De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis en eigentijds belijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis en eigentijds belijden

17 minuten leestijd

Wie iets wil zeggen over Belijdenis en belijden zal zich ervan bewust moeten zijn dat hij hierover niet het eerste en zeker ook niet het laatste woord zal zeggen. Vele malen is gepoogd de belijdenis van de kerk der eeuwen gestalte te geven in een eigentijds verstaan daarvan door een actueel belijden. Het is steeds de vraag of de belijdenis van de kerk, waarbij de opstellers geen enkele notie hadden van de immense problemen die wij nu kennen, genoegzaam is om de vragen van deze tijd te beantwoorden. Wie zal daarop het verlossende woord kunnen spreken.

Zoals ik al zei: het is niet voor het eerst dat er gesproken wordt over belijdenis en belijden. Altijd is de binding aan de belijdenis van de kerk een aangevochten zaak geweest en heeft het handhaven van deze belijdenis weinig weerklank gevonden in de kerk. Ook in eigen kring hebben we te waken voor de vraag of wij de belijdenis nog wel in haar geheel voor onze rekening kunnen nemen, zoals dit in het verleden gedaan is. Is het toch niet nodig die oude belijdenis op de helling te zetten en haar in een nieuwe versie te verwoorden en dan zo dat zij ook de moderne mens aanspreekt? Is het ook niet gewenst dat de kerk zich in een belijdenis uitspreekt over de vragen van deze tijd? Op deze wijze kan er een dringender appèl gedaan worden op hen die verbonden willen blijven aan de kerk en ook aan de Gereformeerde Bond. Is het onze roeping niet juist tegenover de jongeren, die heen en weer geslingerd worden door de vele veranderingen in de kerk en de samenleving, de weg te wijzen en houvast te geven door een eigentijds belijden? Wat is er op tegen om datgene, wat in het verleden verwoord werd, vandaag bij te stellen en vooral ook aan te vullen met een nieuwe belijdenis? Daarbij kan de oude belijdenis blijven staan als de stam, die diep geworteld is in het verleden, maar die nu nieuwe loten krijgt. Om al deze vragen te beantwoorden moet één ding voorop staan. De kerk moet kerk blijven, het belijden belijdenis van het geloof.

Waarmee de kerk staat of valt

Staat of valt de kerk nu wezenlijk met het wel of niet vasthouden aan het oude? Ik denk daarbij aan een paar uitspraken die er gedaan zijn voor, op en na de Combi-Synode, waarop de beslissing viel dat de Herv. Kerk en de Ger. Kerken in staat van hereniging zijn. Ik noem dan twee uitspraken van dr. J. M. Vlijm. 'Als je een diepere zekerheid gevonden hebt, deert het je niet of bepaalde dingen waar zijn of niet waar zijn'. De tweede uitspraak is: 'Je geloof staat of valt niet met de wetenschap dat alles wat in de Bijbel staat van kaft tot kaft waar is'.

In de voortgang van het proces Samen op Weg zullen wij steeds meer op zulke uitspraken bedacht moeten zijn en hierop indringender bevraagd worden. Staat of valt de kerk als zulke stellingen gehonoreerd worden? Staat of valt het geloof als wij deze uitspraken bijvallen? Moeten we dit verstaan als het actueel belijden?

Niets nieuws

Nu weten wij als Hervormd-Gereformeerden dat zulke uitingen in onze kerk niet vreemd zijn. We hebben ze in allerlei toonaarden steeds gehoord. Wat dat betreft is er voor ons niets nieuws onder de zon. Waar ging het om bij het vaststellen van art. X van de nieuwe kerkorde in de worsteling over 'in gemeenschap met' of 'in overeenstemming met'? Ik kan ook verwijzen naar de 'gedachtenwisseling' die er destijds geweest is tussen ds. G. Boer en dr. H. Berkhof. Het was toen al dringend nodig deze zaken in het openbaar aan de orde te stellen. Het was ook mogelijk, omdat men naar elkaar luisterde. Of om een recent voorbeeld te noemen. Toen het thema voor deze opening van de concio al vast stond verscheen er in de Waarheidsvriend van 18 december een gedachtenwisseling tussen prof. dr. H. W. de Knijff en ir. J. v. d. Graaf over deze zelfde vragen. Het ging over een opmerking van De Knijff, gemaakt in verband met Samen op Weg. Een bewijs dat deze zaken door heel het gebeuren van Samen op Weg opnieuw aan de orde komen. Voor ons zijn deze discussies niet vreemd. Als er dan ook maar naar elkaar geluisterd wordt. Dat is ook de bedoeling van De Knijff. Hij eindigt zijn overwegingen met te zeggen: 'Ik besef heel wel dat de problemen, als men aan het echte gesprek begint, niet zomaar op te lossen zijn. Maar wij zouden toch verder komen, als wij beter naar elkaar luisteren'.

Serieus nemen

Nu denk ik niet dat we elkaar ooit zullen overtuigen, maar het is wel nodig elkaar serieus te nemen.

Dat laatste, elkaar serieus nemen, zou in de toekomst wel eens anders kunnen worden als we letten op de uitspraak van de praeses van de Synode van de Gereformeerde Kerken, dr. H. J. Kouwenhoven: 'Soms verdienen de Gereformeerde Bonders het niet serieus genomen te worden'. Of die van ds. H. Hasper: 'Ik word er moe van steeds maar weer beschuldigd te worden van ontrouw aan Schrift en Belijdenis'. Zulke uitspraken, die ik wèl serieus neem, zijn voor ons. Hervormden, vreemd. Bij alle scherpe discussies, die er soms gevoerd worden, zijn wij niet gewend zo met elkaar om te gaan. Wij weten in ieder geval wat ons in de toekomst te wachten staat zolang wij betrokken blijven bij de voortgang van Samen op Weg. We zullen ons daarom te meer moeten bedenken welke plaats de belijdenis van kerk heeft in deze tijd. En dan niet alleen voor hen, die vertwijfeld staan op de grenzen en flanken van de kerk, maar ook voor hen die zo zelfverzekerd staan binnen de kerk.

Wij moeten beginnen bij die dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben. Beter nog: die volkomen zeker zijn. Die buiten ons om volkomen zeker zijn. Ook zeker voor de tijd, waarin wij nu leven met de dreigende vervuiling van de natuur en verwording van de cultuur, de ontwaardiging van de natuurlijke waarden van de aarde en de zee en van de geestelijke waarden van de mensheid. Het gaat om dat wat hecht en vast is buiten ons. Zelfs om dat wat vast stond voor er ook maar enig belijdenisgeschrift werd opgesteld. Dat alleen kan de bron zijn van de belijdenis, de maatstaf van het belijden en het richtsnoer voor het leven.

We belijden dat dit niets meer of minder kan zijn dan Gods Woord.

De waardevastheid van Gods Woord

Het Woord van God blijft door de tijd heen hetzelfde en heeft voor elke tijd hetzelfde gezag als het van de beginne heeft gehad. Ook al weten wij ons in dit belijden gesteund door de art. 4-7 van de N. G. B., toch hebben wij die belijdenis niet nodig om dit te weten en te geloven. Hier is de Schrift haar eigen getuigenis en verdedigt zichzelf. Wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is. Wij doen goed daar op te letten en daarvan uit te gaan.

Verder is de kanon afgesloten. Wij hebben ons ook daarvoor te houden aan het zelfgetuigenis van de Schrift: 'Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden des boeks der profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens'. Er is geen voortgaande, openbaring. Dat is wat anders dan een voortgaande leiding des Heeren door alle tijden heen en voor alle tijden. Gods Woord echter is genoegzaam om de gelovigen aller tijden te doen leven door het geloof, in leer en leven. Dat is geen zaak van gereformeerd belijden, maar van bijbels getuigenis.

Niet alles weten, of nog niet alles weten van wat er in de Schrift staat, is totaal iets anders dan: niet alles voor waar houden van wat er in de Schrift staat. Wat heeft de hoofdman over honderd geweten van al wat er in de Schriften van het O.T. stond? Wat weet een kind van bijv. 9 jaar, dat sterven gaat en belijdt te geloven in de Heere Jezus als zijn of haar Heiland en Verlosser? Het brandpunt van het geloven tot zaligheid is altijd nog het geloof in de Drieënige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Bovendien, er zijn en blijven verborgenheden in de Schrift, die pas geopenbaard zullen worden als Christus wederkomt.

We moeten ons er voor hoeden deze verborgenheden te willen doorgronden buiten de Schrift om. Wel hebben we te bedenken dat zij verstaan kunnen worden door de tekenen der tijden.

Er is ook een groeien in de kennis van het geloof in het profetische Woord door de leiding van de Heilige Geest, een toenemen in de stukken van het geloof.

Maar het omgaan met de Schrift zal toch altijd moeten staan onder het getuigenis van de Schrift zelf: 'Geen profetie is van eigen uitlegging, want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken'. De Schrift blijft zo de bron van geloof en leven. 'Geen instantie naast de Schrift, geen gezaghebbend orgaan buiten de Schrift hoeft er zorg voor te dragen dat de Schrift aan haar gezag komt' (ds. J. Maasland in een artikel 'Het Zelfgetuigenis van de Schrift').

Voortgang van de Belijdenis?

We kennen allen wel de bekende drieslag. De belijdenis is: een lied om te zingen, een staf om te gaan en een stok om te slaan; het getuigenis van de waarheid in het totale leven; samenvatting van de heilige leer; handhaving van de waarheid. Wat betreft de Drie Formulieren van Enigheid kan men ook zeggen. In de N.G.B, belijdt de kerk wat zij gelooft; in de Heidelberger Catechismus onderwijst de kerk wat zij gelooft en in de Dordtse Leerregels bestrijdt de kerk wat haar geloven weerspreekt. Belijdenissen hebben altijd betrekking gehad op leer en leven. Het is geen gestolde waarheid, maar levend getuigenis.

In het O.T. vinden we de kernbelijdenis van het volk Israël in Deut. 6 vers 4: 'Hoor Israël, de Heere uw God is een Enig Heere'. Dat is geen statisch belijden, maar een actueel belijden. Direct daarop volgt 'Gij zult de Heere uw God, liefhebben met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen'. Deze belijdenis is ook niet aan een bepaalde tijd gebonden. Israël moet deze woorden hun kinderen inscherpen en daarvan spreken.

In het N.T. groeit de belijdenis uit in de levende ontmoeting met Christus tot het belijden van Petrus: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God'. Grosheide merkt op: 'Vergelijken wij deze belijdenis van Petrus met zijn eerste belijdenis van de Messias, dan is er voortgang. De eerste belijdenis was goed, maar er werd nog niet ten volle doorzien, wat zij inhield. Dit is de volledige, weloverwogen Messiasbelijdenis'. Ook in deze belijdenis wordt al weersproken wat het waarachtig geloven in Christus tegenspreekt. Want sommigen zeiden: Hij is Elia.

Na de afsluiting van de kanon is er ook een voortgaand belijden. Het Apostolicum, de Belijdenis van Nicea en van Athanasius. Steeds om concrete dwalingen te weerleggen. Tegelijk wordt zo steeds rijker en voller gesproken over de inhoud van het geloof. Naarmate de kerkgeschiedenis voortgaat wordt het belijden uitvoeriger. Niet omdat men in de loop van de geschiedenis, de voortschrijding van de tijd, steeds meer van de wezenlijke inhoud van het geloof leerde kennen, maar omdat er steeds meer dwalingen inslopen in de kerk. De wezenlijke inhoud van het geloof bleef gelijk. Het Apostolicum dijde uit door die van Nicea en Athanasius naar de Belijdenisgeschriften. Deze zijn niet een 'meer naar het geloven' maar een verdere uitwerking naar buiten, tot afgrenzing van het belijden en bescherming tegen dwalingen. Geen boeien om te binden, maar wel een handvat om het schild des geloofs te hanteren. Wel een handgreep om het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, stevig vast te houden. Er is dus een voortgaand belijden. Wat dat aangaat mogen we nooit zeggen wat van de Heilige Schrift gezegd moet en kan worden: de kanon is afgesloten. De belijdenis is een voortgaand belijden. De vraag dringt zich nu wel op of een voortgaand belijden hetzelfde is als wat wij nu verstaan onder een actueel belijden.

Wat is actueel belijden?

We verstaan daaronder dat de kerk belijdend ingaat op de vragen van de tijd. In de voortgang van de geschiedenis komen er telkens nieuwe vragen. Vragen die ons gesteld worden vanuit de tijd waarin men leeft. Vragen ook waarvan wij mogen geloven dat de Heilige Geest de kerk kan en zal leiden, om er antwoord op te geven. God doet ons leven in het heden. Hij zet de kerk midden in de wereld. Christus bidt om deze kerk niet uit de wereld weg te nemen maar haar te bewaren voor de boze. Hij roept daarbij wel op de tekenen der tijden waar te nemen. En de vragen, die ons vanuit de wereld en het wereldgebeuren gesteld worden, hebben alles te maken met de tekenen der tijden. Eigentijdse tekenen roepen eigentijdse vragen op. Wij leven in een tijd waarin de cultuur godlozer wordt, de moderne wetenschap steeds verder af komt te staan van de ethische normen van Gods Woord, dat technische ontwikkelingen steeds meer over ons heen komen als onweerstaanbare machten. Mogelijkheden op medisch gebied werpen ons terug op de immense vragen naar het begin, de oorsprong van het leven en naar het einde van het Ieven. Wij kunnen deze vragen niet verbergen. Verschillenden van ons zijn er mee bezig geweest en zijn er nog mee bezig. Ze worden ons opgedrongen omdat wij in deze tijd leven en wij ook de verantwoordelijkheid hebben voor de jongeren in de toekomst.

Zijn we dan klaar als we ons beperken tot de grootste levensvraag aller tijden: hoe vind ik een genadig God? Ben ik dan aan het eind van mijn belijden als ik belijd te geloven in Christus Jezus gerechtvaardig te zijn? Zeker dat is de kernvraag: Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven? Maar daar staat dan het leven nog voorop. Alles wat gezegd en beleden wordt in de kerk zal hiervan uit moeten gaan. Voortgaand belijden zal en kan nooit in strijd mogen zijn met de voorgaande belijdenis. Het is en blijft altijd 'een belijdenis met de kerk van alle tijden en plaatsen'.

De uitdrukking 'dynamisch belijden' is dan ook ondeugdelijk omdat daarin de tendens zit nu anders te belijden dan in vorige eeuwen.

Maar hoe dan om te gaan met de immense vragen van deze tijd? Betekent actueel belijden dat wij op alles een antwoord, een adequaat antwoord moeten kunnen geven? Ik kan mij vergissen, maar als ik de belijdenisgeschriften, de algemene en de reformatorische doorlees, vind ik daarin geen direct ingaan op de vragen van het cultuurpatroon van die tijd. Ook in de tijd van de Reformatie waren er sociale misstanden. Denk maar aan de Boerenopstand in de tijd van Luther. Wat zeggen daar de artikelen van de N.G.B. over? Wel vinden we in de Heidelberger Catechismus, het leerboek van de kerk, eigentijdse vragen, die beantwoord worden bij de behandeling van de Wet des Heeren. Hier is tenvolle de ruimte en de roeping om actueel te belijden. Wie preekt over zondag 40 bijv. ontkomt er niet aan om de ethische vragen rondom abortus en euthanasie te beantwoorden, vanuit Gods Woord, aan de hand van de belijdenis van de kerk.

Zo zijn er nog tal van voorbeelden te noemen. Actueel preken is actueel belijden. Daar behoeft de belijdenis niet voor bijgesteld te worden. Ik zou dit willen noemen de voortgaande leiding van de Heilige Geest. Maar die bindt ons aan geen ander Godsbeeld en aan geen ander mensbeeld dan de Schrift doet. En juist deze grondwaarheden vinden we uitvoerig terug in de bestaande belijdenis van de kerk. Bij alle veranderingen van de tijd en de tijdsbeelden blijft toch zeker en vast: Ik de Heere word niet veranderd.

Moet de kerk op alle vragen een antwoord kunnen geven?

Men denkt wel eens dat de kerk op alle vragen, die haar gesteld worden, een antwoord moet kunnen geven om hen, die op de grenzen van de kerk leven, te behouden en hen, die over de grenzen van de kerk leven, opnieuw te kunnen binden. Ik vraag mij af of dit haar roeping is. 'Wereldmijding' en 'wordt deze wereld niet gelijkvormig' kunnen dicht bij elkaar liggen. Maar hoe moeten we tussen deze beide als christenen leven? Wat moeten we verstaan onder de profetie van Johannes 'dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal zijns naams'? Ik zeg niet dat dit nu juist voor deze tijd geldt. Maar kan er niet een tijd komen dat de kerk zich zo zal moeten terug trekken uit het 'wereldgebeuren', dat zij geen antwoord meer kan geven? Moeten wij ons tot het eind der dagen laten bevragen over alles wat ons vanuit een godloze cultuur wordt opgedrongen? Moeten wij op alles ingaan uit vrees dat anders het geloof in de Drieënige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, niet waarachtig zou zijn? Stellen wij zo het geloof niet onder de beproeving, een beproeving waarvan het de vraag wel eens mag zijn of God ons hierin beproeven wil? Is het misschien toch onze hoogmoed dat we niet durven en willen erkennen dat God op bepaalde ogenblikken zwijgt in Zijn Woord, in de geschiedenis van het volk Israël? En wie spraken er toen onder de profeten?

Ik weet dat we daar voorzichtig mee moeten zijn. Dat geldt beslist niet voor elke concrete ontwikkeling, of voor ieder verschijnsel, iedere dwaling of zaak, die nooit eerder aan de orde is geweest. De Barmer Thesen zijn daar een duidelijk voorbeeld van. Maar hoe wijd zijn die verspreid en hoe lang werken ze door? Zij waren gericht tegen de geest van die tijd en waren als zodanig een profetisch spreken van de kerk. Maar zou men ze daarom toe kunnen voegen aan de bestaande belijdenisgeschriften? Moeten we dan niet veeleer gaan denken aan bijv. het Getuigenis (1971) dat ook een profetisch spreken was tegen de geest van de na-oorlogse tijd. Juist met het oog op dat Getuigenis doet zich dan de vraag voor of heel de kerk hier achter staat en ieder dit zag als een geloofsbelijdenis van de kerk. Als dit Getuigenis Synodaal bekrachtigd zou zijn geworden dan zou dat een zegen zijn geweest. Toch hebben de opstellers daarvan niet de pretentie gehad hierdoor een aanvulling te geven op de belijdenisgeschriften, maar veeleer een oproep daarnaar terug te gaan.

Tenslotte zou een nieuwe belijdenis alleen kunnen ontstaan als er in heel de kerk hierover overeenstemming zou zijn. En dan bedoel ik niet alleen de Hervormde Kerk, maar het geheel van kerken in ons land. Ieder weet dan tegelijk dat dit een utopie is, al zullen we in geloof, hoop en liefde anders moeten verwachten.

Hoe kan de kerk dan spreken, anders dan door haar belijdenis? De enige juiste weg is die van een herderlijk schrijven, waarin de kerk verwoordt wat Gods Woord, dat aan geen tijd gebonden is, ons heeft te zeggen in deze moderne tijd. Zo zal zij openlijk moeten en kunnen ingaan op de vragen van deze tijd vanuit het grondpatroon van de confessie. Zo ook kan en zal zij gehoor geven aan haar profetische roeping. Maar dan ook alleen als zij weet dat in haar spreken doorklinkt: Zo zegt de Heere.

(Openingswoord op predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond op woensdag 7 januari te Zeist.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Belijdenis en eigentijds belijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's