Boekbespreking
Johan Negenman, De wording van het Woord. Over ontstaan en verstaan van de bijbel, Turnhout-Kampen, 1986, 383 blz., ƒ 59, 50.
Drs. J.H. Negenman is verbonden aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit in Nijmegen. 'De wording van het Woord' is de neerslag van jarenlange college-en cursusstof op het gebied van bijbelwetenschap. In een overzichtelijk, zeer omvattend geheel biedt deze studie van bijna 500 pagina's een scala aan informatie — en hypothesen! — inzake 'de historie die aan de basis ligt van de bijbel, d.w.z. de ideologische, politieke, economische en sociale factoren, die de bijbel hebben doen ontstaan' (blz. 14). Negenman wil zo inzicht verschaffen in het probleemveld van het ontstaan van de Bijbel 'als tekst én als gezagvol woord'. In een werk dat naar onze ervaring meer leerboek dan leesboek is. Maar dan behoeft ook de aanduiding leerboek nog een heel kritische kanttekening: hier valt te leren hoezeer 'de' moderne Bijbelwetenschap zich verliest in eindeloze beschouwingen en veronderstellingen die een christenmens, althans naar mijn besef, niet dichter bij het Woord brengen, maar die dit Ene heilige en heilzame Godswoord veeleer versnijden en versluieren. Stellig, wie zich tot taak stelt of gesteld ziet, de legio kwesties op dit terrein te bestuderen, vindt hier een boek met een massa instructie. Maar constructief kan ik het niet vinden.
Een niet gering aantal opvattingen van de auteur verdienen vanuit reformatorisch Schriftverstaan pertinente tegenspraak. Om maar enkele voorbeelden te geven: dat de Bijbel geen stenografisch verslag of documentaire biedt van Gods handelen en spreken wisten we al, maar om te volstaan met te zeggen, dat in de Bijbel daarentegen 'beschreven staat hoe Israël en de oerkerk ervaren hebben, dat God gehandeld en gesproken heeft' (blz. 12, vgl. 35) is o.i. een reducerende versimpeling en subjectivering die niet aangaat en die onheil sticht. Hetzelfde verwijt moet de term 'tijdgebonden' treffen. De constructies inzake het ontstaan van Israël zijn louter hypothetisch. Idem aangaande vele zaken uit het leven van Jezus. Waarom de brieven van Jakobus, Petrus en Judas van 'onbekende auteurs uit de derde generatie' zijn(!), nu 'vele bijbelgeleerden' dat menen, wordt niet duidelijk gemaakt. Kortom, de schrijver is me te naïef-goedgelovig (in-)gesteld op de moderne bijbelwetenschap. Vanwaar toch deze selectieve goedgelovigheid? De pretentie dat dit boek 'basis voor de exegese' zou zijn, moet ik bestrijden (blz. 14). De exegese heeft maar één basis: Er staat geschreven! Met alle respect voor de brede studiezin en het volle pakket vakmatige kennis dat de auteur bezit en uitpakt, moet ik toch eerlijk zeggen dat m.i. het verstaan van de Bijbel hiermee niet is gediend.
A. de Reuver
Carla van Lichtenburcht, Willeke Bezemer en Woet Gianotten, redactie — Verder na incest — Hulpverlening bij het verwerken van incestervaringen, uitg. Ambo-Baarn, 176 blz., ƒ 25, —.
Wie zich nader wil verdiepen in de problematiek rond incest, doet er goed aan dit boek te raadplegen. Dit boek komt niet uit de kring van de christelijke hulpverlening. Er moet dan ook kritisch gelezen worden, zeker ook wanneer Annie Imbens-Fransen schrijft over 'problemen met religieuze achtergrond'. Zij maakt te weinig onderscheid tussen de bijbelse visie op de man-vrouw verhouding enerzijds en caricaturen daarvan in de praktijk anderzijds. Maar terecht wordt er in dit boekje op gewezen dat autoritaire verhoudingen in gezinsverband tot sexuele ontsporingen kunnen leiden. Vele casus, vele 'verhalen' worden in dit boek aangegeven, maar op een waardige, niet sensationele of grove manier. Het is een instructief werk.
J. Hoek
C. J. den Heyer, Marcus II, Tekst en toelichting, 170 blz., ƒ25, 50. Kok, Kampen, 1985.
Vrij snel na de verschijning van deel 1 verscheen het tweede deel van deze verklaring over Marcus 8 : 27 tot en met 16 : 8. Dat laat zien dat de auteur met velen er vanuit gaat, dat de verzen 9-20 niet van Marcus afkomstig zijn. De auteur moge voor zijn opvatting goede argumenten hebben, daarom is het nog wel te betreuren — en m.i. ook onjuist — dat hij afziet van vertaling en verklaring van deze verzen. Ook de vertaling van het NBG heeft deze perikoop opgenomen en geeft door vierkante haken aan, dat de tekstoverlevering voor vragen stelt. In een toelichting voor de niet-vakman, de gewone bijbellezer, had een bespreking van dit gedeelte niet mogen ontbreken.
Overigens biedt ook dit commentaar weer veel gegevens. Ik maakte bij de voorbereiding van een preek over de verheerlijking op de berg er dankbaar gebruik van. Terecht wijst Den Heijer op de centrale betekenis van 10 : 45: Hij, die dient, offert zich zelf op voor de velen. Bij het moeilijk te verklaren vers 13 van Marcus 11 wijst de auteur op de heilshistorische betekenis. De vijgeboom is symbool van die mensen, die alleen rekening houden met hun eigen tijd en geen oog hebben voor de 'tekenen der tijden', niet gericht zijn op de komst van het messiaanse rijk. De natuur mag er niet aan toe zijn, in het messiaanse rijk geldt een andere tijdrekening. Minder bevredigde mij zijn verklaring van het scheuren van het voorhangsel. Ik zou er toch aan vast willen houden dat hier gedoeld wordt op het einde van de offercultus, nu het grote offer gebracht is. Ten aanzien van de zonsverduistering op Golgotha worden m.i. verkondiging en historiciteit tegen elkaar uitgespeeld. Tenslotte nog een opmerking: Het zal wel eigentijds zijn, maar ik kan er zelf allerminst aan wennen als de belijdenis van Petrus wordt weergegeven met: Jij bent de Messias'. Christus en Petrus zijn toch geen partners op gelijk niveau. Dag mag m.i. in de persoonlijke voornaamwoorden best uitkomen. Voor prediking en voorbereiding voor bijbelstudiekringen vormt ook dit deel een goede bijdrage. Aan het slot wijst de schrijver op de aktualiteit van Marcus' getuigenis aangaande Jezus, juist in onze tijd met zijn sterke nadruk op lijden en navolging.
A.N.
Feministisch-theologische teksten; gekozen en ingeleid door Denise Dijk, Fokkelien van Dijk-Hemmes en Catharina J. M. Halkes; Sleutelteksten, deel 2; omvang 160 blz.; prijs ƒ 27, 50.
In de serie 'Sleutelteksten in godsdienst en theologie' verscheen onlangs als werk- en studieboek het tweede deel 'Feministisch-theologische teksten', volgend op teksten van Karl Barth en voorafgaande aan teksten van Johnannes Calvijn. De feministische theologie is kennelijk haar eerste verkennende fase voorbij, heeft zich gevestigd en een plaats(je) veroverd aan hogescholen en faculteiten. Het theologisch onderzoek vanuit feministisch perspectief krijgt — zo wordt gesteld — verdieping en uitbreiding. Het zou de theologie nieuwe impulsen geven met een uitstraling naar kerk en maatschappij.
Na een algemene inleiding op deze verzameling van nederlandse en noordamerikaanse teksten wordt een periode van vijftien jaren van feministisch theologiseren vanuit vier invalshoeken belicht: ervaring, exegese, gods- en mensbeeld en vrouw-en-kerk. De ervaring overwoekert kennelijk de openbaring. De bijbel wordt niet als gezagsbron gezien, maar als een verzameling mythische verhalen die kritisch gelezen moeten worden. Er wordt gesproken over de worsteling met God, waarna hij nieuwe namen krijgt. Oplossingen worden aangedragen in een herinterpretatie van het mannelijk godsbeeld, in een inclusief of neutraal taalgebruik, in het plaatsen van vrouwelijke beelden naast het mannelijke godsbeeld. Een enkeling noemt de godin naast God. Gesneden beelden van eigen makelij, zo komt dit bij me over. Vrouwen stellen kritische vragen aangaande de toelating tot de ambten, de leer van de kerk, de geloofsgemeenschap en de vormgeving van de vieringen, de liturgie voor de samenkomsten van de gemeente. Voor dergelijke belangrijke vragen mag zeker ruimte zijn, maar welk criterium hanteren wij voor het oplossen van dergelijke vragen? Als dat ons aller ervaring is dan ligt een Babylonische spraakverwarring voor de hand. Als dat evenwel Gods Openbaring is, dan gaan we met nieuwe ogen het nieuw Jeruzalem als Vrouw van het Lam bezien én ook als moederstad, gefundeerd op de leer van de twaalf apostelen. Mannennamen staan op de fundamenten en op de poorten, maar de stad als geheel is vrouwelijk in het Lam, de hemelse Bruidegom. Wie daarover theologiseert ervaart een feministische theologie als veel te eng, als bevat zij waarheidselementen voorzover de plaats van de vrouw is ondergewaardeerd. Over ervaring gesproken...
C. van Sliedregt
Geen onrecht in God gevonden, onder redeactie van 'De vriend van Oud en Jong', J. J. Groen en Zoon, Leiden, 1986, 188 blz.
Dit boek biedt een verklaring van de Dordtse Leerregels. De naam van de schrijver is opzettelijk geheim gehouden. De uitgevers zeggen in hun 'Ten Geleide', dat de lezers dit zullen 'begrijpen en waarderen'. Welnu, wat mij betreft ik kan het niet waarderen. Het kiekeboe-spelen ligt mij niet. Kom er eerlijk en rond voor uit wie je bent! Ook als uitgevers zijn wij verantwoordeling schuldig aan ons lezerspubliek, ongeacht of het ons abonnees kost of niet.
Wat het boek zelf betreft: natuurlijk neemt de schrijver toch een bepaalde positie in. Over het algemeen genomen kan ik die positie ook wel delen. Terecht wordt door hem de dubbele predestinatie gehandhaafd. Alleen, dat zou meer betekenis hebben gekregen als de schrijver de confrontatie was aangegaan met allerlei nieuwere opvattingen over deze zaak. De schrijver blijft echter steken bij de remonstranten in de 17e eeuw en vergenoegt zich ermee af en toe uit te halen naar 'onze tijd', wat natuurlijk slechts een vage uitdrukking is. Opmerkelijk is dat hij geheel laat rusten, dat de Dordtse vaderen nadrukkelijk verworpen hebben, nl. in hun Besluit, dat de verwerping 'op gelijke wijze' de oorzaak is der ongelovigheid en goddeloosheid, gelijk de verkiezing de oorzaak des geloofs en der goede werken is. Toch is dat een zwaarwegende uitspraak. Soms constateerde ik bij de schrijver een hinken op twee gedachten. Onder andere in zijn uitleg van DL II.V., waar de Dordtse vaderen nadrukkelijk leren dat de belofte van het evangelie allen zonder onderscheid gepreekt moet worden, met bevel van bekering en geloof. Eerst zegt de schrijver: het is algemeen, dus voor iedereen, maar een paar regels verderop maakt hij de evangelieprediking tóch weer voorwaardelijk. Hij doet dat laatste door het woordje 'bevel' op te vatten als wet, en zo haspelt hij wet en evangelie door elkaar. De oproep tot geloof wordt dan een bevel in die zin, dat zij ons onze onmacht moet leren; maar daarmee is de eigenlijke spits van deze oproep afgebroken. Nee, de oproep tot geloof is wel naar de vorm een gebod, een bevel, maar naar zijn inhoud puur evangelie. Een voorwaardelijke evangelieprediking is geen evangelieprediking meer!
De tweeslachtigheid vind ik ook in wat de schrijver zegt over het genadeverbond. Bij de uitleg van de DL. I.XVII laat de schrijver de zaligheid der jong gestorven christenkinderen rusten op het geloof en de godzaligheid van de ouders. Maar dat is een totale misvatting van wat de Dordtse vaderen hebben bedoeld. Die waren geen religieuze subjectivisten. Op niets anders dan op het genadeverbond rust deze zaligheid. Als er staat 'gelovige ouders' mag men dat niet in subjectivistische zin opvatten, in onze belijdenisgeschriften en formulieren oordeelt men niet over de harten, dat is men pas later gaan doen, maar worden voor 'gelovigen' gehouden degenen die als leden der kerk hun geloof hebben beleden en er naar leven. Zo vindt men het ook bij Calvijn in Institutie IV.1.8. De schrijver van dit boek moet ook maar eens goed lezen en op zich laten inwerken wat er staat in het Besluit, nl. dat door de Dordtse vaderen met diepe verontwaardiging is afgewezen 'dat vele onnozele kinderen der gelovigen van de borsten der moeders worden afgerukt en op ene tyrahnieke wijze in het helse vuur worden geworpen, alzo dat hun noch het bloed van Christus baten kan, noch de doop, noch het gebed der gemeente bij de doop. Tot slot, de schrijver vat het woord 'heilig' als het gaat over de kinderen des verbonds op als 'apart gezet'. Maar dat stelt naar mijn gevoelen nauwelijks iets voor. Het is heilig in Christus en dat is een bijbelse term met vérstrekkende betekenis. In het Doopsformulier staat dat de kinderen tot het rijk van God behoren en er staat: Tot Uw kinderen aangenomen. Kortom, ik kan dit boek aanbevelen, maar wel met enige reserves.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's