De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Grond en grens van het geweten (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grond en grens van het geweten (4)

8 minuten leestijd

Theoloog van het geweten?

Men heeft Shakespeare wel de 'dramaturg van het geweten' genoemd. Zou men nu Calvijn, die zo dikwijls en zo ernstig over het geweten heeft geschreven, wellicht de 'theoloog van het geweten' kunnen noemen? Is het waar wat iemand eens poneerde: 'De reformatie is in zijn wezen de terugvordering van de rechten van het religieuze geweten?' Ik geloof er niets van. Calvijn is niet de theoloog van het geweten, maar de theoloog van de Heilige Geest. Ofwel: van het Woord. Of: van de vrije genade. Of: van het geloof. Dergelijke karakteriseringen snijden hout. Door Calvijn is het geweten nooit in verband gebracht met de rechten van het religieuze zelfbewustzijn en de 'grandeur' van de mondige mens. Nooit : zoekt hij het geweten te omschrijven als een ' soort immanente wetgever, een goddelijke rechter die de mens onvervreemdbaar ingeschapen is en hem tot een zelfstandig beslissend wezen verheft. Het geweten is bij hem geen oergrond. Hoe zou hij tot een dergelijke stelling kunnen komen? Daartoe was hij immers veel te diep overtuigd geraakt — door het Woord van de Geest: die onweersprekelijke 'instantie' buiten hem! — dat in de mens geen goed woont, geen 'goed' dat op zichzelf beslissingsrecht en keuzemogelijkheid bezit tot het goede. Te onuitwisbaar was hem juist in het geweten gegrift, dat God alleen deze bevoegdheid toekomt! Calvijn's waardering van het geweten en zijn beroep erop, is zeer bepaald en principieel secundair. Primair is zijn horigheid, zijn onderworpenheid aan het Woord. Dat was nu juist in wezen zijn hele bekering: 'God dwong mij tot gehoorzaamheid', zoals hij schrijft in de inleiding tot zijn Psalmencommentaar (1557). Dat was hem begin en einde: niet de horigheid aan eigen innerlijk, aan eigen ideeën en gevoelens, maar de restloze overgave aan het gezag van de Meester. Wie heeft ooit aangrijpender dan hij getuigd van de soevereiniteit van God? Niet het geweten is soeverein, Gód is het. En Hij alleen! Maar indien nu het geweten niet soeverein is, en het nochtans zo hogelijk gewaardeerd wordt door Calvijn, wat is het volgens hem dan wél?

Klankbodem

Het gezag van het geweten is voor Calvijn geen fictie, maar zeker ook geen norm. Daartoe is het geweten te zeer een instantie van 'beneden', van de mens. Het behoort te zeer tot het menselijk instrumentarium, om ooit het laatste woord te kunnen hebben. Het is schepselmatig. En het schepselmatige geeft voor Calvijn nooit de doorslag. Dat zou ontering van de Schepper zijn. Alleen aan Hem is het eerste en het laatste woord. Komt het geweten dan misschien het middelste woord toe: als een instantie die een tussenpositie inneemt tussen God en Mens? Nee, zulk een tussenwezen kent Calvijn niet.

We moeten dan ook goed en zorgvuldig luisteren wanneer Calvijn het geweten definieert. Want even lijkt het erop dat hij het geweten tóch zo'n bemiddelende functie toekent. Hij zegt immers (en hij doet dat tweemaal gelijkluidend, in Boek III, 19, 15 én in Boek IV, 10, 3 van zijn Institutie): 'De consciëntie is iets midden tussen God en mens, omdat ze niet toestaat dat de mens in zichzelf iets onderdrukt wat hij weet, maar hem zover achtervolgt totdat ze hem tot schuldbekentenis brengt'. Maar dan moeten wij terdege letten op het tekstverband van deze omschrijving. Onmiddellijk daarvoor heeft Calvijn namelijk gezegd: 't woord scientia (weten) gebruiken wij wanneer wij bepaalde dingen met ons verstand in ons opnemen, het woord con-scientia (mede-weten) gebruiken wij om tot uitdrukking te brengen, dat wij een gevoel van Gods oordeel hebben! Hierbij gaat het dus niet om een 'in zich opnemen van dingen', maar om de indruk die het oordeel van God op ons innerlijk maakt. Bij het eerste zijn we actief, bij het tweede ten diepste passief. Het geweten is dan ook geen eigenmachtige mogelijkheid van de mens, maar om te beginnen niets meer en niets minder dan klankbodem van Gods Woord en oordeel. Zó is het geweten 'als een getuige die ons toegevoegd is, en die ons niet toestaat onze zonden te verbergen, maar ons schuldig stelt voor de rechterstoel van de Rechter'. 'De con-scientia is een mede-weten met God: een weten dat volledig vanaf de andere kant wordt gevuld en bepaald en beheerst, namelijk door het gezag en oordeel van Gods Woord. De klankbodem begint door de overmacht van Gods oordelend Woord te resoneren! Dat schept en verkrijgt weerklank, mede-weten, zodat ik in mijn geweten met God ga mee- en na-weten wat Gód weet over goed en kwaad. En dat levende geweten gaat getuigen! Wat is dit getuigen anders dan: Gods oordeel bijvallen. Hem in het gelijk stellen en zichzelf... veroordelen! In de grond — zegt Calvijn — ziet het geweten alleen op God! D.w.z.: het laat zch door Hem gezeggen, gebieden, bepalen. 'Het geweten heeft met God te doen, zodat een goed geweten niets anders is dan de oprechtheid van hart'. En deze oprechtheid is ongetwijfeld voor Calvijn niets anders dan volledige horigheid aan het volledige Woord des Heeren in vonnis, vrijspraak en aanspraak.

Abraham Kuyper schreef over het geweten ooit in bewoordingen die Calvijn's gevoelen trefzeker weergeven: 'Ons geweten is geen aparte bekwaamheid, die wij als mensen bezitten, om naar eigen wijsheid goed en kwaad te onderscheiden, maar het horen van een oordeel over ons doen, ons denken en over onze persoon; een oordeel dat ons in ons binnenste toegefluisterd wordt, zonder dat een ander het hoort. Ons geweten is niet iets dat op zichzelf staat, dat God aan ons schiep en wij nu als een werktuig met ons meedragen en in werking stellen wanneer en zoals het ons belieft'. Nee, het geweten ontvangt slechts van God zijn aanwijzingen. Het registreert slechts wat Gods Woord ons dicteert. 'Gods gebod wordt volgens Calvijn dus niet door het geweten bepaald, maar louter aan het geweten geopenbaard' (W: Kolfhaus).

Norm?

Het geweten is dus geen norm. Het is zelf genormeerd. Deze 'getuige' zoals Calvijn hem noemt, heeft het van horen zeggen en staat onder curatele! Curator is het Woord van God. Dat 'bindt ons geweten', weet Calvijn! Vandaar dat hij het inslapen van het geweten zo'n schrikbarende zonde noemt. Want het is een doofheid jegens Gods wil en Woord!

In deze samenhang kan Calvijn dan ook zeggen: 'Ons leven is slechts dan in goeden doen, wanneer het in een goed geweten is gegrond'. Daarmee verlegt hij de basis van het christenleven niet van God naar de mens, maar wil hij juist accentueren dat ons leven slechts dan heilig en veilig wordt geleefd, wanneer het zijn grond vindt in een goed geweten: een geweten dat zich op zijn beurt grondt op God en Zijn Woord, een geweten dat het eens is met Zijn heilige wil. Een goed geweten is niet daarom goed omdat 'ik' dat zo gevoel. Dat zou tot een oeverloos en normloos subjectivisme voeren! Een goed geweten is gebonden aan het criterium van Hem. Die mij door Zijn Woord in de crisis stelt: mij beoordeelt, kritiseert, en tot de bekering der gehoorzaamheid roept. Buiten het Woord der Waarheid — die moederschoot van alle geloof en leven — is ons geweten onbetrouwbaar. 

Luther stelde het eens heel plastisch zó voor: 'Is het geweten door het Woord van God verlaten, lijkt het op een kogel die op de grond wordt rondgedraaaid'! Inderdaad, afgezien van het Woord is het geweten grillig. Het waait met alle winden mee. Dan is het een gerechtshof zonder rechter (W. Kolfhaus)! Gód is rechter. Hij beslist. In Zijn Woord zijn norm en bron gelegen van het leven-met-een-goed-geweten. Met andere woorden: waar dit Woord niet wordt geloofd en gehoorzaamd, beroept men zich ten onrechte en tevergeefs op het geweten. 'Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde' (Rom. 14 : 23). Zonde! Oók... een beroep op het geweten dat niet genormeerd is! Calvijn schrijft n.a.v. dit paulinische woord: 'Hier wordt de grond aangegeven, waarom een mens veroordeeld is die zonder toestemming van zijn geweten iets onderneemt... God houdt zich niet met de uiterlijke schijn op maar vordert innerlijke gehoorzaamheid... (!) 'Geloof' betekent hier de stellige overtuiging van het hart en de klare zekerheid, die niet zomaar ergens vandaan, maar alleen uit de waarheid Góds kan komen'. En dan gaat het Calvijn om een gehoorzaamheid die maar geen uiterlijke schijnvertoning is, maar één, waarbij 'onze ziel zich in vrijmoedig Godsvertrouwen schikt tot het werk' .

Het criterium van mijn leven is niet mijn geweten, maar het Woord van God dat mijn geweten heeft gevangen gelegd. 'Er is geen waarachtig leven dan in God alleen, en dit leven wordt ons door Zijn Woord geschonken'. Dit leven is niets anders dan geloven, met een geloof dat 'zich eenvoudig op het Woord verlaat en niet eerst vraagt naar het gevoelen en overleg van de natuurlijke mens; het hangt alleen aan de mond van God'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Grond en grens van het geweten (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1987

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's