennis volgen, maar wij blijven gekerkerd in verwarde begrippen'. Totdat de zon der gerechtigheid ons hart en verstand verlicht, ligt ons menselijk vermogen onder een wade van dikke duisternis.
Het is duidelijk dat zo'n duisterling onmogelijk op eigen kracht tot een zuivere, eerlijke beoordeling komt van zichzelf. Met andere woorden: je zelf leren kennen is puur een zaak van ont-dekking!
Zelfkennis welt niet op uit eigen hart. Slechts Eén is hier bevoegd en bij machte om te oordelen. God de Alwetende. En het is dit oordeel Gods dat voor Calvijn beshssend is bij de vraag naar de mens. Zijn interesse is niet filosofisch of psychologisch of sociologisch bepaald, maar strikt theologisch: wat is de mens coram Deo, voor Gods aangezicht? .
En dan luidt het antwoord kort en krachtig: zondaar! En nu kan deze zondaar (en daar gaat het om!) tot dit inzicht en belijden omtrent zichzelf nooit geraken, 'voordat hij Gods aangezicht aanschouwd heeft'! En Gods aangezicht schouwen is: luisteren naar en gehoorzamen aan Zijn Woord! Het is in deze horigheid aan het Woord der waarheid dat de werkelijkheid van ons bestaan ons wordt onthuld.
Duisternis (niet maar: in de duisternis, maar: duisternis!) zijn wij, zolang wij niet door de wekroep van de Vader in de gemeenschap met Christus zijn ingeënt. En zolang onze wil niet is vernieuwd door de Heilige Geest komt er geen goeds uit ons tevoorschijn. Trouwens, ook na deze vernieuwing stamt dat wat goed is, uitsluitend uit God, en niet uit ons!
Dit door genadige ontdekking, geschonken inzicht leert belijden dat ons hart 'een afgrond van gruwelijke verwarring, en de geest van de mens een "boutique" (winkel, kraam) van afgoderij en bijgeloof is, onder de dictatuur van de duivel. 'Wie meent dat hij iets is en te betekenen heeft, die moet de blik maar eens tot God heen richten, dan zal hij terstond bekennen dat hij niets is.'
Onbekwaam
Evenmin als Luther kent ook Calvijn enige 'dispositio', enige geschiktheid voor de genade. Tussen gelovigen en ongelovigen ligt van nature geen enkel onderscheid. Zij hebben allen gezondigd... Zeker, er is algemene openbaring. En er zijn vonken, resten, sporen van het licht van Gods beeld gebleven in de gevallen mens! En Calvijn schroomt niet om te zeggen, dat 'de Zoon van God zich steeds heeft bediend van die nietige restjes aan licht om ons tot Zich te roepen', maar hij haast zich om er aan toe te voegen: 'Doch zonder resultaat, want ofschoon zij ziende zijn, zien zij toch niet, zodat alles wat aan licht gebleven is, verstikt en nutteloos is.'
'Gods genade vermogen wij op geen wijze vóór te komen. Wat wij kunnen, is dit: ons hoe langer hoe meer van Hem verwijderen!' De zondaar komt zijn God niet halverwege tegemoet. Nog geen stap. Het is genade, voor honderd procent genade, die de kloof overbrugt! 'Er is geen mens die als eerste God tegemoet zou kunnen komen. Veelmeer worden wij allen zonder uitzondering uit de bodemloze afgrond van de dood door Zijn grenzeloze genade bevrijd.
En daar, in die afgrond, is geen sprake van Godskennis en verlangen om Hem te dienen en te aanbidden, tenslotte niét eens enig vermoeden van Zijn Waarheid.' Daarom, 'weg met die lieden die beweren dat de mens door een daad van zijn natuur tot het ontvangen van genade wordt voorbereid. Ze konden net zo goed zeggen, dat de doden kunnen gaan'!
Zeer veelbetekenend is in dit verband een uitspraak als deze: 'Of wij weten de grote waarde van de schat die ons in het Evangelie wordt aangeboden niet te waarderen — of, wanneer wij die erkend hebben, dan kunnen wij ons niet indenken dat dat voor ons bestemd zou zijn, want wij vinden in onszelf geen aanknopingspunt, maar louter weerstreven'. Met andere woorden: juist het geloof komt tot het besef dat het geloof geen oorsprong in de mens zelf heeft, maar puur genadegeschenk van Boven is.
Er voert geen weg van onderop naar Boven, noch via het gevoel, noch via het verstand. Héél onze natuur is slechts een bron van ongerechtigheid. Het enige waartoe wij in staat zijn — zolang wij niet door God worden geregeerd — is dwalen, 'zodat er niets verderfelijker is dan zich op eigen wijsheid te verlaten'. Voor Calvijn staat het vast: 'Ieder mens hindert Gods weldaad in die mate waarin hij steunt op zichzelf! Want wanneer wij 'ook maar de geringste kleinigheid aan onszelf toeschrijven, leggen wij daarmee een belemmering in de weg van Gods barmhartigheidsbetoon, waardoor wij toch alléén bestaan'. Uit ons geen vrucht...
Heel de mens in zijn gevallenheid en vervallenheid is 'vlees'. En dat betekent 'niet slechts zinnelijkheid, maar ook gierigheid, jaloezie, ketterij'... Kortom: de mens die als een bloem is afgesneden van zijn wortel. Nog even, en zo'n snijbloem verwelkt en verdort...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1987
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's