De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Grond en grens van het geweten (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grond en grens van het geweten (3)

7 minuten leestijd

Schuldig conflict

Voor Calvijn staat het vast: 'Verstand en gevoel, onze hele innerlijke bestaanswijze is bevlekt'. En dit niet als lot. Hoe fataal en ongelukkig de zondeval ook was, deze was geen noodlot en geen ongeval. De zonde van Adam en alle Adamskinderen is geen onvermijdelijke schikking van het lot. Hoezeer Calvijn ook ernst gemaakt heeft met de erfzonde waarin een ieder mens geboren wordt, hij dacht er niet aan om daarin enige verontschuldiging te zien. Integendeel. De zonde als daad èn als situatie is schuld. En zij bestaat niet maar in een noodlottige afstand tussen mens en God, maar in rebelse opstand tegen God. Breuk, schuldig conflict. Zonde is diep verzet tegen God. Een weerstreven van Zijn wil. Zijn gebod. Zijn zeggenschap, en daarom afkeer van God Zelf. En zoals Luther eens zei, dat wij van nature liever niet willen dat God er is, omdat wij zélf liever god zijn, zo zegt Calvijn in dezelfde geest: 'Zolang God Zich niet aan ons openbaart, bedenken wij niet dat wij mensen zijn. Wij denken nl. dat wij goden zijn. Wanneer wij echter God aanschouwd hebben, beginnen wij te gevoelen en te erkennen wat wij zijn. Hieruit ontspringt de echte deemoed, die daarin bestaat dat de mens geen aanspraak meer maakt op enig ding alsof het van zichzelf zou zijn, maar zich geheel en al op God verlaat'.

Een mens die zich grondt op zichzelf, zijn eigen 'vrije' geweten incluis, kan nimmer Gods goedkeuring wegdragen. 

Integendeel, die draagt Zijn óórdeel! Wie zich van God emancipeert en als eigenmachtige soeverein opwerpt, vindt vroeg of laat de Enige Soeverein tegenover zich. God toornt èn roept de zondaar ter verantwoording, omdat hij schuldig staat en 'toerekeningsvatbaar' is. En om alle roem in onszelf uit te sluiten, 'slingert de Heilige Geest met grote heftigheid Zijn bliksems ('fulmineert', zegt Calvijn eigenlijk), om onze hoogmoed ter aarde te werpen'. God sloopt zo heel onze verbeelding en voert ons tot onvoorwaardelijke capitulatie. 'Want Hij is er niet mee tevreden onze Rechter te zijn en ons te veroordelen, maar Hij wil dat het volk ook zal antwoorden met Amen, dat wil zeggen, dat een ieder zijn ongelijk erkent, en belijdt, dat Zijn vonnis billijk en rechtvaardig is.'

Wie voor Hem déze knieval maakt, komt tot zichzelf, geraakt tot zelfkennis.

'Hoe meer men immers door het bewustzijn van zijn ellende, armoede, naaktheid en schande terneergeslagen en terneergeworpen is, des te groter vordering heeft men gemaakt in de zelfkennis.'

Dat is nu Calvijn's zelf-bewustzijn! Een mens kan zichzelf niet nóg zo weinig aanmatigen boven wat hem toekomt, of hij richt zichzelf te gronde door ijdele vermetelheid. En zo komt hij schuldig te staan aan grove heiligschennis, doordat hij de goddelijke eer aan zichzelf trekt...

Hiermee is het conflict begonnen: met onze emancipatie, onze zucht naar mondigheid. En tot al degenen die iets willen hebben of betekenen los-van-God, aarzelt Calvijn niet te zeggen: bedenk dan dat die lust ons door geen andere raadsman ingegeven wordt dan door degene die onze eerste ouders er toe gebracht heeft om te willen zijn als goden! Voor deze zelfgenoegzaamheid heeft God maar één oordeel: vervloekt! 'Wij kunnen slechts tot God gaan als... bedelaars'!

Gods beeld

Maar als een mens-op-zich nu zo minimaal te beduiden heeft, hoe staat het dan met de (reeds eerder genoemde) resten van Gods beeld? Wel, die zijn er. Calvijn zal zich dan ook, hoe kritisch zijn oordeel ook uitvalt nooit verachtelijk over de mens uitlaten. Niet omdat dat de eer van de mens te na zou zijn, maar omdat het Gods eer tekort doet. Het is Gods goedheid die de totale ineenstorting van onze menselijkheid 'door zekere bindingen' bewaart. Calvijn kan het ook zo zeggen: 'In de ver-keerde en ont-aarde natuur van de mens glimmen nog steeds vonkjes, die ervan getuigen dat hij een met rede begiftigd wezen is'. Er is zelfs sprake van enig Godsbesef. 'Ook in de slechtste mensen is van nature een Godsgevoel ingebeiteld —, dat vermoeden dat er ergens een goddelijk wezen is.' Waar komt dit vandaan? Het zijn sporen die de oorsprong van de mens verraden: zijn schepping naar Gods beeld. Sporen, als voetsporen in het zand. Heel onbevangen kan Calvijn in dit verband soms zelfs spreken van 'heerlijke gaven van de natuurlijke mens': wijsheid, rechtsgevoel, schoonheidszin, kunstzinnigheid... Plato bijvoorbeeld krijgt hoge lof, 'ofschoon ook hij in duisternis rondwandelde'. Calvijn houdt het erop, dat Gods (algemene) genade, ook binnen de verstoring van de natuur nog ergens ruimte vrijhoudt, zij het niet reinigend en verzoenend, maar dan toch wel remmend en bewarend. God hanteert de teugels en ment de mensheid binnen bepaalde perken, opdat de verdorvenheid van de natuur niet tot uitbarsting komt. Anders zou er — zo oordeelt hij — geen roofdier zijn dat zich bloeddorstiger gedroeg dan de mens!

En toch... bij Calvijn krijgt deze resterende 'goedheid' van de mens — waarin hij nog tot zo'n hoge trap van beschaving en humaniteit vermag te komen — geen zelfstandige waarde.

Zij is betrekkelijk. Uiterst betrekkelijk. Onophoudelijk spreekt Calvijn met twee woorden. Niet zodra heeft hij die (relatieve) 'goedheid' geprezen, of terstond voegt hij er aan toe: 'Dat licht wordt door de ontzaglijke dikke duisternis van de onwetendheid dermate verstikt, dat het niet werkzaam uit kan stralen'. Het gaat steeds om 'misvormde brokstukken'. Met name geldt dat van Calvijn's befaamde semen religiones (zaad der religie) dat in de menselijke natuur ligt 'ingeplant': wij verstikken het door ongeloof en waanvoorstellingen. Heel onze heerlijkheid is slechts schande voor God. En de lijnen van Gods evenbeeld zijn niet slechts onduidelijk van vorm, 'maar ook zó gebroken en misvormd, dat men eigenlijk moest zeggen: zij zijn uitgewist'. Want ondanks 's mensen scherpzinnigheid is hij 'tot het verstaan van het geheimenis Gods even onkundig als een ezel tot luitspel'.

Als het er op aan komt kan Calvijn — in het voetspoor van Paulus! — deze hele 'natuurlijke goedheid en Godskennis' reduceren tot een wel uiterst 'negatieve' en ontluisterende functie: zij is er opdat geen mens te verontschuldigen zou zijn! Niemand kan zich met recht beroepen op onwetendheid. De zonde is schuld, het ongeloof is ongehoorzaamheid, weerspannigheid!

En als het om enige 'positieve' waardering gaat, zegt Calvijn het zo: 'Dat ons een of andere Godskennis aangeboren is, — dat een of andere onderscheiding van goed en kwaad in ons geweten ingegraven is —, dat wij rijke gaven hebben tot onderhouding van het aardse leven, dat alles is onmiskenbaar geschenk van God. Maar evenzeer duidelijk is het, dat dit alles bij ons bevlekt raakt, zoals een wijn die in een slecht vat gegoten wordt zijn lieflijke geur verliest en bitter wordt van smaak'!

Calvijn maakt hier graag het onderscheid tussen kennis van 'de lagere dingen' en die van 'de hogere dingen'. Met het 'lagere' bedoelt hij dan de aangelegenheid van het tijdelijke, voorlopige, aardse leven; met het 'hogere' doelt hij op het geheim van Gods Koninkrijk, de gerechtigheid en de zaligheid van het hemelse leven. Wat het eerste betreft is de (natuurlijke) mens nog met voortreffelijke gaven toegerust (die hij tussen haakjes èn als vrucht van de resterende , brokstukken van Gods beeld opvat èn als gaven van de — algemene werking van de — Heilige Geest. De samenhang is dunkt me deze: het is de Heilige Geest die de resten onderhoudt en bewaart).

Maar komt het tweede aan de orde, staan  wij zonder meer voor een volledig échec! Bekend is het beeld van de wandelaar bij nacht en onweer: een ogenblik flitst het licht hem in de ogen, het volgende moment omgeeft hem het volslagen duister...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Grond en grens van het geweten (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's