Uit de pers
Oudezijds 100
Midden in de rosse buurt van Amsterdam aan de Achterburgwal treffen we het pand aan dat bekend staat als Oudezijds 100: een kapel, een centrum van hulpverlening, een medische post, een krisisopvangcentrum, kortom een post waar mannen en vrouwen in dienst van Christus zich geroepen weten in woord en daad het Evangelie van Jezus Christus door te geven aan de mensen in de marge en de zelfkant van de samenleving. In Koers van 19 december en het Centraal Weekblad van 2 januari trof ik enkele artikelen aan over dit stukje missionair-diakonaal werk dat door ds. Boiten en zijn medewerkers verricht wordt. Over zijn werk vertelt ds. Boiten:
'Toen dominee Boiten en zijn vrouw in 1954 afgestudeerd waren in de theologie, kwam bij hen de gedachte op om te gaan werken in de binnenstad van Amsterdam. "Dat was natuurlijk een overmoedige gedachte. Wij dachten daar veel te kunnen doen, als we maar de juiste, eigentijdse vorm wisten te vinden. Dat was dom, omdat het wezenlijke probleem van de secularisatie niet is gelegen in de foutieve presentatie van het Evangelie, maar in het feit dat men de relevantie van het geloof voor het leven in deze moderne samenleving niet ontdekt." Voor een leervicariaat bij twee Franse predikanten vertrokken hij en zijn vrouw naar Aubervilliers, een voorstad van Parijs. Dominee Boiten: "Daar hebben wij een wezenlijke ervaring opgedaan die ons hier al die jaren heeft geïnspireerd en ook vandaag nog inspireert. Wat we daar geleerd hebben is een andere vorm van gemeente-zijn, van het kerk-zijn en daarmee ook van het ambt". Even is het stil en zoekt dominee Boiten naar een duidelijke verwoording van die in Frankrijk opgedane ervaring. "Kijk, in de traditionele gemeente heb je aan de ene kant de specialisten en aan de andere kant de mensen die 'het' zich moeten laten aandoen. Dat heb je in elke professie. Je treft in een gemeente of een dominee die goed kan preken, of je hebt pech en je treft een predikant die er niets van maakt. Maar je hebt dat te accepteren zoals het is. Met name in het verleden was het in Amsterdam zo, dat de gemeente hier woonde en de dominees in Amsterdam-Zuid. Dat was een zeer godvruchtige wijk, want daar woonden ze bijna huis aan huis. Wat wij in Aubervilliers geleerd hebben, is dat de predikant in dezelfde omstandigheden en op dezelfde plaats moet leven als zijn gemeente. Hij is een van hen. Een primus inter pares, als u wilt. Hij wordt in de allereerste plaats aanvaard als buurman. Vanuit dat aanvaard zijn kan hij ook functioneren als ambtsdrager. Je deelt het leven van je gemeenteleden, je deelt ook in hun gebrek.
In Aubervilliers vonden we een frontsituatie. Het bestaan was daar teruggebracht tot zijn minimum. De armoede was zo groot, de woon- en leefomstandigheden zo slecht, de vervuiling van de lucht zo intens — ook toen al... , die mensen hadden in feite niets meer. In zo'n frontsituatie wordt opeens het Evangelie tot een actuele zaak, waaraan je houvast hebt. Pas dan gaat het Evangelie voor je leven, als je met lege handen staat. Als wij bidden, doen we dat vaak met volle handen en dan zeggen we — met eerbied gesproken: Heere, nog iets erbij en zet U het dan daar maar neer, want ik heb m'n handen vol. Nee, het gebed is met lege handen, het kerk-zijn is met lege handen. Niet met macht. Niet met rijkdom. Wij zijn niet meer dan postbodes die de Brief bestellen. Die postbodes schrijven die Brief niet zelf, dus hoeven we ook geen pretenties in die richting te hebben." Dominee Boiten gelooft dat gemeente-zijn in deze tijd betekent: het leven met elkaar delen. "Dan is het gemeente-zijn niet alleen een kwestie van de zondagse prediking, maar een kwestie van maandagmorgen tot zaterdagavond. En de kerkdiensten op zondag zijn daar als het ware de logische consequentie van.'"
Boiten wijst er op dat ondanks alle negatieve ervaringen in een buurt waar misdaad en prostitutie tieren, zij toch ook veel vertrouwen ontvangen en aanvaard worden zoals ze zijn. Gastvrijheid en duidelijkheid kenmerken het werk dat door hen gedaan wordt. Gastvrijheid, in die zin dat men open staat voor ieder die met wat voor zorgen en misère ook aanklopt. Duidelijkheid dat men zonder agressieve methoden laat zien wat een levensstijl in het spoor van Christus betekent. In het artikel in het CW vertelt ds. Boiten dat zij ongeveer 24.000 bezoekers per jaar krijgen. 'Voor de meeste mensen is Oudezijds 100 een soort bordje waar 'nooduitgang' op staat. In de beginsel verklaring van Oudezijds 100 wordt gezegd dat de gemeenschap met het Evangelie present wil zijn. Presentie die niet opdringerig is, wel nodigend. Juist door het leven van elke dag met de buurt te delen, groeit er een sfeer van vertrouwen en worden er tal van contacten gelegd. Op minder dan een steenworp afstand van Oudezijds 100 ligt de satanskerk. Over de invloed van de vorst der duisternis op het mensenleven is Boiten niet onduidelijk.
'"Een baaierd van ellende". Zo noemt dominee Boiten de wijk waarin hij werkzaam is. Misschien kennen veel meisjes "uit het vak" wel meer van "des menschen ellende" dan zij die de Heidelbergse Catechismus uit het hoofd geleerd hebben. In dit verband vertelt Boiten over een doopdienst van een klein latijnsamerikaans jongetje in de kapel. De moeder was een gelovige ex-prostituée. Zij zat in de kapel met nog zo'n dertig van haar oud-collega's. "Nu hebben wij de oude gewoonte — en dat vinden wij uitermate zinvol — om voor de plechtigheid aan de betrokkenen te vragen: verzaakt gij de duivel en al zijn werk? Dit werd ook gevraagd aan de moeder. En de vraag was nog niet gesteld, of al die meisjes in de kapel riepen: si senor, si senor. Zij kennen de duivel; zij weten hoe hij hun leven verwoest heeft.'"
Oudezijds 100: pastoraat en diakonaat, evangelisatie en hulpverlening. Er wordt over de onderlinge verhouding heel wat getheoriseerd. In de gemeenschap aan de Achterburgwal wordt ongedwongen de eenheid van woord en daad gepraktizeerd. Niet dat het iets heeft van een succesverhaal, integendeel. Het werk gebeurt in wat Boiten aanduidt 'een oorlogssituatie'. Maar het vindt plaats onder de koepel van de belofte: 'Het volk, dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht...'
***
Een kwestie van vooroordelen?
Naar aanleiding van het lustrum van het Overlegorgaan van joden en christenen in Nederland (OJEC) schreef dr. H. Jansen in het Amsterdamse kerkblad Present een artikel (overgenomen in Ter Herkenning van dec. 1986) over de strategie van het OJEC die er op gericht is joden en christenen te bevrijden van vooroordelen over elkaar. Terecht constateert Jansen dat niemand vrij is van vooroordelen. 'Het is dan ook een symptoom van grenzeloze primitiviteit en ontstellende geestelijke onrijpheid te menen dat christenen geen vooroordelen over joden zouden hebben of niet meer zouden hebben'. Jansen wijst op de geschiedenis die in dit opzicht een trieste, maar duidelijke taal spreekt. Om de strijd tegen vooroordelen met succes te strijden is nodig dat we de werkelijkheid van het Jodendom in al zijn schakering kennen. Daarom kan de voorlichting niet object genoeg zijn. Dan vervolgt de auteur:
'Een vierde voorwaarde om ons te bevrijden van vooroordelen over joden, is, dat wij er heel diep van overtuigd raken, dat onze waarheid niet impliceert de onwaarheid van het Jodendom, dat de weg die de Kerk meent te moeten gaan, niet impliceert dat de weg die de Synagoge meent te moeten gaan, een doodlopende weg is, zoals christenen dat de eeuwen door hebben gezegd en dikwijls nóg zeggen. Langzamerhand komen wij christenen tot het beschamende inzicht dat de Kerk in de afgelopen eeuwen geblinddoekt was zodat zij niet zag dat óók de Synagoge de weg des Heeren gaat. De Kerk beschouwde zichzelf als de enige niet blinde gids op de weg des Heeren, als de enige helderziende Vrouwe, die de waarheid in pacht meende te hebben. Daarom ook is in de statuten van het OJEC opgenomen dat wij afzien van élke vorm van zending onder de joden.
In de jaren 1985/1986 heeft het dagelijks bestuur van Het OJEC bezoeken afgelegd bij diverse aan het OJEC deelnemende kerkgenootschappen en instellingen met het doel om een nadere kennismaking te bewerkstelligen en met elkaar over punten van gemeenschappelijk belang te beraadslagen. In gesprekken die werden gevoerd met de Katholieke Raad voor Israël, het Christelijk Gereformeerd Deputaatschap voor de Evangelieverkondiging onder Israël, het Gereformeerde Deputaatschap voor Kerk en Israël, de Nederlandse Hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël én met de Synodale commissie van de Evangelisch-Lutherse Kerk, is één thema steeds expliciet of impliciet aan de orde geweest. In alle ontmoetingen werd gesproken over de wijze waarop de verschillende kerken hun relatie tot het joodse volk definiëren en vorm geven. Daarbij bleek vaak een discrepantie te bestaan tussen de bestaande praktijk en de officiële theorie, zoals die is vastgelegd in kerkordes en kerkelijke verklaringen. In de officiële theorie behoren verwijzingen naar en herinneringen aan wat wel wordt aangeduid met het begrip "jodenzending" nog niet volledig tot het verleden. Er bestaat binnen het OJEC weliswaar begrip voor het meermalen in de ontmoeting genoemde argument, dat een mentaliteitsverandering op dit punt in bredere kerkelijke kring langzaam verloopt en dat een grondig bezinningsproces veel tijd vergt. Toch heeft het OJEC in een brief aan genoemde kerken er op aangedrongen aan de bezinning op dit thema hoge prioriteit te verlenen.
Vooroordelen kunnen niet worden uitgeroeid, zolang christenen ervan overtuigd blijven, dat het christendom superieur is aan het Jodendom. Gandhi heeft terecht eens geschreven: "Het zou het recht van intolerantie zijn te geloven dat jullie christelijke godsdienst superieur is aan die van anderen en dat jullie terecht van anderen verlangen dat zij tot jullie christelijke godsdienst overgaan. Deze intolerantie is een vorm van geweld". Het werk van het OJEC impliceert dagelijks openheid, zelfkritiek en het verlangen om van anderen te leren. De christen treedt dan pas in een authentieke dialoog met de jood, als hij zijn eigen overtuiging heeft maar zonder a priori die van de jood minder waar te vinden dan die van hemzelf. Een christen dient ervan overtuigd te zijn, dat God gelukkig ver af staat van welke verabsolutering van de christelijke waarheid dan ook. Ook de openbaring van God in Jezus is een sociaal-psychologisch geconditioneerde waarheid! Wanneer in het verleden — en niet zelden ook nog in het heden — een christen een jood ontmoette op basis van godsdienstige overtuiging, vond er onmiddellijk een verandering in houding plaats. De christen was (is) ervan overtuigd dat de ander niet de ander is, maar een anonieme christen, een mens in wie zonder dat hij het weet de reddende genade van Christus aan het werk is, een mens wiens religieus-sociaal-culturele achtergrond tóch niet authenthiek is, een mens wiens religieuze overtuiging — als het resultaat van de sociaal-religieuze omgeving waarin hij werd geboren, dagelijks leeft en zal sterven — door de openbaring in Jezus Christus feitelijk is afgeschaft. Ik denk dat we hier vooral te maken hebben met een van de meest hardnekkige vooroordelen van christenen over joden.'
We kunnen de auteur zonder meer toegeven dat vooroordelen enorme schade berokkenen en dat mede door allerlei vooroordelen tal van mensen lijden onder racisme, discriminatie en — voorzover de joden betreft — antisemitisme in gruwelijke of verfijnde vorm. De aktiviteiten die het OJEC op dit punt ontwikkelt in de vorm van goede voorlichting en wederzijdse informatie om vooroordelen, verkeerde beeldvorming etc. te bestrijden mogen onze warme belangstelling hebben. Toch heeft dit artikel bij mij ook vragen opgeroepen. Moet de bevrijding van vooroordelen inderdaad tot voorwaarde hebben dat we afzien van het getuigenis dat Jezus de Christus is in het gesprek met de synagoge? Is wat in art. VIII van de kerkorde staat iets wat vooroordelen in stand houdt?
Ik kan uit de opmerkingen van dr. Jansen over de weg van de kerk en die van de synagoge niet anders lezen dan dat er dus kennelijk twee wegen tot het heil zijn. Dat lijkt me in strijd met het gehele Nieuwe Testament, ook met Romeinen 9-11 (ondanks de opmerkingen van dr. Schoon die in hetzelfde nummer schrijft, dat er voor Paulus weliswaar maar één weg tot het heil is, maar dat de apostel in Romeinen 11 niet zo zeker van zijn zaak lijkt te zijn. Dat laatste lijkt me toch wat gezocht!) Houden we met de nadruk op de ene weg tot het heil — en dus met de opdracht tot een getuigend gesprek met de joden — vooroordelen in stand? Ik meen dat hier allerlei zaken door elkaar gehaald worden. De belijdenis van de ene weg tot het heil voor jood en christen kan in het licht van de Schrift niet anders zijn dan de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze door Christus alleen. Dat moet elke gedachte als zouden christenen superieur zijn aan de joden de pas afsnijden. Superioriteitsgevoelens betekenen verraad aan het Evangelie van de genade en voeden inderdaad vooroordelen. Dat stem ik Jansen graag toe.
Maar het getuigenis van de Romeinenbrief dat voor elk mens, jood, heiden, christen Jezus Christus aanwijst als de ene en enige weg tot heil, plaatst ons allen onder het oordeel. De geloofsbeleving van onze schuld voor Gods aangezicht, de erkenning dat wij onder het oordeel van God schuldig verklaard worden en alleen maar kunnen leven dankzij het genadige wonder van Gods erbarmen móet toch tot uitwerking hebben dat onze vooroordelen en superioriteitsgevoelens verdwijnen. Revius heeft dat in zijn bekende gedicht over de kruisiging al duidelijk laten horen: 't En zijn de Joden niet... ik ben het!
Wij worden niet van vooroordelen bevrijd, als we de waarheidsvraag in het gesprek met Israël niet meer aan de orde zouden stellen en het getuigenis dat Christus de Verlosser van Israël is achterwege zouden laten. Wij worden alleen maar van onze vooroordelen bevrijd als we in ootmoed en geloof ons bekeren tot Hem Die Israels verwachting is en ons met profeten en apostelen verheugen over de perspectieven die er in dit Evangelie oplichten voor Israël dankzij de trouw en de genade van God in Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1987
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's